Zou u van mij een versuikerd monster maken?; Brieven en gedichten ontdekt van E. du Perron aan zijn eerste grote liefde

Schrijver Eddy du Perron was nog maar net in Europa gearriveerd toen hij Clairette Edmée Amine Petrucci ontmoette. Hij werd meteen smoorverliefd op haar en schreef haar ruim 130 brieven, die eind vorig jaar door de dochter van Clairette werden teruggevonden. “Ik streel u de handen, eindigend met een ferme handdruk, want de kussen zijn niet meer naar uw smaak.”

Toen Eddy du Perron (1899-1940) op 28 augustus 1921 voor het eerst Europese bodem betrad, was hij een provinciale maar ambitieuze Indische jongen met enigszins overspannen verwachtingen van het Leven in Europa. Hij had zich diverse doelen gesteld: hij zou het èchte leven leren kennen, waarmee hij zijn ontluikend schrijverschap zou kunnen voeden, èn hij zou de ideale, gecultiveerde Europese vrouw vinden aan wier zijde hij tot grootse daden in staat zou zijn. In zijn voorstelling speelde het èchte leven zich af in Parijs, met name in het door zwervers en kunstenaars bevolkte Montmartre, dat hij uit de tamelijk gedateerde roman van Henri Murger, Scènes de la vie de Bohème (1845), had leren kennen. Eddy's ouders vestigden zich echter in de grauwe Brusselse wijk Ukkel en zijn literaire opvoeding werd vooralsnog toevertrouwd aan een deftige dame, Loulou Artôt-Van der Hecht, die hem trainde in zijn Franse dictie.

Op een soirée van het echtpaar Artôt maakte Eddy kennis met een mondain belezen meisje, dat een verpletterende indruk op hem maakte. Zij heette Clairette Edmée Amine Petrucci, was twee maanden ouder dan hij en de dochter van een kunsthistoricus en sinoloog die was overleden voordat hij een hem aangeboden leerstoel aan de Sorbonne kon bekleden. Clairette en haar moeder verbleven afwisselend in Brussel en hun villa te Quinto, in het glooiende landschap in de buurt van Florence. Clairette had tekenlessen gevolgd op de kunstacademie 'la Grande Chaumière' in Parijs, zij las moderne schrijvers als Jean Cocteau en Joris-Karl Huysmans en hield er een drukke sociale agenda op na, met lunches, soirées, diners, literaire bijeenkomsten en bezoek aan theater en museum. Drie dagen na hun kennismaking was Eddy al toegetreden tot de kring van reguliere bezoekers en aanbidders van de beeldschone Clairette.

Zijn bewondering en liefde voor Clairette alsook een schrijnend gevoel van eenzaamheid uitte Du Perron in gedichten die hij in december 1921 schreef, in Brussel, en vervolgens tijdens een verblijf als 'mannetje alleen' in Brugge. Uit Brugge stuurde hij op 3 januari 1922 zijn eerste brief, in het Frans. Het was een nog wat onbeholpen epistel vol fouten waarop zijn muze hem moet hebben gewezen, want in de volgende brief verontschuldigt hij zich ervoor.

In totaal heeft Du Perron circa 130 brieven, kaarten en kattebelletjes aan Clairette geschreven, waarin we niet alleen de progressie in zijn Frans kunnen volgen, maar ook de ontwikkeling van hun relatie nauwkeurig in het oog krijgen. De relatie tussen Eddy du Perron en Clairette Petrucci heeft de stof geleverd voor tientallen gedichten, enkele verhalen, de roman Een voorbereiding en twee hoofdstukken uit Het land van herkomst. Clairette was Du Perrons eerste 'grote liefde', maar het was een wanhopige liefde omdat zij onbeantwoord bleef. Weliswaar was Clairette van Eddy gecharmeerd en had hun vriendschap amoureuze aspecten, maar nooit zag zij genoeg in hem om hun relatie om te willen zetten in een werkelijke liefdesband. Ook andere aanbidders liet zij vergeefs naar haar hand dingen, totdat zij in december 1923 uiteindelijk bezweek voor de hardnekkige hofmakerij van de dertien jaar oudere Brusselse beeldhouwer Marcel Wolfers.

