Van Rjoerik tot ridder Ronald

Vasili Aksjonov: Generaties van de winter. Uit het Russisch vertaald door Jan Paul Hinrichs. Ambo, 1082 blz. ƒ 99,-

'Einde van de trilogie' staat er op bladzijde 1070 van Generaties van de winter. Met de dood van Boris III Gradov, in de epiloog, eindigt een heel bijzondere streekroman. Eén die tegelijk ideeënroman is.

Bijna drie jaar na de Amerikaanse vertaling van de eerste twee delen van Aksjonovs trilogie (waarover Laura Starink op 10 maart 1995 in deze krant schreef) is er nu de Nederlandse vertaling van de complete trilogie. Om commerciële redenen heeft deze in het Nederlands de titel van de Amerikaanse voorganger meegekregen. Eigenlijk heet het boek Een Moskouse sage, en god mag weten waarom het indertijd niet meteen in drie Amerikaanse delen is verschenen. Blijkens Aksjonovs datering van het laatste deel (19 april 1992) had dat makkelijk gekund.

De oorspronkelijke titel is veel helderder dan de nu gebruikte. In Generaties van de winter wordt een filosofisch getinte balans opgemaakt: van achtentwintig jaar misdadigersbewind, zeventig jaar communisme, honderdvijftig jaar Russische literatuur, duizenden jaren wrijving tussen noordelijke en zuidelijke cultuur. Het drieluik is een familiegeschiedenis, uitgezet met de mijlpalen van de sovjetgeschiedenis: van Stalins greep naar de macht, via collectivisatie, zuiveringen, oorlog en doktersproces naar Stalins dood. Het roept reminiscenties op aan Oorlog en vrede, De gebroeders Karamazov en Dokter Zjivago. Het verhaal volgt de geschiedenis op de voet. Er is echter een vormtechnische verrijking: op gezette tijden worden er tussen de bedrijven door zogenaamde entr'actes opgevoerd, eentje met krantencitaten die het verhaal 'bewijzen', en eentje met een fabel die het verhaal 'verdicht' (met bijvoorbeeld Stalin als kever). Er treedt ook een fremdkörperig personage op: de no-nonsense journalist Townsend Reston (een anagram van de middeleeuwse Russische kroniekschrijver Nestor?) die gewoon opschrijft wat hij ziet en dat doorseint aan zijn krant.

Even onverbloemd schrijft Aksjonov de twintigste-eeuwse geschiedenis van Moskou. Hij beschouwt haar als een anomalie. Op microniveau uit zich dit in een onderbroken familietraditie: de Gradovs waren arts van vader op zoon. Maar de kinderen van Boris III en zijn Georgische vrouw Mary gaan een andere weg. Nikita zit in het leger, Kirill in de partij en Nina in de literatuur. Terwijl Boris III zelfs tegen de verdrukking in triomfen viert, krijgen zijn kinderen de volle historische laag: dood (Nikita), gevangenschap (Kirill) en frustratie (Nina). Boris IV, de zoon van Nikita, pikt de medische draad weer op.

De Russische revolutie is volgens Aksjonov één grote zinsbegoocheling geweest. De pater familias, dokter Boris III Gradov, ziet op het eind in dat hij levenslang in de waan van het positivisme heeft verkeerd en de tekenen des tijds heeft genegeerd. Lezing van de Openbaring van Johannes leert hem uiteindelijk dat de kever Stalin het beest is dat macht werd gegeven om te heersen 'over alle volken, talen en natiën.' In gepeins verzonken bedenkt hij: 'Die hele vervanging van de christelijke waarden door nieuwe waarden is niets anders dan een valse profetie en duivelse ironie. Want zelfs het kruis, het symbool van het christelijke geloof, is vervangen voor verdraaide, verwrongen, valse karikaturen, de swastika van de nazi's en onze kever, de hamer en de sikkel. Alles wordt omgewisseld: de staat, de politiek, de economie, de kunst, de wetenschap, en zelfs de meest menselijke wetenschap is binnenstebuiten gekeerd, en de zin van deze verwisseling zit alleen in de verwisseling zelf, is een spottend lachje dat een levenloos universum in onze richting zendt.' In zijn beroep was dokter Gradov de pionier van de plaatselijke verdoving. Aan het eind van zijn leven symboliseert hij de Stalin-tijd in termen van pijn en verdoving, van de uitschakeling van verstand en geweten.

Als een schrijver één familie een hele nationale geschiedenis wil laten meemaken is hij sterk van het toeval afhankelijk. Iedereen komt elkaar dan ook overal tegen: in Moskou of Magadan, in Warschau of Tbilisi. Ontroerend genoeg laat Aksjonov zichzelf als een soort Hitchcock in zijn eigen roman optreden. 'Mag ik je iets in je oor vragen, Vasja? Is jouw moeder een volksvijand?' lezen we op pagina 924. De jonge jongen uit Kazan moet de vraag van het mooie Moskouse meisje Jolka, bastaard-dochter van de Nikita Gradov, bevestigend beantwoorden. Na hun toevallige ontmoeting raken de twee aan de praat en maken meteen een afspraakje voor die avond. Net voor Vasja haar oppikt op het Majakovski-plein stopt er een limousine en is Lavrenti Beria hem voor. De fictieve Gradovs zijn de symbolische schakel tussen de maar al te reële Beria en Aksjonov. In het verhaal ziet hij Jolka niet meer terug, de lezer hem niet.

Deze Moskouse sage behandelt de zwartste periode in de geschiedenis van een familie, een stad en een land. Met de dood van Stalin is het ergste voorbij, maar het kan beter, en het wordt ook beter. Het valt ver buiten het bestek van zijn boek, maar Aksjonov licht een tipje van de sluier op. Eind jaren dertig, op de rede van Vladvostok, krijgt Nikita's vrouw Veronika een visioen waarin ze 'het eskader van de overwinnaars' ziet komen. eerst denkt ze dat het Japanners zijn. Maar: 'Nee, nee, het worden Amerikanen, die cowboys met witte tanden, die gaan het worden, en onder hen een of andere Ronald, een ridderlijk gestemde Californiër.' Het is een verre echo van het begin van de Russische geschiedenis, toen het de Scandinavische Varjagen waren die het Kiëvse rijk stichtten. Hiermee geeft Aksjonov de breedste afbakening van zijn Russische geschiedenis: van Rjoerik tot Reagan, duizend jaar knechting en knevelarij. Eindelijk ligt de toekomst open.