18 maart 1948, de eerste televisie-uitzending in Nederland; Jules Verne in Eindhoven

Op 18 maart 1948, in een kring van 40 kilometer rond Eindhoven, konden Nederlanders voor het eerst televisiekijken, 'een der prachtigste geschenken die de techniek ooit in mensenhanden heeft gelegd'. Vijftig jaar later halen de makers de herinnering op aan die eerste uitzending en hun hooggestemde verwachtingen van het medium. 'De televisie zou de mensen dichter bij elkaar brengen.'

De hele avond hadden de journalisten, die op uitnodiging van Philips naar de somptueus gelambrizeerde zitkamer van de Eindhovense Golfclub te Valkenswaard waren gekomen, geboeid naar het televisietoestel gekeken. Ze zagen een door twee acteurs gespeelde toneelscène, een filmpje over de Wieringermeer, een optreden van de conferencier Cees de Lange en de Brabantse humorist Peer van Brakel, enkele bioscoopjournaalbeelden van de recente voetbalwedstrijd België-Nederland en een demonstratie bloemschikken. De wetenschap dat dit alles zich op hetzelfde moment tien kilometer verderop afspeelde in een studio in het laboratorium van Philips, vervulde hen met grote bewondering. “Het is een wonderlijke sensatie”, schreef de verslaggever van het Algemeen Handelsblad dan ook, “rustig op een stoel in een kamer naar beelden en gebeurtenissen uit de buitenwereld te kunnen kijken.”

Maar wat hier werkelijk aan de hand was, drong pas tot hen door toen ten slotte de omroepster Bep Schaefer weer in beeld kwam. De camera had een iets lager standpunt ingenomen, zodat op haar tafeltje nu ook een telefoon te zien was. Ze greep naar het toestel en draaide een nummer. Tegelijk begon in de golfclub de telefoon te rinkelen. Philips-perschef Sjoerd de Vrij nam op. Op het scherm hoorde men de omroepster vragen: “Hebt u ons goed ontvangen? Hebt u alles goed kunnen zien?” En de perschef gaf antwoord. Ja, het programma was uitstekend ontvangen en iedereen was enthousiast.

“Dat was voor die journalisten het hoogtepunt van de avond”, zegt Erik de Vries, de toenmalige regisseur, vijftig jaar na dato met een gulle grijns die de triomf van toen nog weerspiegelt. “Tot op dat moment hadden de heren plaatjes zitten kijken, zonder zich werkelijk te realiseren dat die gelijktijdig werden gemaakt in een studio verderop. En toen begon die telefoon te rinkelen. Niemand legde meteen het verband met wat er in beeld te zien was; dat gebeurde pas toen het gesprek begon. Opeens drong de waarheid in volle omvang tot iedereen door: die juffrouw op het scherm zit daar ècht op dit moment, en daar hebben we nú contact mee. 't Was alsof ze hen dwars door het toestel heen had aangeraakt.”

De Vries (85), boomlang in zijn met archiefstukken volgestouwde werkkamer met uitzicht over de daken van het Amsterdamse museumkwartier, haalt met stijgend plezier de ene na de andere map tevoorschijn. Kijk, het draaiboek van die bewuste uitzending. “Schaefer met telefoon, schrijft, draait”, staat er. Meer niet; het stuntje met de rechtstreekse telefoonverbinding moest geheim blijven. Kennelijk voorvoelde hij destijds al dat dat de laatste twijfelaars over de brug zou trekken. “Terwijl wij onze collega in natura hoorden spreken”, berichtte de man van Het Vrije Volk, “zagen en hoorden wij de reacties van mej. Schaefer per televisie-ontvanger. Een werkelijkheid geworden fantasie van Jules Verne!”

Op zijn achttiende, in 1930, was Erik de Vries bij Philips in dienst getreden op de afdeling zenderbouw. Naar buitenlands voorbeeld werd in het laboratorium gewerkt aan de ontwikkeling van de televisie. De jonge De Vries toonde zich zo geestdriftig over het nieuwe medium dat hij mocht meewerken. In 1938 was hij regisseur, cameraman en presentator van het eerste openbare tv-experiment van Nederland, in de Jaarbeurs in Utrecht. Daarna legde de oorlog de verdere ontwikkeling stil. Pas in 1948 werd het experiment voortgezet.

