Schimmen uit het rijk der geesten; Kiekjes met 'iets' erop

In het Oostenrijkse Krems is een overzicht te zien van 130 jaar 'spookfotografie'. Dansende tafels, zwevende meisjes en veel doorzichtige grootouders werden vastgelegd, met zenuwachtige nabestaanden op de voorgrond. “Een beetje victoriaans plutocraat stond in geregeld spiritistisch contact met zijn bankier en enkele voorouders.”

Im Reich der Phantome - Fotografie des Unsichtbaren. Kunsthalle Krems Steiner Landstrasse 8, Krems-Stein. Di t/m zo 10-18u. Inl.00 43-27328266922. T/m 31 mei.

De provinciestad Krems, een uur stroomopwaarts van Wenen, was in slaap gevallen bij het gekabbel van de Donau, tegen sterke heuvels waaruit de herfst een voortreffelijke landwijn perst. Zo Oostenrijks als een wals, een Mozartkugel, Sissi. Vijf eeuwen van onwerkelijke architectuur, gevels, stegen, pleintjes, kerken, binnenplaatsen, waar een Gargantua zijn tanden in zou willen zetten, zo eetbaar oogt al dat mokka en vanille... In een klein park een kiosk uit 1898, met acht elegante zuilen, waar onder de daklijst het gietijzer in acht monogrammen van Frans-Jozef openbloeit - op zomeravonden meent een oudroze-geglazuurde douairière in het zwatelen van de kastanjebomen soms nog een wegstervende Radetzkymars te horen, misschien... Niet ver van het park een middeleeuwse stadspoort, versierd met de welbekende tweekoppige adelaar: op 6 augustus 1914 marcheerde het 84ste regiment van de Kakaanse infanterie onder het toeziend oog van dat schizofrene pluimvee 'für Heimat und Vaterland' naar de hel.

Ach, felix Austria!

Door dit Krems, dus, kuierde ik in een premature lentezon naar de Kunsthalle, die gehuisvest bleek in een neoclassicistisch bouwwerk met één verdieping, dertig ramen breed en geschilderd in dat weemoedig stemmende geel van het oude Habsburgse rijk. Hier werd een tentoonstelling van 'occulte' fotografie geopend (onder de titel Im Reich der Phantome - Fotografie des Unsichtbaren) en het wemelde van de spijkerbroeken, brillen, camera's, Geheimratsecken en potloden, die per bus vanuit de hoofdstad waren aangevoerd en zich nu van zaal naar zaal haastten - de bloem van de Duitstalige kunstjournalistiek, zo verzekerde een glimmende conservatrice mij.

Er hangen ongeveer driehonderdvijftig foto's in het museum, dat van buiten okergeel is, maar van binnen zo wit als een laken. Ze zijn afkomstig uit privécollecties, musea en een universitaire instelling in Freiburg met de fantastische naam Institut für Grenzgebiete der Psychologie und Psychohygiene e.V. Allemaal smaakvol geëxposeerd. Allemaal toegelicht in zacht kuchend professoraal proza. De catalogus, bevattende honderden reproducties, is een schoolvoorbeeld van Midden-Europese ernst, opgeluisterd met citaten van Roland Barthes, Jacques Derrida...

Occulte fotografie?!?

De oudste foto in het genre dateert van 1861. Laat ik hier onmiddellijk bij aantekenen dat de spokenfotografie uit vele subgenres bestaat. Wat is een spook? Een autonoom stuk wasgoed... maar het geestenrijk openbaart zich niet alleen in zijn populairste vorm aan ons, het manifesteert zich ook als gekke lichtvlek, of brandend fluïdum, of dansende tafel. Bovendien hebben allerlei rare vogels de voorbije honderddertig jaar 'verschijnselen' gefotografeerd, spiritisten natuurlijk, volgelingen van Madame Blavatsky, parapsychologen, malle professoren, oplichters, artiesten - de twee laatste categorieën vallen niet altijd even goed van elkaar te onderscheiden, helaas... (maar over mijn genuanceerde afkeer van de kunstfotografie weid ik straks nog wel uit).