Onvindbaar

In 1977 verscheen bij uitgeverij G.A. van Oorschot het eerste deel van de Brieven van E. du Perron. De toenmalige redactie had de bejaarde mevrouw Wolfers-Petrucci in haar woonplaats Vieusart ten zuiden van Brussel opgezocht. J.H.W. Veenstra ondervroeg haar over haar relatie met E. du Perron en zij gaf grif toestemming om Du Perrons brieven uit haar bezit te publiceren. Er kwamen echter slechts vijf brieven boven water: twee gericht aan haar moeder en drie aan haar, geschreven nà haar huwelijk met Marcel Wolfers. De andere brieven bleven onvindbaar.

Na publicatie van mijn dissertatie, De Indische jaren van E. du Perron (1990) besloot ik om Du Perrons biografie te schrijven. Probleem was, dat de jaren twintig zoveel blinde vlekken vertoonden. Mevrouw Wolfers was inmiddels een stokoude dame die nog steeds het grote landhuis in Vieusart bewoonde. Na een afspraak met haar dochter bezocht ik haar samen met de Vlaamse Du Perron-kenner Manu van der Aa. Over Eddy herinnerde zij zich toen nog voornamelijk dat hij vaak verkouden was en dan haar zakdoeken moest lenen omdat hij de zijne had vergeten. Ik mocht op de zolder, het voormalige atelier van Marcel Wolfers, een aantal foto's reproduceren en we kregen de boekjes met opdrachten te zien die Du Perron aan Clairette had geschonken. De lawine van brieven die zij in 1922 en 1923 van hem had ontvangen bleef echter onvindbaar. In de zomer van 1994 overleed mevrouw Wolfers. Het huis werd leeggehaald, er werden kunstvoorwerpen geveild bij Christie's, maar de brieven kwamen niet tevoorschijn.

Aan het einde van vorig jaar nam ik opnieuw contact op met Clairette's dochter, die mij meteen vertelde dat zij op de bodem van een kist in een kelder van het huis 'des trésors' had gevonden. Ronald Spoor en ik werden, als redacteurs van het aanvullende deel X van de Brieven, uitgenodigd de schatten in Brussel te komen bekijken. Na de lunch kregen wij de ruim 130 brieven, waarvan vele nog in de oorspronkelijke enveloppe, in bruikleen mee, evenals een foto-album met diverse onbekende foto's van Du Perron in Quinto, plus de agenda's van Clairette uit de jaren twintig waarin zij nauwgezet haar afspraken bijhield. Tussen de brieven zaten zesentwintig gedichten van Du Perron, die met grotere of kleinere wijzigingen al in De behouden prullemand (Bzztôh 1981) zijn gepubliceerd.

De brieven en gedichten geven een goed beeld van Du Perrons ontluikend schrijverschap en zijn verwoede pogingen om Clairette's hart te winnen. Samen met de brieven aan zijn Zwitserse vriendin Julia Duboux (1924-1926) en aan zijn Engelse vriendin Eveline Blackett (1929-1930), die in 1994 respectievelijk 1991 boven water kwamen, documenteren zij de literaire en emotionele ontwikkeling van de Indische jongen die zich in 1921 zo onzeker maar vol energie in het Europese leven stortte.

Vunzige hotelkamer

Du Perrons eerste brieven aan Clairette, geschreven op een reis door België en Frankrijk, zijn een voortzetting van hun literaire discussies. Toch leidde deze gedachtenwisseling niet tot de door Eddy verlangde verinniging. Op 10 maart 1922 betrok hij een ietwat vunzige hotelkamer in Montmartre, het beloofde land van de bohémiens. Omstreeks deze tijd heeft hij Clairette in Parijs gesproken en haar zijn liefde bekend. Haar reactie was vriendelijk, moederlijk zelfs: ze vond hem erg aardig, maar hij was nog zo'n kleine jongen ('un gosse'). Hij moest haar beloven goed te blijven werken, niet te drinken en niet te spelen. Onder 'werken' werd de scheppende arbeid van het schrijven verstaan, want ander werk bestond er niet voor deze zoon van gefortuneerde ouders. Du Perron begon meteen een roman te schrijven; hij onthield zich van het kaartspel, maar als would-be bohémien kon hij natuurlijk geen geheelonthouder blijven. Bij de oude schilder Louis Cazottes dronk hij wijn, maar - schreef hij aan Clairette - hij was dan wel geen wijnkenner, toch kon hij wijn heel goed onderscheiden van violette inkt en de grote fles voor hem was genoeg om heel zijn roman mee te schrijven.