“De grondslag was commercieel”, zegt de toenmalige publiciteitsman Fred Knol (83). “Het was voor Philips een kwestie van: we moeten los! De regering zag er niets in, maar het bedrijf maakte al op kleine schaal televisie-toestellen voor de export, zoals voor Duitsland, Frankrijk en Engeland, en wilde uiteraard ook op de Nederlandse markt beginnen. We hadden licht, we hadden radio - nu moesten we verder. De televisie leek een geweldige mogelijkheid voor de toekomst. Miljoenen toestellen konden er worden gemaakt, en er zou werk zijn voor duizenden mensen.”

Naar buiten toe wekte het bedrijf echter graag de indruk dat het niet alleen om economische belangen ging. In het in 1949 verschenen boekje Wat weet ik van televisie? van Philips-perschef Sjoerd de Vrij en diens rechterhand Martien Deelen wordt op verheven toon gerept van “de uiterst verantwoordelijke taak om een der prachtigste geschenken die de techniek ooit in mensenhanden heeft gelegd, goed en tot vermeerdering van het menselijk geluk te gebruiken”.

Alleen in de slotzinnen van het boekje gaven De Vrij en Deelen aan, dat de televisie ook 'een niet te onderschatten gevaar' in zich borg, “juist omdat het een harde spiegel zal zijn van het leven zèlf, met al zijn goede en slechte kwaliteiten.”

Op de werkvloer overheersten echter de positieve gevoelens. Het nieuwe medium zou een venster op de wereld worden, dat volgens menigeen in de Nederlandse huiskamers ook tot een verrijking van het gezinsleven zou leiden. “Voor mij was het versterken van de huiselijkheid een belangrijk aspect”, zegt Fred Knol, die als omroeper een bekend gezicht werd bij Philips Experimentele Televisie. “Ik heb daar volledig in geloofd. In mijn gedachten zag ik vader, moeder en de kinderen met elkaar bij het toestel zitten. Dus dacht ik: de gezinnen zullen dankzij de televisie beter bij elkaar blijven. Ik haakte daar ook op in, als ik bijvoorbeeld een film aankondigde. Dan zei ik: ziezo, het eten is op, de afwas is gedaan, maar doezelt u alstublieft niet weg, want nu komt er een mooie romantische film. Ook heb ik wel eens tegen de kijkers gezegd dat ik hier op zaterdagavond in een kale studio zat, terwijl zij gezellig thuis bij de koffie met gebak zaten. Toen werd er prompt bij ons een thermoskan koffie en een doosje gebak bezorgd.”

Optische horizon

In het natuurkundig laboratorium, door iedereen aangeduid als NatLab, was een studiootje van 5 bij 11 meter gebouwd. Door het raam van kamer 103 moest je ernaar binnen, weet Erik de Vries nog - een trappetje op, over de verwarming heen stappen en dan stond je op de vloer. Het was maar goed dat de belichting bestond uit watergekoelde drukkwiklampen, anders was het er niet te harden geweest van de hitte.

Daar binnen was hij de regisseur en eerste cameraman, die samen met de door de commerciële afdeling aangestelde programmaleider Piet Beishuizen de uitzendingen samenstelde. 'Het is zaliger te zenden dan te ontvangen', luidde het devies dat bij De Vries op een kaart boven zijn bureau hing. Er werd drie avonden per week uitgezonden: op dinsdag informatief, op donderdag cultureel en op zaterdag een speelfilm. De eerste uitzending had plaats op 18 maart 1948. De reguliere uitzendingen begonnen op 1 april van dat jaar.

De ontvangsttoestellen waren gratis uitgezet, in een kring van maximaal 40 kilometer om Eindhoven. De ontvangst reikte tot de optische horizon, verklaarde de als 'duivelskunstenaar' beschouwde chef-technicus Willem van Vlerken tegenover de pers. De meeste kijkers waren Philips-functionarissen en plaatselijke notabelen. Soms gaf dat scheve ogen; wie geen toestel kreeg, had blijkbaar niet genoeg prestige. Over een Philips-functionaris die met pensioen ging wordt zelfs verteld dat hij, toen de dag erop zijn ontvanger werd weggehaald, een hartaanval kreeg en overleed.