Glasplaten

Dat oerkiekje met 'iets' erop, nu, werd gemaakt door een zekere William H. Mumler. Per ongeluk, want deze graveur uit Boston probeerde in het atelier van een bevriende beroepsfotograaf een zelfportret te vervaardigen, maar trof op de glasplaat behalve zijn eigen ontwikkelde gelaatstrekken ook een doorzichtige meisjesfiguur aan, die op zijn schoot leek te zitten. De vriend verklaarde het fenomeen als een geval van dubbele belichting: de plaat was onvoldoende gereinigd. Kon zijn, kon zijn... Bij wijze van grap liet Mumler de foto aan een bekende spiritist zien, en pas toen gebeurde er iets echt vreemds: de vrolijke, sceptische Mumler ('always ready for a little joke, I concluded to have a little fun') werd binnen de kortste keren een beroemdheid in spiritistische kring, begon in zijn eigen mediamieke gaven te geloven, opende in 1886 in New York een Studio for Spirit Photography, toucheerde vijf, later zelfs tien dollar voor één foto, en ging ten slotte bankroet na een proces waarin hij meer dan twintig getuigen à decharge opvoerde.

Geestig.

Het 'zelfportret met spook' ontbreekt jammer genoeg op de tentoonstelling, en ook in de catalogus: misschien is het verloren gegaan? Wel kan men in het museum een zogenaamde carte-de-visite van William H. Mumler komen bewonderen, een foto op karton, ter grootte van speel- of visitekaart (de term heeft uitsluitend betrekking op het formaat), geproduceerd in 1870: het medium draagt een sepiakleurig pak, voor zijn buik hangt een horlogeketting en achter zijn rechtschapen, Nieuw-Engelse babyface, waarin de walrussnor verdwaald is als een fopartikel, doemen drie doodsbleke mannengezichten op...

Paranormale fotografie raakte snel in zwang onder de crème van de Europese en Amerikaanse bourgeoisie. Want mijn dierbare victorianen, niet verlichter dan hun eigen schemerige salons, waren net volop met het spiritisme aan het dwepen, en een beetje plutocraat stond in geregeld contact met zijn bankier en enkele voorouders. De moeder van dit 'moderne' spiritisme was een twaalfjarig meisje, Kate Fox geheten, die in haar ouderlijk huis in Hydesville, New York, door middel van klopsignalen met een vermoorde marskramer zou hebben gecommuniceerd. Dat was in maart 1848 gebeurd (of niet gebeurd), en sindsdien verdiepten miljoenen beter gesitueerde warhoofden zich in het spokenrijk, dat grote negatief van de materiële wereld. Ja, het was alsof de Westerse bourgeoisie het rondwarende spook van Het communistisch manifest (gepubliceerd in februari 1848!) eensgezind poogde te bezweren...

Kroonluchter

De welgestelde lezer die er een reis naar Krems an der Donau voor over heeft, kan zich daar vergapen aan tal van foto's van spiritistische seances, waaronder één bijzonder fraai exemplaar: Eusapia Palladino (1854-1914), bijgenaamd 'La reine du cabinet' hocuspocust ten huize van de astronoom Camille Flammarion een rechthoekige tafel plusminus tien centimeter richting kroonluchter. Alleen al om historisch-documentaire redenen is deze foto de moeite waard: de toeschouwer kijkt het hoogburgerlijke Parijs van 1892 in, waar twee dames in crinoline en vijf heren in pandjesjas de Napolitaanse beroemdheid dat arme meubelstuk zien beheksen. Draperieën, baarden, bloemmotieven. In een grote spiegel boven een divan ontploft het magnesium van de fotograaf (Flammarion zelf?), de achtste getuige. Wie de aanwezigen zijn, weet ik niet. Mogelijk is dat lorgnet de psychiater Cesare Lombroso, die streepjespantalon de natuurkundige Oliver Lodge, en lijkt die henriquatre niet een beetje op de psycholoog Frederick Myers?... In elk geval is het een bende knappe koppen met belangstelling voor de parapsychologie, een tak van wetenschap die in dat grootse fin-de-siècle van Toen aan de holle boom van de psychologie was gegroeid. Bij andere experimentele zittingen met Signora Palladino, bedoeld om haar occulte krachten te falsificeren, waren de filosoof Henri Bergson en Marie en Pierre Curie aanwezig - Pierre liet zijn polsen zelfs aan die van het medium vastknopen, maar ook toen verhief de tafel zich boven de natuurkunde...

