Wel gek, niet van de straat; Hoorspelen van toneelschrijver Arthur Adamov op cd gezet

Avant garde-toneelschrijver Arthur Adamov, zoon van een Armeense oliebaron, bekeerde zich in de jaren vijftig tot het communisme. “Adamov had een schrijver van het type Dostojevski kunnen zijn, maar hij dwong zichzelf tot vulgair-marxistische frasen.”

Arthur Adamov: Théâtre radiophonique et entretiens. (cassette met vijf cd's en twee boeken), Uitg. André Dimanche 1998, 490 FF.

Le professeur Taranne staat in deel 1 van Adamovs verzameld theaterwerk (niet meer in de handel)

Arthur Adamov: Je...Ils... , Uitg. Gallimard.

Arthur Adamov: L'homme et l'enfant, Uitg. Folio.

Wie Martin Esslins The theatre of the absurd inkijkt, de in 1961 verschenen bijbel van het toenmalige avantgarde-theater, ziet daarin tal van namen die inmiddels tot de klassieken van de toneelliteratuur behoren: Samuel Beckett, Eugène Ionesco, Jean Genet, Max Frisch, Harold Pinter. Er is echter ook een hoofdstuk gewijd aan Arthur Adamov (1908-1970). Wie dat was, weten vermoedelijk nog maar weinigen. Adamov wordt sinds jaren niet of nauwelijks meer gespeeld.

Zelf heb ik een zwak voor hem, sinds ik op de middelbare school in een bijrol heb meegerepeteerd aan Le Professeur Taranne, een nachtmerrie-achtig, kort stuk over een geleerde wiens verdiensten en identiteit door zijn omgeving worden miskend en ontkend totdat je als toeschouwer ook gaat twijfelen of Taranne is die hij zegt te zijn.

Vol verwachting nam ik later andere stukken van Adamov ter hand: het een nog vervelender dan het ander, net als ensceneringen van Adamovs werk. Omdat hij in Frankrijk gold als een communistische auteur en de Franse communistische partij in de jaren zeventig nog flinke invloed had op het Franse culturele leven, werd er in die tijd nog wel eens een poging gedaan. Maar in 1975 liep op het Festival van Avignon zo'n beetje alle publiek weg uit voorstellingen van Adamovs M. le modéré en Ping Pong. En met reden: wat een woordenkraam, even onbenullig als duister!

Maar nu is er opeens de publicatie van Arthur Adamov, théâtre radiophonique, drie cd's met hoorspelen waarvan de opnamen uit de jaren zestig bewaard zijn gebleven, en nog eens twee cd's met radio-interviews van de auteur. Het geheel begeleid door twee boekjes met de tekst van de vijf hoorspelen, die hij in totaal heeft geschreven.

Voorbij

Het is natuurlijk heel goed mogelijk dat die slechte toneelteksten van Adamov in de jaren zestig juist geweldige voorstellingen hebben opgeleverd - maar daar heb ik weinig aan want een enscenering is na het laatste doek onherroepelijk voorbij. Het aardige van op de band opgenomen hoorspelen is, dat je de illusie hebben kunt een theaterervaring uit de jaren zestig te herbeleven. Een tweede kans dus voor Adamov, maar beluistering laat gemengde gevoelens achter.

Finita la Commedia uit 1964 is een stomvervelend, kennelijk als politieke satire bedoeld stuk over acteurs en vervolgden tijdens de nazi-bezetting. Le temps vivant uit 1962 iets dergelijks, nu in de vorm van een merkwaardige mengeling van quasi-wetenschappelijk jargon over schizofrenie en verzet tegen de nazi's. En fiacre uit 1963 daarentegen is ronduit prachtig, en lijkt in zijn analytische gekte een beetje op Le Professeur Taranne. Het stuk behelst een politieverhoor van twee rijke zusters die in Parijs rond 1900 geen huis willen bewonen, maar zich dag en nacht in rijtuigjes laten rondrijden. Een derde zus hebben ze met fatale gevolgen uit het rijtuigje geduwd. Naarmate het hoorspel vordert, winnen de zonderlinge zusters aan overtuigingskracht, zodat je aan het eind niet meer weet hoe je het hebt.

Of de toneelschrijver Arthur Adamov nu terecht of ten onrechte is vergeten - interessant was hij zeker. Evenmin als Beckett en Ionesco, de twee andere, door de Franse cultuur geannexeerde grondleggers van het 'absurde theater' van de jaren vijftig en zestig, was hij Fransman van origine. Adamov werd in 1908 geboren in een puissant rijke, Armeense familie in Bakoe, die een belangrijk deel van de oliebronnen in de Kaspische Zee bezat. Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog vonden zijn ouders het beter om het gezinsleven tijdelijk naar Zwitserse hotels te verplaatsen - een bekende uitwijkplaats voor de upper class van het oude Russische rijk.