Het beeld dat hij geeft van de bohémiens in Montmartre is opvallend afstandelijk: hij vindt er 'buitengewoon smerige dingen' en de enige reden dat hij er verblijft, is om vrij te zijn en zich te ontworstelen aan zijn odium van 'garçon campagnard'. Hij raakt bevriend met de 24-jarige Schot Saul Jeffay die overdag schilder is en 's nachts zijn brood verdient als journalist van de Daily Mail. Pas bij een volgend verblijf in Montmartre zou Du Perron in contact komen met anderen die hij zijn vriendschap waardig keurde, zoals de erudiete literator Pascal Pia. Hij spoort Clairette aan om te werken aan haar schilderstalent, ook om de 'filosoof' in haar die overal problemen ziet te verstikken. Hij belijdt haar keer op keer zijn liefde, en merkt geschrokken op, dat zijn liefdesbetuigingen tot een cultus van haar worden. Hij vraagt haar kleintjes toestemming haar voorlopig niet meer te schrijven, want hij moest zich toch oefenen in vrij zijn? Een paar dagen later bezwijkt hij weer voor de aandrang van zijn onstuimig hart en de stroom brieven gaat onverminderd voort. Op 3 april houdt hij het al voor gezien in Montmartre. Hij voegt zich bij zijn ouders die op dat moment in Parijs verblijven, in een net hotel. Hij werkt er aan een roman die als werktitel 'Een studie in buitenkant' krijgt. De gedachte aan Clairette, die inmiddels voor enkele maanden naar Florence is vertrokken, geeft hem vleugels.

De beminnelijke Clairette nodigt hem uit naar Florence te komen. Zij brengen een week in elkaars gezelschap door. Clairette vindt hem een 'drôle de type', een karakterisering waar Eddy niet echt gelukkig mee is. Hij schrijft haar nochtans, hoezeer hij voelt dat hun vriendschap is gegroeid. In gedichten, waaraan de invloed van de Tachtigers niet vreemd is, geeft hij af en toe uiting aan zijn diepste en eerlijkste gevoel van hopeloosheid: 'En ik weet dat ik niet bij u hoor,/ - al zijt gij mènsch, al ben ik mensch, -/ en dat mijn liefde gaat te loor/ als iedre tè ver gaande wensch,/ dat ik u wellicht met het gedrens/ van mijne verzen stoor. // Mijn God, ik wéét dat ik niet bij u hoor!'

Bekladders

Du Perron tracht zijn minderwaardigheiscomplex, 'bijna zonder talent en zonder kans', te overwinnen door zich te harden: hij kiest opnieuw voor een verblijf in Montmartre, dat deze keer zes weken zal duren. Hij windt zich op over de door Clairette gewaardeerde modernistische dichters Cendrars en Cocteau, die onedele 'bekladders van papier' die platitudes opschrijven 'zonder rijm, zonder metrum (-) maar ook zonder ritme, zonder enige muziek'. Hij verzucht, dat hij misschien 'een armzalige versificateur' is, 'die te laat is geboren en te stompzinnig en obstinaat om de nieuwe beginselen te begrijpen.' Grote twijfel aan eigen kunnen en eigenwaarde bevangen hem; om ten minste op het terrein der liefde duidelijkheid te krijgen vraagt hij Clairette hem te schrijven, dat zij niet van hem houdt. Slechts één klein zinnetje onderaan een brief volstaat: 'Je ne vous aime pas.' Toevallig komt deze brief Clairette's moeder onder ogen, die eruit concludeert dat hij haar dochter een 'jawoord' wil ontfutselen. Clairette geeft geen gehoor aan zijn verzoek, zij bedient zich van zachtzinnige formules als 'Je vous aime beaucoup' en 'Je vous aime bien', maar nooit simpelweg 'Je vous aime' en evenmin de gevraagde ontkenning. Du Perron tracht haar te prikkelen met gevarieerde slotregels en toont zijn irritatie door een van zijn brieven als volgt te besluiten: 'Mijn gevoelens van respect voor mevrouw Petrucci en wat u betreft - ik zal me deze keer bedienen van de elastische en hypocriete uitdrukking je vous aime bien.'

