Verbeelding is gegiste herinnering; Gesprek met de Portugese schrijver António Lobo Antunes

De Portugese schrijver António Lobo Antunes laakt het gebrek aan sociale zekerheid, het slechte onderwijs, de cultuurpolitiek van zijn land. Dat heeft hem in Portugal niet geliefd gemaakt, hoewel hij er magistrale boeken over schrijft.

António Lobo Antunes: Het handboek van de inquisiteurs. Vert. Harrie Lemmens. Uitg. Ambo, 379 blz. Prijs ƒ 39,90.

António Lobo Antunes is skeptisch. Portugal, het land waar hij als schrijver van intussen twaalf romans even beroemd als berucht is, is op zijn hoogst nog maar half Europees, meent hij. Natuurlijk, er is veel veranderd sinds april 1974, toen het lagere kader in het leger de macht greep en een einde maakte aan vijftig jaar dictatuur. Maar de fundamentele waarden zijn volgens hem niet veranderd. De sociale structuur is nog altijd bijna feodaal, zoals die in Rusland ten tijde van Tolstoj. Portugal is het land met het hoogste percentage analfabetisme en kindersterfte in Europa. En een huwelijk tussen twee mensen uit verschillende sociale klassen is ook vandaag de dag nog heel moeilijk.

Ik had voor zijn sociale pessimisme gewaarschuwd kunnen zijn. Portugese vrienden spraken over zijn onwil de reële veranderingen in het land naar waarde te schatten. Dat was, zeiden zij, misschien wel een gevolg van zijn eigen sociale afkomst. Hij werd geboren in de hoogste lagen van de Lissabonse burgerij, zoon van een beroemde arts, in wiens voetsporen hij medicijnen studeerde en vervolgens psychiater werd. Tegen zijn traditionele milieu in koos hij tijdens de koloniale oorlog in Angola voor links. Geen communisme, maar eerder een onafhankelijk links anarchisme, waarvoor de kleine stapjes van het politiek geploeter altijd te minnetjes zijn.

Een soort politiek snobisme, noemden mijn vrienden het: gemakzuchtige kritiek van iemand die zich dat veroorloven kan. Hoe men het ook wendt of keert, de volstrekte uitersten van puissante rijkdom en straatarme behoeftigheid zijn er in Portugal niet meer. Maar Lobo Antunes noemt zijn land nog altijd het Brazilië van Europa. “Het volk is er nog even slecht aan toe als vroeger, misschien wel slechter. Als je ziek bent, is er geen enkele sociale zekerheid, geen ziekenfonds. Het onderwijs: niks. Cultuurpolitiek: ook niet. De misère blijft: de misère van mensen, van honden.”

Bestsellers

Die opinies hebben hem in eigen land niet geliefd gemaakt. In het buitenland wordt hij meer gewaardeerd dan in Portugal zelf, ondanks de literaire prijzen die hij er mocht ontvangen. Maar in Duitsland zijn zijn boeken ware bestsellers, en in Frankrijk is vrijwel heel zijn oeuvre vertaald. Al een paar jaar behoort hij tot de gedoodverfde kandidaten voor de Nobelprijs, samen met zijn eeuwige rivaal José Saramago. Maar ook het afgelopen jaar liep op het laatste moment een derde er mee heen.

Wat Lobo Antunes' visie op de sociale werkelijkheid van Portugal ook mag zijn, hij verbeeldt die op een magistrale wijze. Dat oordeel is op enige afstand misschien gemakkelijker te vellen dan in een altijd wat irritante nabijheid, wat zijn buitenlandse populariteit verklaart. In Nederland is hij tot nu toe maar mondjesmaat vertaald. Zeven jaar geleden verscheen hier het boek waarmee Lobo Antunes in 1979 furore maakte: De judaskus. Het kon Nederland niet beroeren.

Anders lijkt het te zullen gaan met Het handboek van de inquisiteurs, zijn voorlaatste boek, waarvan de vertaling een paar maanden geleden verschenen is. Een schitterend boek, vond iedereen die het gelezen had. In een brede polyfonie van stemmen ontrolt zich de geschiedenis van de patriarchale figuur die Lobo Antunes nog altijd als kenmerkend voor Portugal beschouwt: de feodale landheer die onder Salazars dictatuur minister wordt, een absoluut gezag uitoefent over zijn territorium, zijn ondergeschikten, zijn vrouwen en familie en in één moeite door over het hele land. Ook al eindigt het boek met de opstand tegen de tirannie, de vergiftigde verhoudingen en de morele bekrompenheid die onder de dictatuur iedereen tot medeplichtige maakte, veranderen er niet wezenlijk door.