O verrukkelijke negentiende eeuw, die ons Flaubert, de stoomtrein en de levitatie schonk!

Van pure opwinding vergeet ik zowaar de 'catalepsie', een langs hypnotische weg bereikte toestand van totale verstijving - nog zo'n goocheltruc waar de parapsychologie dol op was/is. Op een rond 1900 genomen foto ligt een jonge vrouw als een lijk tussen de rugleuningen van twee eettafelstoelen opgebaard. Een op Friedrich Nietzsche gelijkende man zit bij wijze van contragewicht aan het hoofdeinde, terwijl een slagerstype haar enkels vasthoudt. Een kalend heerschap met flaporen en een druipsnor, blijkbaar de hogepriester-hypnotiseur, drukt met zijn rechterhand haar voorhoofd naar achteren. Op haar lichaam, dat tussen nek en voeten geen enkel steunpunt heeft, zit een tweede jonge vrouw zich te verbazen... Deze stupide nabootsing van de rigor mortis wekte om een of andere diep in mijzelf gewortelde reden een enorme weerzin in me op, daar in dat o zo witte mortuarium van de goede smaak.

Tussen 1870 en de vroege belle époque bloeide de spokenfotografie als een vleesetende plant. In diezelfde periode maakte de daguerrotypie definitief plaats voor geavanceerde technieken, voor de ferrotypie en het gelatine diapositief onder andere, terwijl het zoutpapier vervangen werd door, vooral, de platinotypie en de carbondruk (al deze hermetische poëzie vind ik in Johan M. Swinnens onbekende meesterwerk De paradox van de fotografie, uit 1992).

“Weet u”, glom de conservatrice, “iedere nieuwe techniek schiep nieuwe spoken.”

De Parijzenaar Jean Buguet is een casus die tot de verbeelding spreekt. Dit schurkachtig vernuft beloofde zijn klanten een portret met hun overleden geliefde(n), maar ook de postume présence van Balzac of Napoleon III was mogelijk, zoals de tentoongestelde cartes-de-visite uit zijn atelier bewijzen. Buguets methode werkte als volgt: een welbespraakte caissière knoopte in de antichambre van de meester een praatje met de enigszins nerveuze klant aan, ontfutselde het slachtoffer details over het uiterlijk van de bestelde dode(n) en informeerde haar broodheer - die uit een grote verzameling portretten een aspirant-spook selecteerde, dat hij op een nieuwe portretfoto vervolgens dubbel belichtte... Die Jean! Was het platonisme in de mode geweest, hij zou het ideeënrijk hebben gefotografeerd... In 1875 werd Buguet wegens bedrog tot een jaar gevangenisstraf en vijfhonderd frank boete veroordeeld, maar hoewel de rechtbank alle trucs voor de ogen van zijn bedrogen clientèle uit de doeken deed, bleven veel mensen in zijn sombere krachten geloven. Misschien maakte dat die ene carte-de-visite wel zo ontroerend: de vader die op een stoel zit, verstijfd tot in zijn boord, met schuin achter hem de zoon, een bonenstaak in een te plechtig pak, en boven die twee hulpeloze mannen een doorkijkdame uit de collectie van Monsieur Buguet. O, sapristi, ik voelde zowaar iets van mededogen met die brave, domme weduwnaar in zijn sepia 1875, M. Destanon reconnaissant sa femme...!

