Wat flikt de schilder mij; Over kunst en blindheid

Een beetje kunstenaar gaat tegenwoordig op stap met blinden of herkent op zijn wastafel in tandenborstel en deodorant een stilleven. Zulke kunstenaars moeten naar Parijs, kijken naar een klein stilleven van Manet: “Ik heb daar bijna vier uur lang niet naar durven te kijken, met als gevolg dat ik het heel goed heb gezien.”

Onlangs meldde een klein krantenberichtje dat de Amsterdamse kunstenaar Mirjam de Zeeuw een werk aan het maken was samen met blinden. Zij deed dat in Vlaanderen en haar kunstwerk had de vorm van een wandeling. De televisie had al opnames gemaakt, die dan en dan, in dat en dat programma, zouden worden uitgezonden.

Die aankondiging riep onmiddellijk het beeld op van een ander kunstwerk dat ook samen met blinden was gemaakt, ook in Vlaanderen, in 1568: De parabel van de blinden van Pieter Breughel. Een schilderij van zes achter elkaar aan sjokkende blindemannen, die zich angstvallig vastklampen aan elkaars schouders en blindenstokken, in verwarring en ontzetting doordat de vooroplopende man zojuist in een vijver is gevallen. De tweede tuimelt al over hem heen en allemaal dreigen ze in de val te worden meegesleurd.

Het is een schilderij waarvan ik geen afbeelding kan zien zonder dat mijn hart een slag overslaat. Dat is mede te danken aan die ene briljante, ja ideale kritiek die ik ooit over het kunstwerk heb gelezen, een kritiek die zelf ook weer een kunstwerk was: de roman Der Blindensturz van de Duitse schrijver Gert Hofmann (door Theodor Duquesnoy in het Nederlands vertaald als De parabel van de blinden). Hofmann lijkt de roman te hebben geschreven met het schilderij als een beeldscherm voor zich op tafel, zo dicht zit hij het op de huid. Tegelijk laat hij zich net zo vrijelijk leiden door de mogelijkheden van de taal als Breughel door de mogelijkheden van de tempera waarmee hij schilderde. Het boek is als boek even goed als het schilderij goed is als schilderij.

Hofmann beschrijft, vanuit het perspectief van de blinden, in een consequente wij-vorm, de dag waarop zij geschilderd worden. Met als dramatisch hoogtepunt dat zij, terwijl de schilder achter het venster van zijn huis klaarstaat met zijn kwasten, moeten komen aanlopen tot bij de vijver en dan erin vallen. En dat meerdere malen.

'(De schilder) draagt ons via zijn goede vriend op - hij spreekt niet met onszelf - om de volgende keer, asjeblieft, niet zo vlug te vallen, maar onze val wat te rekken, omdat het hem niet mogelijk was ons bij zo'n snelheid op het doek vast te leggen.'

De blinden horen hoe de schilder de andere mensen die in zijn kamer zijn, tot stilte maant, 'omdat hij nu schildert en daarbij, zoals hij hun snel nog uitlegt, geheel moet ingaan op onze verschijning, die immers maar één ogenblik onze verschijning was, daarna waren wij alweer veranderd. (-) Om zich dan onmiddellijk tegen te spreken door toe te geven dat ons uiterlijk, dat gemakkelijk te schilderen was, eigenlijk overbodig was, omdat het de aandacht slechts afleidde van zijn onderwerp: de geestesgesteldheid van de wereld en van de mensen.'

Empathisch

Veelzeggende passages, want zo zit dat met de kunst: dat zij op de verschijningsvormen van de dingen 'geheel moet ingaan' om te kunnen toegeven dat ze 'eigenlijk overbodig' zijn. De diepte zit in de oppervlakte. Dat is ook de reden dat de schilder de blinden wel wil schilderen, maar niet wil spreken: het zou ten koste gaan van de scherpte en het raffinement die hij nodig heeft om de blindheid vast te leggen als geestesgesteldheid. Empathisch als hij is moet hij voor alles de sociaal werker in zichzelf de kop indrukken, want een kunstenaar die voor sociaal werker gaat spelen schiet hopeloos zijn doel voorbij.

Dat wist Breughel natuurlijk als de beste en dus maakte hij zijn aandacht voor de blinden ondergeschikt aan zijn aandacht voor zijn kunstwerk, dat ook na 430 jaar nog wonderlijk scherp en geraffineerd is. Zie bijvoorbeeld hoe hij de tweede blinde geschilderd heeft. Deze is nog niet gevallen zoals de eerste, maar kan, anders dan de anderen, ook niet meer aan de val ontkomen. Hij zweeft tussen wal en water en precies op dat verheven ogenblik doet hij het onmogelijke: hij kijkt. Hij is de enige van het stel die niet alleen het licht in zijn ogen mist maar ook de oogbollen zelf, en uitgerekend hij kijkt. Woedend kijkt hij naar de schilder en schreeuwt: 'Man, wat flik je me nou?'

