Stedenstrijd

Er was jaren over gesoebat, er woedde zelfs een stedenstrijd, men had er niet meer dan een 'survival'-budget voor over, maar in 1994 kon dan eindelijk, in Rotterdam, het Nederlands Foto Instituut (NFI) worden geopend. Veel te laat en veel te schamel. Van verzamelen was geen sprake, het instituut mocht alleen tentoonstellen.

Het Nederlands Fotoarchief, dat er los van stond, zou collecties verwerven, beheren en conserveren. En NFI-directeur Adriaan Monshouwer, eerder de baas van het Canon Image Center in Amsterdam, wilde enthousiast alle typen fotografie gaan etaleren.

Het was snel bekeken. Ruim twee jaar later stapte Monshouwer op. De tentoonstellingen waren niet beeldende kunstachtig genoeg, werd hem verweten, en hij zou te weinig visie hebben. Gezien de bescheiden bijdrage van de overheden moest trouwens de bank bijspringen om de deur van het instituut open te kunnen houden.

Bijna een jaar heeft Loek van der Molen nu de leiding. En het moet gezegd: de foto- èn videoliefhebber, maar toch vooral de eerste categorie komt aan zijn trekken. De huidige tentoonstelling Airport (tot 15/3) weerspiegelt de veelzijdigheid. Van Winogrand tot Grimonprez, van nostalgische opnamen uit de jaren vijftig, toen een luchthaven nog een buurthuis was, tot een griezelige, actuele video van rampenscenario's vol falende techniek en geschifte terroristen.

Langzaam maar zeker heeft het NFI, genesteld in het Rotterdamse museumkwartier, zijn bestaan gerechtvaardigd. Het ligt voor de hand zo'n instituut verder uit te bouwen en een 'survival'-budget te vervangen door een 'development'-budget, om het eens in vlotte zakentaal te zeggen. Net zo vanzelfsprekend lijkt het om datzelfde NFI het vruchtgebruik te geven van de 22 miljoen gulden, die de oud-hoogleraar en amateurfotograaf H.W. Wertheimer eind vorig jaar heeft nagelaten aan de Nederlandse fotografiewereld. Wertheimer zelf zag het geld graag naar een fotomuseum gaan.

Terwijl een commissie van deskundigen zich nog buigt over de bestemming van dat legaat, loopt zich intussen in Amsterdam een club warm die snakt naar dat vermogen. Het bestaan van een NFI in een andere stad lijkt nog steeds moelijk te verkroppen, al zegt die club dat natuurlijk niet ronduit. Die wil een hoofdstedelijk platform voor de fotografie bieden, aldus een verklaring vorige week. Maar stiekem wordt er wel een brief naar de Wertheimer-commissie gestuurd, met het verzoek om met dat geld toch vooral in Amsterdam een fotografiemuseum op te richten. Er gebeurt daar al zoveel op dat gebied, vinden de clubleden, dat zo'n museum er van nature thuishoort.

Het is te hopen dat er niet weer jarenlang gesoebat wordt en dat de twee, elkaar zo nabijgelegen, steden elkaar niet weer gaan dwarszitten. Want het kleine, museaal overbevolkte Nederland is gebaat bij één enkel, in alle opzichten volwaardig NFI, dat met iets meer financiële armslag als een écht Nationaal Wertheimer-Fotomuseum kan functioneren. Die reis van Amsterdam naar Rotterdam moet men er maar voor over hebben.