Zo komen we te spreken over Portugals onwrikbare sociale verdeeldheid, die voor Lobo Antunes niet alleen van economische aard is. Ze spiegelt zich ook in de taal, en daarvan maakt hij als schrijver ten volle gebruik. “Er zijn,” zegt hij, “heel veel verschillende soorten Portugees. Dat zijn geen dialecten, want we hebben al achthonderd jaar dezelfde grenzen. Maar elke sociale laag spreekt een andere taal. Woorden die voorkomen in een bepaald argot zul je elders nooit horen.”

Op grond van die meerstemmigheid heeft hij zijn boek geconstrueerd, als een partituur waarin elk instrument zijn eigen kleur heeft en houdt. Lobo Antunes houdt van muzikale vergelijkingen. Het Handboek is geïnspireerd op Mahlers vijfde symfonie, waarmee het de vijf delen, elk met zijn eigen ritme, gemeen heeft. Flarden van zinnen keren als motieven terug, in steeds wisselende contexten.

Die vergelijking geeft ook de ontwikkeling in zijn schrijverschap goed weer. Mahlers brede polyfonie is eindeloos veel gecompliceerder dan het éénstemmige model dat hij nog in De judaskus gebruikte. Hij schreef dat boek als de monoloog van een uit de Angolese oorlog teruggekeerde soldaat, die een nacht lang zijn walging uitspreekt tegen de vrouw die hij in een café oppikt. “In vergelijking met mijn huidige boeken is De judaskus nog een soort kamermuziek,” zegt hij nu.

Anjerrevolutie

Toch bracht dat boek indertijd een schok teweeg in Portugal. Het was voor het eerst dat er openlijk gesproken werd over de verschrikkingen die in de Angolese oorlog hadden plaatsgevonden. Lobo Antunes doorbrak de stilte waarin Portugal zijn ongemakkelijke verleden verdrong. “Ik ben in april 1973 teruggekomen uit Angola; twee jaar eerder, in januari, was ik er naartoe gegaan,” zegt hij. “Maar toen we thuis kwamen, wilden we alleen maar vergeten. Het was net als na de Anjerrevolutie. De dag erna leek het wel alsof de concentratiekampen, de oorlog, de onderdrukking, nooit bestaan hadden. De oorlog was zoiets absurds. In mijn bataljon waren we met zeshonderd man. Honderdvijftig daarvan zijn omgekomen. Toen heb ik ook leren begrijpen dat normale mensen, die helemaal geen slecht karakter hebben, in staat zijn de meest verschrikkelijke dingen te doen. We hebben daar ongelooflijke dingen uitgehaald, en niemand spreekt erover.”

Dat hij het zelf tot literair thema maakte, was eigenlijk toeval. “Ik wilde in De judaskus eigenlijk helemaal niet over de oorlog praten. In de eerste versie ging het alleen over de verhouding tussen de man en de vrouw in het boek. Pas later kwam ik op het idee mijn Angolese ervaringen te gebruiken als contrapunt voor die relatie. Want wat er tussen mannen en vrouwen gebeurt, wanneer er geen liefde aan te pas komt, is ook een oorlog, bijna even bloedig. Zo heb ik van mijn eigen herinneringen geprofiteerd. Tenslotte is verbeelding, ook bij het schrijven, niets anders dan gegiste herinnering. Echt iets uitvinden doe je niet. Je gebruikt dingen die je hebt beleefd, gezien, gehoord. Je bent een dief. Je steelt hier en daar een beetje.”

Het zou niet bij dat ene boek over de oorlog blijven. In 1984 publiceerde hij de zeshonderd bladzijden dikke Fado Alexandrino, dat als zijn meesterwerk wordt beschouwd. Niet één, maar een handvol oud-soldaten spreekt daarin over hun Angolese herinneringen en de druk die dat op hun leven legt. Dat stelde, zegt Lobo Antunes, bijzondere problemen bij het schrijven, want die stemmen waren niet langer monologen, maar met elkaar in gesprek. En dialogen zijn nooit zijn sterkste punt geweest.

“In het Portugees is het heel moeilijk een dialoog op natuurlijke wijze weer te geven. Ik heb die moeilijkheid ontweken door flarden monologen te schrijven en die als het ware over elkaar heen te leggen. Dat is geen literaire vondst, maar een poging om een gebrek te maskeren. Het verbaast me altijd weer, hoe je in de kritiek geprezen kunt worden om kwaliteiten die in feite vermomde tekortkomingen zijn.”