Deze geprolongeerde vakantie werd een permanente ballingschap, want in 1918 nationaliseerden de bolsjewieken de oliebronnen van de familie. Adamovs vader, een toegewijd roulette-speler, verhuisde met vrouw, kinderen en personeel naar Berlijn, waar de casino's naar zijn smaak meer mogelijkheden boden. Naarmate het familiekapitaal slonk, ging het eerst naar Mainz en in 1924 naar Parijs. Daar vergokte Adamov sr. in 1933 de laatste resten familiekapitaal, waarop hij zelfmoord pleegde.

Adamov is de auteur van twee autobiografische werken, waaruit we weinig bijzonderheden in de gebruikelijke zin des woords tegenkomen. Ze zijn echter onthullend voor de gemoedstoestand van de auteur. Je.. Ils.., Adamovs debuut als schrijver, verscheen in 1945. Het is een bezeten boek over theorie en praktijk van zijn masochistische voorkeur: 'Je laten vernederen door een vrouw die je veracht'. Hij geeft plastische beschrijvingen van bepaald pornografisch gehalte ten beste, afgewisseld met meer theoretische bespiegelingen. De vernedering betekent dat je de mannelijke waardigheid ontnomen wordt. En omdat hij zijn leven lang impotent was, was masochisme voor Adamov eigenlijk de enige manier om zijn mannelijkheid te bewijzen, schrijft hij. Je kunt namelijk niet afstand van iets doen, dat je niet gehad hebt.

Wereldfaam

Dat Adamov steeds druk bezig was met lijden, blijkt ook uit L'homme et l'enfant uit 1968. Het is een soort dagboek: de auteur, op het hoogtepunt van zijn roem, reist in de jaren vijftig en zestig in heel de wereld de premières van zijn stukken achterna. Maar de wereldfaam lijkt hem maar matig te bekoren. Veel minder in ieder geval dan de spelletjes van wederzijdse vernedering die hij speelt met zijn vriendin. In zijn lijden en gekte heeft Adamov veel weg van de toneelvernieuwer Antonin Artaud, met wie hij op foto's een opvallende gelijkenis vertoont. Hij heeft hem ook gekend: Adamov was een van de Franse intellectuelen die in 1947 actie voerden om Artaud uit het gekkenhuis in Rodez te halen en ervoor zorgden dat deze kunstenaar onder begeleiding in de buurt van Parijs kwam te wonen. Net als Artaud pleegde Adamov ook zelfmoord.

In L'homme et l'enfant staan flarden jeugdherinnering, steeds van getourmenteerde aard. Ik zou wel meer willen weten over het opgroeien van een jongen uit de hoge burgerij in Bakoe. Welke talen sprak Adamov bijvoorbeeld? Had hij zelf een verklaring voor zijn masochisme? Dezelfde auteur die in Je...Ils... zo openhartig schrijft over zijn masochisme, en zichzelf ook nadrukkelijk een exhibitionist noemt, gaat een rationeel-samenhangend verhaal over de wording van zijn persoon en schrijverschap zorgvuldig uit de weg.

In de radio-interviews, in 1964 gemaakt door toneelcriticus Georges Charbonnier, komt Adamov wederom met flarden verleden, die samen met wat hij in de loop der tijd heeft opgeschreven, toch een beeld van zijn jeugd geven. Dat op zijn vader in Bakoe door Armeense nationalisten een moordaanslag was gepleegd bijvoorbeeld. En hoe Arthur met zijn zusje in één bed sliep, en hoe ze elkaar dan, angstig, om de beurt 'goedenacht' wensten totdat ze erbij in slaap vielen. In het Berlijn van de jaren twintig had je hoeren die met een zweepje op straathoeken stonden. In 1941 zat Adamov bijna een jaar in een interneringskamp voor buitenlanders in Zuid-Frankrijk, waar hij Kurt Weill leerde kennen. Schuldgevoelens niet in het verzet te hebben gezeten.

