Als morgen de wereld vergaat

Victor Westhoff was in 1946 dertig. Hij vertelt dat dat jaar zijn eerste kind werd geboren en zijn eerste gedichten rijp waren voor publicatie (Levend Barnsteen).

Hij vertelt dat hij toen nog in Rijswijk woonde en bij de ANWB werkte. Jawel, de ANWB - ze gebruikten hem als verbindingsman met de wereld van de natuurbescherming en gaven hem alle ruimte om zijn proefschrift af te maken (over de vegetatie op de Waddeneilanden). Hij vertelt ook over de plagen die hem bezochten in zijn jeugd en zijn groei naar een boeddhistische levensbeschouwing. En zegt dat hij niet terugverlangt naar natuur en landschap van Nederland uit die tijd.

“Ik heb de herinnering”, legt hij uit. “Meer mag je niet verlangen. Je moet je niet hechten als dat geen zin heeft. Je moet doen wat je kan, maar je moet je niet vastklampen.”

“Ik heb”, voegt hij daaraan toe, “altijd geleefd volgens het woord van Luther: als morgen de wereld gaat, plant ik vandaag een appelboompje. Totdat een vriendin een keer vroeg: en dat arme appelboompje dan? Sinsdien leef ik volgens het woord van Willem van Oranje: men hoeft niet te hopen om te ondernemen, noch te slagen om te volharden.”

Toch...Terschelling, Zeeland, Zuid-Limburg, de blauwgraslanden langs de Meije, de nachtegalen in de Haagse duinen, de heldere sloten in de Langbroeker Wetering, mét waterviolier en salamanders en schrijvertjes, en de weilanden vol tureluurs en dotterbloemen...en Twente niet te vergeten, waar hij in 1944 de beeklopen had onderzocht...Hij hield van heel het land. Alleen van de Groningse klei hield hij niet.

Al dit vertellen wordt regelmatig onderbroken voor een uitstapje naar de studeerkamer, een greep in de boekenkast. Op de salontafel, die dit natuurlijk al vaker heeft meegemaakt, groeit gestaag een stapel boekjes, bundels, stencils en overdrukken. Lees dit maar eens. Kijk dit nog eens na. En hier, neem dat dan ook maar mee.

Huiswerk.

Daar is in de eerste plaats de tekst van Westhoffs redevoering op de natuurbeschermingsdag van de Nederlandse Jeugdbond voor Natuurstudie in de zomer van '45, de eerste bijeenkomst na de oorlog. In Drachten nota bene, in een land zonder openbaar vervoer.

Voor iemand die dertig jaar later de problemen in het natuurbeheer als volkomen nieuw zou ervaren (ik heb het over mijzelf), is dit beklemmende lectuur. Toen had Westhoff het al over verdroging. Toen had Westhoff het al over ongewenste effecten van bemesting.

En bij deze gelegenheid introduceerde hij het begrip 'halfnatuurlijke landschappen'.

Tot op dat moment werden in de natuurbescherming terreinen aangekocht met het idee ze vervolgens aan hun lot over te laten - daar was het immers natuur voor. Maar Westhoff betoogde dat veel Nederlands landschap zijn natuurlijke waarden aan eeuwenlange menselijke activiteit te danken had, en dat die activiteit in essentie zou moeten worden voortgezet om deze waarden te behouden.

De terreinen waren er al en de praktijk ging ook wel deze kant op, maar het juiste woord was nog niet uitgesproken. Halfnatuurlijke landschappen. Neem dít begrip, in 1945 in Drachten, en je ziet tientallen jaren Nederlands natuurbeheer in het verschiet.

En dan is er Westhoffs bijdrage aan het eerste deel van de ENSIE, de Eerste Nederlandse Systematisch Ingerichte Encyclopedie. Die was gedurende de oorlog voorbereid en begon in '46 in rap tempo te verschijnen (tot deel 10 in 1952).

Aesthetische opvoeding door omgang met de natuur - zo heet zijn hoofdstukje. (Westhoff: 'Het woord natuureducatie moest ik toen nog uitvinden').

Wie met de natuur opgroeit, komt tot een verfijnd besef van vorm en kleur, een diepere beleving van de beeldende kunst.

Wie met de zang der vogels tot muzikale ontwikkeling komt, is het beste beschermd tegen de koorts van lege dansmuziek.

Opvoeding in de natuur leidt als vanzelf tot een eerbied voor het leven, die bezitsdrang en vernielzucht kan overwinnen.

En wat te denken van de betekenis van vertrouwdheid met de natuur voor het liefdeleven? Hart voor de natuur zou elke minnaar tot een dichter maken. ZíEÉj verschaft hem daarvoor de taal en de symbolen. “Zulk een liefdeleven is tederder, opmerkzamer, genuanceerder en daardoor rijker dan het afgestompte bestaan van wie hun prikkels zochten bij swing, parfum, alcohol en nicotine.”

Dan (ik zit dus thuis en heb mijn indrukken nog maar half verwerkt) arriveert er een brief over wat hem naderhand nog te binnen is geschoten. Hierin belijdt Westhoff in meeslepende zinnen zijn hartstocht voor de hemel, het domein van wolken, de zon, de maan, de sterren. In dit kader herinnert hij zich uit 1946 een zekere De Casseres op het ministerie van Landbouw.

“Zijn voornaam weet ik niet; in die tijd was men nog niet zo amicaal. De Casseres was een protégé van minister Mansholt, die hem had aangesteld zonder hem een bepaalde plaats in de ambtelijke santenkraam te geven. Hij had geen medewerkers, zelfs geen secretaresse, maar wel een eigen kamer met het opschrift 'Bureau van de Hoofdingenieur'. Hij kon dus vrijuit filosoferen, en daar was hij ook voor aangesteld (kom daar nu eens om!)

Naar analogie van landschap sprak deze hoofdingenieur van luchtschap. Toen hadden ze een woord voor hun gezamenlijke liefhebberij. Toen konden ze naar believen bakkeleien over het mooi of lelijk van een condensstreep van een hoog overkomend vliegtuig.

Horizonvervuiling, ook al een woord van De Casseres. En het nachtluchtschap wordt tegenwoordig overal uitgewist door kunstlicht. “Deze verlichting is veeleer een verduistering.”

Nauwelijks is deze eerste brief beantwoord, of daar valt de volgende in de bus. Nu over de botanische kwaliteiten van slootkanten bij schilders van de Haagse School. Daarbij citeert hij Romain Rolland: ware heldenmoed is de wereld te zien zoals ze is en toch liefhebben.

“Ik zou het”, schrijft Westhoff, “geen heldenmoed willen noemen, maar het is wel een opgave. Een leven lang heb ik landschap en natuur om mij heen zien verloederen, door botheid, oprukkende civilisatie, geldzucht en onverstand.”

Ja beste Victor, denk ik dan bij mijzelf, als het geen verdriet is wat ik hier hoor, dan is het toch wel woede.