Wel waren de kijkers min of meer verplicht een tegenprestatie te leveren; na elke uitzending moesten ze een ontvangstrapportje opsturen. De Vries heeft nog een paar kaarten bewaard, waarop die reacties voor de programmamakers werden samengevat. Het beeld was zo scherp, schreef iemand in oktober 1948, dat de uitzending van de poppenkast er onder had geleden: “De pennen waarmee de poppen bewegen, waren te goed te zien.” Een maand later werd de regisseur op het hart gedrukt ook de kleinste details niet uit het oog te verliezen: “Een bewijs hoe nauwkeurig men kijkt, zijn de enkele opmerkingen over het slordig zitten van de das van de omroeper.”

Inhoudelijk bemoeide de Philips-directie zich nauwelijks of nooit met wat er in die eerste tijd werd uitgezonden. Fred Knol herinnert zich nog dat hij herhaaldelijk vlak voor de aanvang van het programma werd opgebeld door Philips-directeuren, die thuis een belangrijke buitenlandse gast op bezoek hadden en wensten dat deze door de omroeper speciaal welkom werd geheten. “Dan moest ik binnen enkele minuten een paar woorden in het Frans, Duits of Engels improviseren. Daar heb ik de meeste zenuwen van gehad.” Maar verder was het, denkt Knol, voor de Philips-leiding ook niet werkelijk nodig om de programmamakers aan strenge instructies te onderwerpen: “We waren uit onszelf al supercorrect en superbeschaafd. Zo ging dat nu eenmaal in die tijd. Je trad iedereen met het uiterste respect tegemoet.”

Tal van gasten werden aan het woord gelaten over hun interessante beroep of hobby (de valkenier wiens valk vrijuit door de studio vloog, baarde heel wat opzien), deskundigen legden uit hoe een onderzeeër werkte of hoe belangrijk vingerafdrukken zijn voor het politiewerk, en anderen gaven demonstraties in bloemschikken of het zelf bouwen van een pingpongtafel. Erik de Vries' toenmalige echtgenote verzorgde in een tot keuken omgebouwd hoekje van de studio een kookprogramma.

Ruim een jaar later kon de voetbalwedstrijd PSV-Eindhoven rechtstreeks in beeld worden gebracht. “Met twee camera's”, zegt De Vries. “Eén op de tribune voor het totaalbeeld en één achter het doel. Op het veld miste je ontzettend veel, maar door het doel zag je de bal zó op je afkomen.” Op joviale toon gaf dr. Anton Philips, die de reportage in het gezelschap van zijn kinderen en kleinkinderen had bekeken, na afloop commentaar aan de pers: “Naar mijn smaak is het 10-1 voor de televisie.”

Primitief

“Eigenlijk hebben wij destijds in Eindhoven alles al gedaan wat je nu nog op de televisie ziet, alleen veel kleiner”, meent Dick de Vilder (80), die zijn functie als directiesecretaris bij de Philips-dochter NSF in Hilversum in 1949 graag verruilde voor een afwisselende werkkring bij Philips Experimentele Televisie. Hij was tweede cameraman, maar maakte ook vraaggesprekken, presenteerde het spelletje Tele Mimiek (een verre voorloper van Hints) en las verhaaltjes van eigen hand voor, met een kleine schare kinderen aan zijn voeten.

“Je deed alles wat maar nodig was”, zegt hij. “Na de uitzending kwam ik altijd moe en uitgeteld thuis - zo ingespannen waren we op zo'n avond bezig geweest. Het was, niet alleen voor Philips maar ook voor ons, een kwestie van ontdekken wat er kon, wat de mogelijkheden van dit nieuwe medium waren. En daarin wilden we elke keer tot het uiterste gaan.”

Met de archiefmappen op schoot schudt Erik de Vries zijn hoofd met witte baard en mompelt: “Hoe ik dat toen allemaal heb durven ondernemen, is mij nu een raadsel.”

Voor de programmamakers stond intussen vast dat Philips Experimentele Televisie niet het eeuwige leven zou hebben. Weliswaar koesterde een enkeling visioenen van een nationale omroep naar BBC-snit, maar de rest was realistisch genoeg om te beseffen dat Eindhoven grenzen aan de groei zou stellen. “Op een gegeven moment, toen alles wel zo'n beetje was gedaan, verloor het lab zijn belangstelling”, zegt De Vries. “Die wisten wel weer andere, leukere proeven te bedenken.” En hoewel premier Drees nog in het voorjaar van 1951 meedeelde dat hij 'in verband met de kosten' niets zag in invoering van een landelijk televisienet, was niet langer tegen te houden dat de regering het nieuwe medium, net als de radio, in handen zou leggen van de bestaande omroepen.