De gesprekken gaan voornamelijk over theater. Adamov blijkt niet zo'n bewonderaar van Beckett en Ionesco met wie hij destijds in één adem werd genoemd - niet zo'n wonder want dit 'absurdistisch drietal' bestond vooral in de ogen van de kritiek en vormden nooit een vriendenclubje. Adamov verwijt Beckett en Ionesco dat ze het hun publiek te gemakkelijk maken: er is in hun stukken steeds één, dominerend scènebeeld dat de toeschouwer boven alles bijblijft. Adamov zelf wil theater maken als een vloeiende aaneenschakeling van beelden en scènes die meer recht doet aan de chaos van indrukken in het menselijk bestaan.

Niet een scènebeeld, maar de taal is daarbij zijn voornaamste middel. Adamov noemt als voorbeeld de achttiende-eeuwse toneelschrijver Marivaux, in wiens stukken bijna niets anders voorvalt dan spitse conversatie. Het gaat hem dus om de discours, de manier van spreken over dingen, maar gelukkig was dit pretentieuze begrip ten tijde van deze vraaggesprekken nog niet in zwang. Hoewel een vriend van Artaud, moet Adamov weinig hebben van het Living Theatre of anderen die met een beroep op Artaud 'totaaltheater' preken: 'circusacts met blote meisjes', noemt hij dat.

Temperament

Adamov spreekt zijn Frans deftig-geaffecteerd, met een moeilijk te definiëren buitenlands accent. Je hoort hoe zijn temperament moeite heeft met de gewichtige theater-theoretische vraagstukken, die de interviewer steeds maar aan de orde wil stellen. Adamov raaskalt dan maar wat, het gebrek aan consistentie in zijn beweringen verbergend achter tal van verwijzingen uit de wereldliteratuur: hij was misschien wel gek, maar bepaald niet van de straat.

Curieus worden de interviews als Adamov en zijn ondervrager te spreken komen over Brecht en het communisme, waarbij Adamov zich had aangesloten, zonder formeel partijlid te worden. In 1954 was Brechts Berliner Ensemble, het walhalla van communistisch-geëngageerd theater, voor het eerst op tournee geweest in Frankrijk, en dat had in de Franse theaterwereld grote indruk gemaakt. Adamov, zoon van een onteigende oliebaron uit het Russische rijk, gaf zich op als Frans Brechtiaan en werd door de Franse Communistische Partij met liefde onthaald - bijna alle boeken en tijdschriftartikelen die aan hem zijn gewijd, zijn publicaties van de PCF.

Op de cd's geeft Adamov de nodige communistische kreten af: dat politieke neutraliteit bij een schrijver een vorm van anticommunisme is, bijvoorbeeld. En dat hij het betreurt, pas zo laat in zijn leven het ideologisch licht te hebben gezien. Maar nadrukkelijk ondervraagd over de invloed van het communisme op zijn werk, of op het theater in het algemeen, komt hij niet ver. Dan geeft hij de merkwaardigste antwoorden: dat Brecht de nieuwe Shakespeare is bijvoorbeeld, omdat beide schrijvers de kracht van een grote ideologie achter zich voelden. Welke was dat dan bij Shakespeare, vraagt Charbonnier verwonderd. Adamov, paniekerig: alchimisme en de Engelse geschiedenis.

Toen ik dat hoorde, dacht ik: hier ligt de verklaring. Er is helemaal geen verband tussen de mentale thematiek van de schrijver Adamov en de politieke fraseologie waartoe hij zich in een groot deel van zijn werk bedient - die fatale combinatie die veel van zijn stukken zo stomvervelend en onspeelbaar maakt.

Waarom heeft Adamov dat dan toch gedaan? Behoefte aan maatschappelijke erkenning of ander opportunisme kan het bijna niet geweest zijn - weliswaar was hij in de jaren zestig en zeventig een verplicht nummer in het Maison de la culture van menige Franse communistische gemeente, maar dat kon hem evenmin schelen als een première in New York. Het enige dat ik kan verzinnen is dat Adamov zichzelf geweld heeft willen aandoen: hij die, getuige Je..Ils.., Le professeur Taranne of En fiacre een maniakale schrijver van het type Dostojevski had kunnen zijn, dwong zichzelf te grossieren in vulgair-marxistische frasen.

Adamov is daarmee een betrekkelijk zeldzaam geval op het gebied van communistisch schrijversengagement. Wanneer we even afzien van de surrealisten, is dit engagement immers vooral door middelmatige auteurs (Upton Sinclair, Henri Barbusse, Jef Last e.a.) aangegrepen om zichzelf een zekere publieke achting te verschaffen. Arthur Adamov is daarentegen een in potentie geniale auteur die zichzelf door communist te worden de das heeft willen omdoen. Hij is daarin geslaagd.

    • Raymond van den Boogaard