Gekscherend

Hier moet ik mezelf even in de rede vallen, mijn opgewekte laat-twintigste-eeuwsheid, gekscherende positivisme, snuivende ironie, adjectieven en beletseltekens... die toon alsof de negentiende eeuw in wezen een dementerende achttiende eeuw was.

De waarheid is dat ik een geboren agnosticus ben - iemand die niet weet, die meent dat hij niet kan weten of er 'geesten' bestaan. Deze bekentenis zal de steil-atheïstische lezer allicht met afgrijzen vervullen, maar wat het spiritisme betreft kan ik hem geruststellen: ik ben er nogal zeker van dat geesten zich nooit op een dermate ordinaire wijze in het ondermaanse van autoverzekeringen en Max Planck zouden vertonen, wat trouwens met hun principiële onkenbaarheid in strijd zou zijn.

Enfin.

Toen er sleet kwam op de mode, ontstond er een nieuwe: spokenfotografie als moderne kermisattractie, à la de karikatuur of de lachspiegel. De bourgeoisie ontvouwde haar pauwenstaart en poseerde in de geest van Goethes 'Man wird nie betrogen, man betrügt zich selbst' voor een lichtdrukmaal, naast of tegenover ambulant beddengoed, een losse hand, een zwevende schedel - en rond haar lippen sloop een lichte monkeling.

Maar tegen de eeuwwisseling was de al dan niet ernstig bedoelde spiritistische fotografie passé. In 1895, hetzelfde jaar waarin de Weense kwakzalver het Westen in zijn Studien über Hysterie met een onderbewustzijn opscheepte, maakte Wilhelm Conrad Röntgen de eerste röntgenopname, 'Die beringte Hand Bertha Röntgens'. Deze historische foto staat in de catalogus afgedrukt: men kan zich voorstellen wat een geweldige indruk die handvol fijne botjes van Frau Röntgen op de collectieve verbeelding moet hebben gemaakt. Een spook van vlees en bloed! Een levende relikwie! In de schoot van het universum sluimerden ongelofelijke krachten, die er als Doornroosje op wachtten door de wetenschap te worden wakker gekust - zoveel begreep de beschaafde krantenlezer er wel van.

In dat licht beschouwd, zijn de experimenten van de Münchense psychiater Albert von Schrenk-Notzing ook minder mallotig dan ze op het eerste gezicht lijken. Ze staan nauwkeurig beschreven in zijn studie Materialisationsphänomens, die in 1914 verscheen en haast evenveel stof deed opwaaien als een andere gebeurtenis dat jaar. Het boek was in drie Weense antiquariaten onvindbaar, maar op grond van een paar citaten in de catalogus vermoed ik dat het amusante lectuur is, mits men zijn tanden in de taaie biefstuk van dat Duits durft te zetten. Von Schrenk-Notzing was niet de enige die 'natuurkundige' proeven met mediums deed, alleen registreerde hij ze als geen ander, soms met gebruikmaking van maar liefst negen camera's tegelijk. In de Kunsthalle hangen ze naast elkaar, de bruine en grijze afbeeldingen van juffrouwen die door de edelman-zenuwarts zijn gehypnotiseerd en wier 'geistige Bilder' (herinneringen? hersenschimmen?) in een toestand van 'sinnliche Materialität' zijn overgegaan: de Poolse Stanislawa P., die ectoplasma uitbraakte, de Française Eva C., die tussen de polen van haar handen een ontlading van fluïdum creëert...

Pang! Gavrillo Princip werpt de lont in het opgehoopte kruit van de negentiende eeuw. Zingend marcheert het 84ste regiment van de k.u.k. infanterie de stadspoort van Krems an der Donau uit, nagestaard door dat tweekoppige kapoen.