De blik en noodkreet van de hologige zijn confronterend, want omdat ik sta op de plaats van de schilder, kijkt en schreeuwt de hologige ook naar mij. En tegelijk verleiden die indringende blik en noodkreet mij om, als stond ik op de plaats van de hologige, te kijken en te schreeuwen naar de schilder.

Wat flikt de schilder mij? Wat de schrijver? Wat doet de schrijver waardoor ik mij, zijn hele boek lang, nu eens deze en dan weer een andere blinde waan? Hoe krijgt hij het voor elkaar dat op het dramatische hoogtepunt ikzelf, meerdere malen en vol overgave, val voor de kunst?

Beladen met dit soort vragen en verlangend naar meer, zette ik precies op tijd de televisie aan. Mirjam de Zeeuw ontmoette juist haar blinden en even later wandelde zij met hen door Brugge. Een eigentijdse variant op De parabel, al begreep ik al snel dat er voor dit kunstwerk niet gevallen hoefde te worden.

Getoond werd hoe de door Brugge wandelende groep op bepaalde plaatsen stilhield om de blinden op de tast waarnemingen te laten doen. Daarvan deden zij dan mondeling verslag op de meegevoerde recorder. De kunstenaar zou al die opgenomen fragmenten op een cd samenbrengen, zo legde zij uit, 'zodat de mensen die wandeling kunnen nalopen met een hernieuwde ervaring van Brugge.'

De blinden van De Zeeuw waren opgroeiende kinderen, en zo te zien wel lieve kinderen ook. 'Hier is een voordeur, denk ik,' zeiden ze, en: 'ik loop langs het water' en: 'hier zijn rubber tegels om te weten wanneer we de straat over moeten'. Allemaal duidelijk, en verder? Even leek er iets te komen toen een van die blinde jongens zei: 'Dit zijn van die lampen, een soort ogen. Alleen als er iets passeert, dat ze dan licht geven, denk ik.' Daar hoorde ik wel iets poëtisch in. Maar het was wel kleine poëzie, want poëzie die vooral werkte omdat je wist van de jongen z'n handicap.

Maar een handicap alleen maakt nog geen kunst. Ook niet als het gaat om een handicap die de kunst, en zeker de beeldende, als geen andere op de zenuwen werkt.

IJdelheid

Wie kunst wil maken van blindheid moet, door op de verschijningsvormen van de blindheid geheel in te gaan, duidelijk maken dat de blindheid als blindheid eigenlijk overbodig is. Blindheid als blindheid is iets voor sociaal werkers, zij zal de kleine poëzie nooit ontstijgen. Kunstenaars moeten grote poëzie maken. Zij moeten ons de blindheid laten zien als geestesgesteldheid, dat wil zeggen, de blindheid waaraan wij zelf lijden: de schaamte, de ijdelheid en de argwaan waarmee wij onze ogen in onze zak houden om alleen licht te geven als er iets passeert.

Grote poëzie ontstaat alleen door talent, blind of niet blind. En talent is altijd even moeilijk te vinden als gemakkelijk te herkennen. Wie bijvoorbeeld het gedicht On his blindness leest, zal niet lang twijfelen. De blindheid wordt erin omschreven als 'een dichte lichte mist / die van de dingen een enkel ding maakt, / zonder vorm of kleur. Haast een idee.'

Dit is onmiddellijk kunst, niet omdat de auteur, Borges, niet meer kon zien toen hij het schreef, maar omdat hij nog steeds kon dichten. In één adem en met dezelfde woorden spreekt hij zowel van vernauwing, afname, het oplossen van de dingen, als van verruiming, toename, het transformeren van de dingen in een idee. Een eenvoudige omschrijving van de verschijningsvormen van de blindheid verandert die blindheid haast ongemerkt in een geestesgesteldheid.

'Anderen rest het universum; / mij de schemer, de gewoonte van het gedicht', zo eindigt On his blindness. Het is het lot van Borges dat hier wordt beschreven, maar ook dat van de kunstenaar in het algemeen. Terwijl anderen vrij door het heelal vliegen, is de kunstenaar veroordeeld tot afzondering in zijn binnenwereld - om daar kunst te maken.

Wij leven in een tijdperk waarin de afzondering als voorwaarde voor een goed kunstenaarschap definitief lijkt te hebben afgedaan. Afzondering is wereldvreemd, romantisch, passé. Een beetje kunstenaar heeft nu al zijn deuren wagenwijd open naar de wereld. Op de vraag wat kunst is kun je inmiddels alleen nog maar antwoorden met de regel van Lucebert: 'Het is alles in de wereld, het is alles.'