Die techniek werkte hij in de daaropvolgende boeken steeds verder uit. Het handboek van de inquisiteurs dankt er voor een belangrijk deel zijn bijzondere charme aan. Een zekere gewenning vraagt het wel, maar na een tiental bladzijden klinken de stemmen in het boek als de natuurlijkste ter wereld. Zoals bij Hemingway, een auteur die Lobo Antunes graag als voorbeeld neemt. “Ik zei ooit tegen mijn Amerikaanse agent dat ik Hemingway zo bewonder om de perfecte manier waarop hij dialogen weet te schrijven. Precies zoals mensen praten. Toen pakte hij een van zijn romans uit de kast en begon die hardop voor te lezen. En wat bleek? In werkelijkheid praat niemand zo. Maar als je het stil leest, is het volmaakt. Daarin schuilt zijn kunst.”

Zelf wordt Lobo Antunes veel met Faulkner vergeleken. De manier waarop hij taalregisters mengt, gedachtenflarden laat opkomen en weer wegsterven, en alles opneemt in één donker panorama dat zich breed en onverzettelijk voortstuwt, doen onvermijdelijk aan zijn Amerikaanse voorbeeld denken. “Faulkner zet me aan het schrijven wanneer ik hem lees,” zegt hij. “Niet alle schrijvers doen dat, zelfs al zijn hun boeken volmaakt. Maar Faulkner is erg stimulerend. Misschien wel vooral door zijn zwakheden, want die had hij: het pompeuze bijvoorbeeld, die eindeloze ketens van adjectieven.”

Tolstoj is voor hem belangrijker geweest. “Dat was een openbaring. Niet eens zozeer zijn grote romans, maar vooral kortere werken, zoals De dood van Iwan Illitsj. Dat is volmaakt. De manier waarop dat geschreven is geeft je de indruk van vanzelfsprekendheid. Maar spontaan zijn kost een hoop inspanning. Als je Tolstojs huis bezoekt, zie je daar de veertien versies die hij geschreven heeft. Er is ontzettend hard op gewerkt, maar als lezer merk je die inspanning niet.”

Hetzelfde geldt voor Tsjechov. “Ik heb een enorme bewondering voor die toneelstukken waarin niets gebeurt, waarin mensen alleen volstrekt onnozele dingen zeggen: 'Het is mooi weer', 'Ik denk dat het gaat regenen'. Maar door de manier waarop hij die zinnen ordent brengt hij de hele vreugde en misère van de menselijke situatie tot uitdrukking. Met middelen die ogenschijnlijk van extreme eenvoud zijn. Maar wat heeft hij niet gewerkt op zijn verhalen, zijn novellen, zijn toneelstukken! Dat noopt me tot een geweldige nederigheid. Ik ben tenslotte maar een gewone dokter, meer niet.”

Misschien, bekent hij, leest hij daarom ook slechte romans. Omdat je er zoveel van leert. Een goed boek is als een ei: volmaakt, maar volkomen in zichzelf gesloten. Terwijl je bij een slechte roman de losse draadjes en kromme spijkers nog ziet zitten. Je ziet hoe de schijver geaarzeld heeft en technische problemen heeft trachten op te lossen. Daar leer je veel van. Bij een goede roman moet je er eerst twee, drie keer doorheen voordat je dat ziet.

Zelf herleest hij zijn eigen romans nooit. Met enige huiver denkt hij aan de talloze fouten die hij in De judaskus begaan heeft. In een nieuwe roman probeer je altijd de fouten van de voorgaande te corrigeren, zegt hij. Je wilt vooruit, je wilt de romankunst verder brengen: daar is het een schrijver uiteindelijk toch om te doen. “Ieder mens is de eerste mens. Als je oprecht wilt zijn tegenover jezelf, zul je een eigen taal moeten zien te vinden, en wegwerpen wat je vreemd is. Naarmate je daar verder in komt, merk je dat de weg die je nog te gaan hebt steeds langer wordt. Daartoe moet je je helemaal uitkleden, je ontdoen van de neiging die je altijd hebt om hoogstandjes te laten zien. De Japanse schilder Hokusai zei vlak voor zijn dood, toen hij al tachtig was: 'Als God me nog vijf jaar gegeven had, was ik een echte schilder geworden'. Dat is wat ik bedoel.”