In juni zoekt Du Perron zijn ontwijkende muze op in het buitenhuis te Quinto, waar hij haar ten huwelijk vraagt, zonder resultaat. Terug in Montmartre, legt hij haar uit dat hij haar als strijdkameraad naast zich wil hebben, niet alleen als vriendin, maar als 'beste vriend'. Zònder haar voelt hij zich mislukt en zit er niets anders op dan naar Indië terug te gaan. Maar in een volgende brief vraagt hij haar excuus voor de 'larmoyante, jengelende en vervelende toon' die hij haar sinds enige tijd als 'conversatie' heeft gepresenteerd. In juli en augustus is Clairette terug in Brussel, zodat ze elkaar weer geregeld kunnen zien. Jeffay komt over om Clairette's portret te schilderen, maar nu begint haar uitgebreide kennissenkring op Eddy's zenuwen te werken. Misschien dateert uit deze periode de anekdote die mevrouw Wolfers aan J.H.W. Veenstra heeft verteld: 'toen hij voor een van hun gezamenlijke uitstapjes met een vuil overhemd verscheen en zij hem zei dat ze zo niet met hem uitging, trok hij het hemd uit, verscheurde het en zei, nadat hij zijn colbertjas weer had aangedaan: 'Zo dan kan het nu wel'. Dit soort demonstratieve gebaren had hij wel meer; het waren bewuste provocaties tegen de in zijn ogen al te mondaine sfeer van Clairette's milieu.

Desalniettemin houdt hij haar in zijn brief van 1 september voor, dat als het slechts mooie kleren zijn die tussen hen in staan, hij dit obstakel zal wegnemen. Na de rol van Montmartrois is hij gereed zich in te leven in die van 'Amateur Gentleman'! Clairette's moeder en Eddy's ouders beginnen zich met de verhouding te bemoeien. De eerste blijft in hem de 'kleine jongen' zien; geprikkeld door dat beeld schrijft hij haar een brief waarin hij als ridder zonder vrees of blaam haar waarschuwt, dat hij zijn best zal doen haar dochter te veroveren. Aan Clairette zelf meldt hij, dat hij genoeg heeft van het 'cache-cache' en dat hij haar bemint met een 'duurzame, sterke, trouwe liefde'. Wat aan het plaatje van ideale man slechts ontbreekt is: mooie kleren, een mooie hoed, finesse en sociabiliteit; welnu, hij zal zijn best doen!

Collaboratrice

Enigszins in tegenspraak met zijn goede voornemens om zich om te toveren in een Prince Charming is zijn verzoek aan Clairette om hem materiaal te verschaffen voor zijn roman waarin hij haar mondaine milieu op de hak wil nemen. In zijn naïviteit ziet hij haar al als zijn 'collaboratrice'.

Na dit energieke nieuwe begin wordt de correspondentie met de wederom naar Quinto afgereisde Clairette ineens stroef. Het begint met de opmerking van Clairette dat het hoofd van het postkantoor te Florence zijn brieven openmaakt. Du Perron schrijft de man onmiddellijk een brief-op-poten waarin hij hem een lomperd en een vlegel noemt, maar Clairette reageert furieus op zijn eigenmachtige optreden. Eddy begrijpt niets van het verwijt. De brieven krijgen een geprikkelde toon; hij vindt dat zij zich gedraagt als een schooljuf. Later neemt hij dat terug: 'U hebt niets van een schooljuf, alleen jammer dat u zo weinig avonturierster bent.' Een lichtpuntje bij dit alles is Clairette's mededeling, dat zij Wolfers heeft afgewezen.

