RSV-enquêteur Kees van Dijk; Mensen zijn hardleers, zeker in de politiek

Daf, NedCar, Fokker en natuurlijk Philips: wat na de parlementaire enquête RSV (1985) ondenkbaar leek - ad hoc-steun op individuele basis aan slechtlopende bedrijven - is vanaf begin jaren negentig weer tot de macht der gewoonte van Economische Zaken gaan behoren. Zoals het eveneens opnieuw gebeurde dat de Tweede Kamer de steunmaatregelen zoniet afdwong dan toch hartstochtelijk ondersteunde.

Het soort steunmaatregelen werd allengs informeler. Technologiesubsidies aan Philips werden omgevormd tot een individuele steunrelatie, die het bedrijf vanaf 1987 per jaar gegarandeerd 100 miljoen gulden oplevert. Bijzondere Philips-projecten werden grootschalig gesteund: megachips, HDTV, LCD. Ze mislukten allemaal. En er was nog de technolease, een informeel en altijd geheim gehouden middel om in 1993 het wankelende Philips (via de Rabobank) 600 miljoen gulden vermogenssteun te geven.

Terwijl na de RSV-enquête één voornemen domineerde. Het mocht nooit meer voorkomen dat een bedrijf miljarden overheidssteun krijgt en dat geld vrijelijk kan besteden zonder dat de Kamer de vinger aan de pols heeft. RSV kreeg uiteindelijk ruim 2,6 miljard gulden, hetgeen niet kon voorkomen dat het bedrijf in 1983 failleerde.

Oud-RSV-onderzoeker Kees van Dijk kan zijn scepsis over de industriepolitiek van de laatste jaren niet onderdrukken. De lessen die hij uit het RSV-onderzoek trok hadden nooit de pretentie voor ieder bedrijf van toepassing te zijn, onderstreept hij, maar daar staat tegenover dat de politiek inmiddels erg ver verwijderd is geraakt van de rode draad die hij destijds aanbracht. De noodzaak van arrangementen voor openbare steun, zoveel mogelijk afzien van defensieve steun, actieve controle door de Kamer, geen specifieke steun op ad hoc-basis - het is allemaal in de vergetelheid geraakt.

“Als je alles overziet”, zegt Van Dijk, “geloof ik dat het zinvol zou zijn als de Kamer een nieuw onderzoek zou instellen naar een aantal grote projecten uit het industriebeleid van de laatste tien jaar. De ervaring leert dat als je als parlement de vinger niet aan de pols houdt, je de greep op de zaken verliest. Die stellige indruk heb ik ook met betrekking tot de industriepolitiek. Het lijkt er soms op dat dezelfde fouten zich altijd maar blijven herhalen. Mensen blijken erg hardleers, zeker in de politiek.”

De rol van de Tweede Kamer in het post-RSV-tijdperk is hem niet ontgaan. “Men is weer gaan meeregeren. Ik heb daarvoor wel enig begrip. De Kamer dient nu eenmaal gevoelig te zijn voor noden uit de maatschappij. En bij de gesteunde bedrijven - Fokker, Philips, DAF - speelt ook nog het element van nationale trots een rol. Als de belangen zo groot zijn trekken Kamerleden partij - sterker, ze wòrden partij. Dat zie je in de Kamercommissie voor Economische Zaken heel sterk. Men vereenzelvigt zich met specifieke belangen en wordt minder kritisch ten opzichte van de gesteunde bedrijven. Ze hebben tegenwicht nodig - maar dat heeft blijkbaar ontbroken.”

Ook bij de bewindslieden. Van Dijk zoekt een verklaring. “Het heeft er, denk ik, mee te maken dat het in het politieke debat nooit aangenaam is pessimistisch te zijn. Een minister die geen mooi perspectief schetst, krijgt niet gauw waardering. Dus presenteert hij altijd gunstige vooruitzichten van een maatregel. Dat is een mechanisme dat je niet gemakkelijk doorbreekt. Maar waarschijnlijk is eigen onderzoek door de Kamer daarvoor toch de beste remedie.”