Twee ministers is één te veel

Op papier is de herijking van het buitenlands beleid geslaagd, maar de praktijk blijft chaotisch. J.M. Bik vindt twee ministers onder één dak te veel van het goede.

Het resultaat van de tweeëneenhalf jaar geleden onder paars begonnen herijking van het buitenlandse beleid lijkt tot nu toe omgekeerd evenredig aan de hoge verwachtingen. Volgens de eraan gewijde drukwerken is die operatie geslaagd. Maar op ambtelijk niveau, bij de mensen, gaat het met de geplande departementale beleidsintegratie onder leiding van Buitenlandse Zaken zacht gezegd nog niet best.

Dat het adviesbureau KPMG in een deze week (alsnog) gepubliceerd onderzoeksrapport tot zulke negatieve conclusies kwam, was voor iedereen die wel eens langsloopt bij Buitenlandse Zaken geen verrassing. Verrassend was het eerder dat de secretaris-generaal van het ministerie die negatieve conclusies volledig deelt en dat in een strenge brief aan de medewerkers ook liet merken. Leidend motto van zijn brief: Buitenlandse Zaken moet zich niet beroepen op formele competenties als coördinerend ministerie, het dient zich daarin geloofwaardig te maken door “meerwaarde te bieden”. Wees slim, wees snel, neem initiatief, geef leiding, denk meer aan de buitenwereld, wacht niet af in uw eigen hoekje tot de herijkingsstorm is overgedreven, maar doe mee, zo luidden de instructies van zijn management letter.

Een tegenwerping zou kunnen zijn dat een in honderden jaren ontwikkeld esprit de corps van een zich exclusief voelend ministerie niet zo snel kan veranderen als ongeduldige politici en organisatiedeskundigen wensen. Anders gezegd: op Buitenlandse Zaken zullen maar weinig ambtenaren ontkennen dat hun departement zich dient aan te passen aan de veranderde omstandigheden. Maar of emoties en gedrag gelijke tred houden met zo'n rationele erkenning is een tweede. De conclusie op dit stuk zou dan ook kunnen zijn: er is veel meer tijd nodig om de herijking wortel te laten schieten bij de herijkten. De operatie is meer geduld waard.

Niet praten over formele competentie maar liever investeren in meerwaarde, zei de secretaris-generaal. Maar tegen wie? Tegen minister Van Mierlo, die al weken in het openbaar zijn competentiegeschillen met collega Pronk van Ontwikkelingssamenwerking bespreekt en roept dat daarover in de komende kabinetsformatie nadere afspraken moeten worden gemaakt? Die ruim twee weken geleden in een heel eigensoortig dubbelinterview met Pronk in het blad Internationale Samenwerking dergelijke competentiegeschillen bijna puntsgewijs besprak en daarmee en passant weergaf dat de herijking op ministerieel niveau ook nog niet alles is. Wat dachten de per herijking geïntegreerde en 'ontschotte' medewerkers van Van Mierlo en Pronk toen ze dat lazen? En wat dachten ze toen ze even later die strenge brief van hun secretaris-generaal kregen?

Eigenlijk bevestigde Van Mierlo in dat dubbelinterview met terugwerkende kracht wat velen allang dachten. Namelijk dat Buitenlandse Zaken zich onder zijn leiding in de voorbereiding op de herijking door Pronk behoorlijk de kaas van het brood had laten eten. Dat mocht nooit zo gezegd worden. Nu zei Van Mierlo het in feite zelf.