Eind oktober is Clairette terug in Brussel. Na enkele ontmoetingen bekent Du Perron, dat hij bij haar thuis niet zichzelf kan zijn; hij voelt zich als een Dr. Jekyll: 'Alleen hij werd een kwaadaardig monster, terwijl ik steeds meer onderworpen en braaf word onder uw blikken; Zou u van mij een versuikerd monster maken?' Vroeger twijfelde alleen Clairette, nu twijfelt hij ook. In december appelleert hij aan Clairette's kunstenaarsroeping: 'vertrouw op het talent en de goede smaak van mejuffrouw Clairette Petrucci, die een persoon is vol kunstgevoel en artistiek vermogen, als zij niet wordt geabsorbeerd door 1001 onbelangrijke personen (en dingen?) en als zij echt wilde werken!!' Hij spreekt haar moed in en oppert dat ze samen Proust zullen lezen, want volgens Edmond Jaloux is Proust 'de grote man van de eeuw'. Clairette's respons bevredigt hem echter niet, het is of ze iets achterhoudt. Eind december schrijft hij haar, dat hij zich voelt 'als een ter dood veroordeelde'. In een nieuwjaarsbrief bedankt Du Perron Clairette voor de invloed op zijn leven, in 1922. 'Ik streel u de handen, eindigend met een ferme handdruk, want de kussen zijn niet meer naar uw smaak.'

Het nieuwe jaar geeft evenwel nieuwe moed, die meteen de bodem wordt ingeslagen door Clairette's uitlating dat zij niet meer voor hem kan zijn dan een zuster. Het is gedaan met de liefdesdans. Op 1 februari verlooft Clairette zich met Paul Simon, de zoon van de schilder Louis Simon. De hem aangeboden rol van broer wijst Du Perron af: 'Stelt u zich voor: een echtgenoot als de grote pijler van uw geluk en ik als het muziekdoosje dat beurtelings bedroefde en blijde liedjes speelt.' Als Clairette in april haar verloving verbreekt en Du Perron schrijft, dat hij maar de gedroomde gentleman moet worden, reageert hij afhoudend: nee hoor, binnenkort heb ik mijn eigen woonruimte, de ongelikte beer zal zijn kooi hebben gevonden. In stekelige brieven tracht hij zichzelf te herwinnen. Hij heeft vuile nagels. Wil zij ze soms knippen? Anders zal hij zich gedwongen zien ze op te eten! Hij betreurt haar voorzichtige toon, waarschuwt haar tegen versnippering van haar persoon door teveel tijd te offeren aan haar kennissen. Hij noemt haar leven ronduit oppervlakkig, maar voorspelt dat ze er vroeg of laat tegen in opstand moet komen. In mei en juni zoekt hij haar nog op in Quinto, in september en oktober zien ze elkaar weer geregeld in Brussel, maar het wil niet meer, de betovering is gebroken: 'Het is alsof alle oprechte woorden tussen ons pompeus, retorisch, ridicuul zijn geworden.'

In oktober schrijft hij haar, dat hij een 'charmant, mondain' gesprek heeft gehad met zijn rivaal Wolfers, maar de man ligt hem niet. De voorspelling van Eddy's moeder komt uit: Wolfers is de man - de rustige, volwassen man - met wie Clairette in het huwelijk treedt, en wel op 4 december 1923. Er knapt iets in Du Perron en in een laatste brief, van 28 december, geeft hij lucht aan zijn frustratie: 'Ik verafschuw uw vrienden met al mijn kracht, op dit moment, en zonder ze te hebben gezien. Caligula heeft het verlangen geuit om het (ene) hoofd van iedereen af te slaan; ik ben niet zó woest, maar als uw vrienden één lichaam hadden, zou ik 'De Tuin der Folteringen' herlezen om er de meest afgrijselijke martelingen in te vinden om dat lichaam te doen bezwijken.' Aan het eind van de brief vraagt hij Clairette door haar stilte het teken te geven om haar alle komende dagen met rust te laten. Daarna zou hij haar nog één keer schrijven om haar te bedanken. Die brief, als hij al geschreven is, is niet teruggevonden. In Clairette's agenda van 1924 komt Du Perrons naam niet meer voor, behalve één keer, ruim een maand na de geboorte van haar eerste dochter.

De Du Perron-biografie van Kees Snoek verschijnt volgend jaar.