Tien miljoen nieuwe spoken later beleefde de spiritistische fotografie nog een tragische nabloei in Engeland, waar bedroefde nabestaanden naar een teken tastten dat hun gesneuvelde zoon of verloofde 'ergens' voortleefde. Een medium als Mrs. Ada Deane voldeed met plezier aan de vraag: van 1921 tot 1924 maakte ze op Wapenstilstandsdag, 11 november, postume groepsportretten, hele schuttersstukken, waarvoor ze bij minstens één gelegenheid de gezichten uit voetbalfoto's knipte en dubbel belichtte. Het rotwijf zou zelf vijfennegentig worden.

Pretentie

En hoe zit het nu met de artistieke fotografie?

Ik, kunstminnend, verzot op documentaire/journalistieke foto's, vind het genre bijna steevast van een onverdraaglijke pretentie. En ik ben het nog altijd helemaal eens met de grote Belgische symbolistische schilder Fernand Khnopff, die in een voordracht voor de Koninklijke Academie van België in 1916 verklaarde dat de 'kunstfotograaf' nooit meester was over vorm en licht, en dat zijn situatie leek op die van de soldaat die zijn kapitein toeriep dat hij een gevangene had gemaakt: - Breng hem dan hier! antwoordde de kapitein. - Ik kan niet, hij wil me niet loslaten. Niettemin palmde die dubieuze kunstvorm na de Eerste Wereldoorlog de spokenfotografie haast volledig in, vooral door toedoen van de surrealisten, die op gezag van André Breton in fotografie een soort visuele écriture automatique zagen - zo beweerde Man Ray dat zijn foto's als het ware 'buiten hem om' tot stand kwamen... Mon oeil! De 'rayogrammen' op de tentoonstelling (zou hij bewust aan de naam 'x-rays' hebben weerstaan?) zijn in teleurstellende mate gecomponeerd en naar mijn smaak erg aanstellerig.

Maar de Belgische surrealisten zijn charmant. René Magritte en zijn broer Paul, E.L.T. Mesens, Marcel Mariën... ze nemen zichzelf niet zo dodelijk serieus, noch hun onderwerp, noch de door Breton gepredikte mediamieke experimenten of Breton zelf (volgens een onvergetelijke anekdote zou de breuk tussen René Magritte en André Breton, en daarmee het Franse en Belgische surrealisme, haar oorsprong hebben gevonden tussen de borsten van Madame Magritte, waar een gouden kruisje hing dat de ergernis van de pontifex der surrealisten opwekte). Een foto van René Magritte uit 1937, een man en een vrouw gehuld in een laken, heet Le bouquet, geheel in de vrolijk-absurde trant van zijn schilderijen. En in L'esprit de l'escalier (uit 1949) van wijlen Marcel Mariën uit Antwerpen beklimmen twee lege schoenen een houten trap: niks dubbele belichting, niks artistieke dikkenekkerij, rien de kloten...

Voor de rest is de ene 'kunstfoto' nog vervelender dan de andere, en na de Tweede Wereldoorlog gaat het van kwaad tot erger. Fotografie betekent 'schrijven met licht', maar merde, daarmee is geenszins gezegd dat kunstfotografie ook literatuur oplevert!

Neem Joseph Beuys. Een foto uit 1978, Levitazione in Italia, voorstellende de onderste (geklede) helft van een zogenaamd zwevende man. Wat zegt het over mij dat ik meer plezier beleef aan die dwaze trucages uit de vorige eeuw dan aan het werk van Beuys? Vast iets vreselijks... Maar des te grager epateer ik met deze schaamteloosheid enkele schöngeisten.

Ik bezit een stuk of wat foto's met bleu poserend voorgeslacht: mijn vaders ouders in hun Rotterdamse kapperswinkel, bijvoorbeeld, vroege jaren twintig, of mijn moeders vader, uniform, beenwindsels, kepi, gemobiliseerd in 1917. Ze wonen in dat verre, nabij ondermaanse van verschoten sepia, waar de tijd hun ouderwetse gezichten geduldig uitveegt.

Laat ik één keer in mijn leven die scherpzinnige Franse kletskous van een Derrida hebben geciteerd: “Het 'spookachtige', dat is het wezen van de fotografie.”