Premier Kok kwam ertussen, desgevraagd. De baas op Buitenlandse Zaken, coördinator van het buitenlands beleid, is Van Mierlo en niemand anders, sprak hij. Van Mierlo is de kapitein, Pronk de loods, zei hij ook. Daarna beleefde de ministeriële veaudeville aangaande de competentieverdeling voor het buitenlands beleid een volgende akte. Pronk, nooit te beroerd om de linkervleugel van zijn PvdA te plezieren, zeker niet als verkiezingen dichtbij zijn, bezocht een partijbijeenkomst. Hij had het over de 'Soeharto-kliek' in Indonesië en stelde dat dat land alleen IMF-hulp mag krijgen als het aan alle gestelde IMF-voorwaarden voldoet en dat hij Soeharto cum suis op dat punt “voor geen cent” vertrouwt. Nu wist Pronk dat in het kabinet niemand tot de fanclub van Soeharto behoort en hij wist ook dat alle collega's vinden dat Indonesië aan de IMF-voorwaarden moet voldoen voor er van verdere hulpacties sprake kan zijn. Ook wist hij uit Van Mierlo's verslag in de ministerraad van een recente reis naar Indonesië dat deze in een gesprek met Soeharto met zoveel woorden van deze opvatting blijk had gegeven. Dat was dus geen aardige streek van Pronk die, tegen de prijs van applaus bij de partijvrienden, Van Mierlo in de positie bracht dat hij het onbeminde maar officieel bevriende staatshoofd openlijk in bescherming moest nemen. “Het gaat tussen Pronk en mij veel beter dan vroeger”, zei Van Mierlo vorige maand ongevraagd, op reis in Afrika. Wat de vraag opriep hoe het dan vroeger ging.

Vorige week verzorgde minister Voorhoeve (Defensie) de volgende akte. In een artikel in deze krant bepleitte hij versterking van de positie van de minister-president in de sector buitenlands beleid door de 'vijfhoek' van de meestbetrokken ministers wekelijks onder diens leiding bijeen te laten komen voor het trekken van hoofdlijnen. Dit mede ter verbetering van de 'slagkracht' van het beleid, als oplossing van de problemen tussen Pronk en Van Mierlo en voorts 'als aanvulling' op de coördinerende bevoegdheden van Buitenlandse Zaken.

Wat zei Van Mierlo, dit keer op bezoek in Brazilië? “De bevoegdheden van de minister van Buitenlandse Zaken liggen vast in de constitutie.” Dat klonk manhaftig, maar het riep de vraag op waarom de man dan zo klaagt over zijn competentiegeschillen met Pronk en daarover zelfs nadere formatie-afspraken eist. De minister zei ook, dat hij Voorhoeves stuk nog eens goed wil lezen en overdenken. Hij zal toch niet hebben vergeten dat Voorhoeve zijn artikel voor plaatsing aan de collega's Kok en Van Mierlo had gestuurd?

Hoeveel energie er ook in de herijking van het buitenlands beleid gestoken wordt en hoe weerbarstig die operatie ook mag zijn, zeker is dat haar logica en doelstellingen beter gediend zijn met één minister op Buitenlandse Zaken. Twee ministers onder één dak, van wie de één (Pronk) een bereisde en ervaren dossiervreter met een groot budget en dito geldingsdrang is en de ander een intuïtieve en intellectuele liefhebber van thinking by speech, lijkt uit herijkingsoogpunt te veel van het goede.

Bovendien: net als op ambtelijk niveau doen de personen er op ministerieel niveau iets toe. Sinds Nederland in 1965 (kabinet-Cals) voor het eerst voor de hulp aan ontwikkelingslanden een aparte minister 'zonder portefeuille' kreeg, is er een lange rij van zulke ministers langsgekomen zonder dat van grote competentieproblemen op Buitenlandse Zaken sprake was. Een paar keer was het anders. Bijvoorbeeld van 1973 tot 1977 tussen de PvdA-ministers Van der Stoel en Pronk. En vervolgens in de vroege jaren negentig tussen Pronk en Van den Broek en Kooijmans (die hun tanden lieten zien). Vervolgens, nu, tussen Pronk en Van Mierlo. Driemaal Pronk, driemaal competentietwisten, zou dat toeval zijn? Dat is straks een vraag voor de kabinetsformateur. Een interessante vraag, maar geen moeilijke.

    • J.M. Bik