In juli 1951 verdween de Philips-zender na 275 uitzendingen uit de lucht. Lovend schreef De Telegraaf: “Men heeft onder zeer moeilijke omstandigheden, als ruimtegebrek, opmerkelijke prestaties geleverd in deze gemoedelijke en tegelijk vastbesloten gemeenschap van pioniers.” Op 2 oktober begon de door de omroepen gevormde Nederlandse Televisie Stichting met uitzenden uit een studio in een kerkje in Bussum, dat door Philips voor dit doel was gekocht.

Ook de meeste medewerkers uit Eindhoven stonden vooralsnog ter beschikking van de omroepen. Zo werd Erik de Vries de mentor van de eerste generatie van Nederlandse tv-regisseurs. Een van de achterblijvers was Fred Knol; toen de personeelschef hem voor de keus stelde tussen de veilige baan met pensioen bij Philips of een onzekere toekomst in Bussum, koos hij voor het eerste.

In een gerieflijke serviceflat aan de rand van Eindhoven kijkt Knol met verbazing terug op het huiselijke ideaal, dat hij vijftig jaar geleden met de televisie dacht te dienen. Dat de kinderen ooit hun eigen kamer mèt tv zouden krijgen, heeft hij niet kunnen voorzien. Evenmin als de verruwing die de programma's naar zijn smaak hebben ondergaan. “De televisie slokt enorm veel tijd op van grote groepen mensen en vult die met steeds meer seks en geweld.” Zelf ziet hij, behalve de uitzendingen van zijn favoriete Discovery Channel, weinig waardevols meer.

Erik de Vries kijkt daar geheel anders tegenaan. Elke keer als hij met zijn vrouw naar de schouwburg gaat, moeten er ten minste drie of vier programma's worden opgenomen die ze niet graag zouden willen missen - zoveel moois is er op de huidige overvloed aan tv-netten te vinden. Wat dat betreft heeft hij zijn zin gekregen. “Ik was destijds sterk doordrongen van de gedachte dat je van de mensen een avond in beslag nam”, zegt hij, “en dat je, in ruil daarvoor, dan ook dingen moest bieden die iets te betekenen hebben.”

Over de vervulling van zijn grootste ideaal - de televisie als rechtstreeks ooggetuige van gebeurtenissen in alle delen van de wereld - is hij echter minder tevreden: “Je wordt continu belazerd met van tevoren opgenomen programma's. Televisie is nog steeds ver-tonen in plaats van ver-zien. Ik zou willen dat de tv vaker eerlijk zou laten zien wat er op hetzelfde moment gebeurt in een studio of ergens anders waar iets aan de hand is. Wij kunnen als kijkers nog steeds niet bepalen dat wij deze of gene vergadering van de VN willen bijwonen.”

Dick de Vilder schreef in 1953, nadat hij door een privéruzie bij de televisie was weggegaan, in opdracht van Philips het scenario voor de propagandafilm Het magische venster. In zijn badplaatsflat met uitzicht op de Noordzee plaatst hij een videokopie in de recorder. Vastberaden voorspelt de commentaarstem dat de televisie zou gaan functioneren “opdat de mensen elkaar beter zullen zien en beter kunnen begrijpen”.

Als de film voorbij is, geeft hij toe die tekst destijds enigszins te hebben overdreven om de opdrachtgever te vleien. “Maar iets van dat gevoel bestond bij ons wel degelijk. De gedachte dat de mensen door de televisie meer zouden weten van elkaars leefwereld, en elkaar daardoor beter zouden begrijpen, was ons niet helemaal vreemd. De televisie zou de mensen dichter bij elkaar brengen en zou de mensheid ten goede komen.”

De Vilder legt de afstandsbediening weg en zucht: “Van dat onderlinge begrip is niets terechtgekomen, dat is een ontnuchterende conclusie die je moet trekken. Natuurlijk wordt er vandaag de dag nog heel veel goeds uitgezonden, je ziet soms de schitterendste dingen. Maar het is maar zó'n klein groepje dat naar zulke programma's kijkt. Daarom zeg ik: ik vind het heel leuk dat ik toen betrokken ben geweest bij de opbouw van de televisie. Maar ik vind het niet iets om trots op te zijn.”