Dus is kunst bijvoorbeeld ook de compositie waarin je je tandenborstel en je deodorant bij elkaar zet op je wastafel. Dat vond in ieder geval Mirjam de Zeeuw op de televisie, in een verklaring bij haar blindenproject. Zij vertelde dat elke keer als de werkster was geweest en de tandenborstel en de deodorant waren verschoven, zij die weer terugzette zoals ze vond dat ze hoorden te staan. Op zo'n moment 'bouw je als het ware aan je eigen stilleven.' Zij vond het heel belangrijk dat 'dit soort kleine dingetjes' in de aandacht komen, en waarschijnlijk om haar kleine dingetjespoëzie alvast wat status te geven had zij er een wetenschappelijke term voor bedacht: 'onderhuidse interventies'. Het klonk als een prikje van de dokter waarvoor wij helemaal niet bang hoefden te zijn.

Maar ik verlang naar interventies om wel bang voor te zijn.

Asperge

Ik heb eens een heel klein, heel licht stilleventje van een asperge op een verder helemaal lege tafel gezien. Ik heb daar bijna vier uur lang niet naar durven te kijken, met als gevolg dat ik het heel goed heb gezien. Het was geschilderd door Manet en hing in het Musée d'Orsay in Parijs. Alle liefhebbers van kleine stilleventjes zouden dat grote kunstwerk van 10 bij 15 centimeter vandaag nog moeten gaan zien, al was het alleen maar omdat ze daarna dan alle tandenborstels en deodoranten ter wereld, alle wastafels en alle werksters zullen begrijpen. Dat is heel wat, zeker voor wie beseft dat je met alle tandenborstels, deodoranten, wastafels en werksters ter wereld nooit of te nimmer die asperge van Manet zult kunnen begrijpen.

Niet alleen Mirjam de Zeeuw moet naar Parijs gaan, maar ook al die andere hedendaagse kunstenaars die hun talent versnipperen en verstrooien doordat ze kunst zien in vrijwel alles. Alicia Framis, om iemand te noemen die optrad in hetzelfde televisieprogramma, is er ook zo een. Zij liet haar nieuwste project The dreamkeeper zien. Dit kunstwerk hield in dat de kunstenaar gedurende een paar weken de nacht doorbracht bij mensen die ze niet kende.

Op de vraag van de interviewer waar het haar om ging antwoordde Framis: 'Om de eenzaamheid van andere mensen te onderzoeken en met ze te delen.' Zij had niet duidelijker kunnen uitdrukken dat ook in haar binnenste de kunstenaar het had afgelegd tegen de sociaal werker. Het verschil met een echte sociaal werker was alleen dat de vrouw bij wie zij vervolgens aanbelde voor haar onderzoek, een allesbehalve eenzame indruk maakte. Alicia Framis koketteerde met de eenzaamheid van andere mensen, zoals zij ook koketteerde met haar eigen kwetsbaarheid. 'Ik stel me heel kwetsbaar op en dat is dan mijn enige bescherming,' verklaarde zij.

Misschien, zo denk ik weleens, hebben deze kunstenaars ooit, in een troebel moment, de beroemde, al te beroemde uitspraak van Lucebert dat alles van waarde weerloos is, in omgekeerde richting gelezen, en begrepen dat al het weerloze van waarde is.

Maar het weerloze moet waarde worden gegeven, dat, en niets anders, is de kunst. Het probleem van kunstenaars is meestal niet dat zij te weinig, maar dat zij te veel zien. Het kan zijn dat kunstenaars in onze tijd van visueel geweld daar extra onder te lijden hebben, maar de kwaal op zichzelf is van alle eeuwen. Emily Dickinson had zo'n ondraaglijke last van dat te veel zien, dat het haar dood had betekend, de dood van de dichter in haar, wanneer zij er niet een radicale remedie voor had gevonden: blindheid.

In 1862 schreef zij: 'Before I got my eye put out / I liked as well to see - / As other Creatures, that have eyes / And know no other way - // But were it told to me - Today - / That I might have the sky / For mine - I tell you that my Heart / would split (-)'

Ze stelt zich in het verdere gedicht voor hoe het zou zijn als ze niet alleen de lucht voor zichzelf mocht hebben maar ook de weiden, de bergen, de bossen, eindeloze sterren, de zon op z'n hoogste punt, etcetera, en dat allemaal met haar beperkte ogen: ze zou er dood bij neervallen. Dan maar 'just my soul / Upon the Window pane -/ Where other Creatures put their eyes'.

Verschrikkelijk afgezonderd was ze, Emily Dickinson, maar een meester van de blindheid als geestesgesteldheid.