'Voor de Serviërs zijn Albanezen nog niet gesneden tabak'

In de ijzig koude heuvels van Kosovo verzorgen de Albanezen bang hun wonden. De Servische politie is er heer en meester en is niet van plan te vertrekken.

DRENICA, 13 MAART. Vorst is de beste vredestichter op de Balkan. Een decimeter sneeuw en ijzel, een snijdende oostenwind, zeven graden onder nul in de nacht: dat verkoelt de gemoederen in Kosovo veel effectiever dan Westerse vredesmissies.

Nu de winter deze week onverwachts terugkeerde heeft het conflict in Kosovo zich voorlopig naar de binnenkamers teruggetrokken. Na anderhalve week van geweld bestoken de Albanezen van Kosovo en de Servische regering elkaar daar nu met persconferenties, communiqués en onoprechte uitnodigingen tot een dialoog.

In Drenica heerst de rust van het kerkhof. In deze glooiende heuvels ten westen van Kosovo's hoofdstad Priina doodden Servische politietroepen de afgelopen weken naar schatting tachtig Albanezen in een actie tegen het Bevrijdingsleger van Kosovo (UK). Woensdag groeven familieleden de ongeveer vijftig Albanese lichamen op die zonder veel ceremonieel ter aarde waren besteld om ze te herbegraven. Nu ligt het landschap bevroren in het felle winterlicht. Mensen, koeien en honden lijken van de aardbodem verdwenen.

Om de paar kilometer controleren Servische agenten met automatische geweren en scherfwerende vesten de passanten. Soms blijft het bij een vluchtige blik in de achterbak, soms wordt er stevig gefouilleerd, waarbij de loop van het geweer dreigend in de rug van de bezoeker prikt. Erg verontrust lijken de agenten op dit moment niet. “Twee weken geleden werden Serviërs hier uit bussen gesleurd en in elkaar geslagen door het Bevrijdingsleger van Kosovo. Een politieman was zijn leven hier niet zeker”, zegt een agent bij een wegversperring boven het plaatsje Glogevac. “En kijk nu eens, wat een rust.” Niet dat het openbaar vervoer ongehinderd doorgang vindt. Aan de overkant van de weg staan tien uitdrukkingloze Albanezen wijdbeens met hun handen tegen een bus. Een groepje agenten warmt zich aan een kampvuur. Naast de bunker van zandzakken die als slaapbarak dient, staat een nieuw toilet. De politie is van plan nog even in Drenica te blijven.

Het gebied ten westen van het dorp Lau, waar het mysterieuze Bevrijdingsleger van Kosovo naar verluidt tot voor kort de lakens uitdeelde, is nog niet door de Servische speciale politie uitgekamd. “De Servische regering kan uw veiligheid verder niet garanderen. Maar maakt u geen zorgen, de Albanezen staan jullie een kilometer verder op te wachten met een verklaring in het Engels”, sneert een Servische agent bij de laatste wegversperring voor Lau.

Albanezen treffen we pas een dorpje verder, in Rezala. Muhamet Zabelgoj en zijn achtergebleven familieleden - uitsluitend mannen - wachten op de Serviërs. “We zijn omsingeld en durven niet te vluchten”, zegt Muhamet in gebroken Duits. “Als de Serviërs zien dat we uit Rezala komen, is dat zoiets als een doodvonnis.” De heuvels zitten vol sluipschutters, zegt hij, elk moment kunnen ze zijn boerderij met mortieren bestoken. De Serviërs doden zelfs de koeien in de wei. Zo bont heeft Hitler het nooit gemaakt, meent Muhamet.

Bejaarden, vrouwen en kinderen uit de streek zijn naar het gehucht Tula vertrokken, ver van de asfaltweg verborgen in het stroomdal van het riviertje de Klina. Hier laten de Serviërs zich nog niet zien, zeggen de dorpelingen. Als eerste bezoekers in Tula zijn we het middelpunt van een kluwen van honderd Albanese dorpelingen. Kinderen lachen, oude vrouwtjes huilen, mannen zwijgen. In twee lokalen van de dorpsschool slapen op doorweekte matrassen zo'n zestig vrouwen, kinderen en bejaarden uit dorpen in de buurt. Op de kolenkachel pruttelt een pan soep. Tula is het beste dorp om je te verschuilen, legt iemand uit, omdat het dal nauw is en iedereen bij onraad snel de bossen in kan vluchten. Auto's heeft men gecamoufleerd met takkenbossen.

In de school lijkt een erepositie te zijn weggelegd voor de grijsaard Rizak Jusupi. Als hij het woord neemt, sist de rest elkaar stil. Jusupi is begin deze week in Donji ObiliEÉc door Servische agenten afgeranseld omdat hij niet kon en wilde vertellen waar zijn zoon was. Hij toont wonden in zijn voorhoofd, linkeroor en buik. Ze zijn bij gebrek aan verband afgedekt met ongewassen schapenwol. “We zijn bang”, zegt Jusupi. “De Serviërs snijden de tabak. En wij zijn tabak die nog niet gesneden is.”

Een woonhuis verder wacht een tweede gemolesteerde patriarch. Ons bezoek was een verrassing voor Tula, maar nu lijkt de organisatie toe te nemen. Toen deze oude man onlangs naar het naburige dorp Donji ObiliEÉc terugkeerde om zijn vee te voederen, zouden Servische agenten hem aan zijn voeten over een rotspaadje hebben gesleurd, wel honderd meter lang. Terwijl zijn zonen en neven dit vertellen, protesteert de oude man dat ze niet moeten overdrijven. Zijn huis is kort en klein geslagen, zijn vee wordt niet verzorgd, de waarheid is al erg genoeg.

Als we buitenkomen, wacht een jonge man in leren jas ons op. “Waarom hebben jullie hun papieren niet gecontroleerd?” verwijt hij zijn dorpsgenoten. “Je weet nooit wie je voor je hebt.” Als we naar tevredenheid zijn geïdentificeerd, gaan we naar een derde huis met vluchtelingen. In een schemerige kamer zitten veertig vrouwen en meisjes. Hier moeten ze 's nachts met z'n allen slapen, zegt de jongeman. In dit kleine hok. “Foto maken.” Twee wiegjes met slapende baby's zijn op de voorgrond geplaatst. De vrouwen kijken plechtig, als op een negentiende-eeuws staatsieportret.

Een middag Tula biedt weinig duidelijkheid. De Serviërs zijn voorlopig heer en meester in Drenica, de Albanezen zijn bang, dat is duidelijk. Maar “net zo erg als in Bosnië”, zoals onze metgezel Uksir het uitdrukt, is het nog lang niet. En niet iedere Albanees is de onwetende dorpeling die hij voorwendt te zijn. Dat Uksir, die zegt in het dorp te wonen, de rivieren de Drenica en de Klina niet van elkaar kan onderscheiden, is in dat opzicht bedenkelijk. De oorlog is nog niet losgebarsten in Kosovo, maar de waarheid lijkt al gesneuveld.