Rekenmeesters twisten over groei van economie

Het CPB en de OESO hebben afwijkende visies op de Nederlandse economie. Het verschil zit in de weging van de internationale ontwikkelingen.

DEN HAAG/ROTTERDAM, 13 MAART. Het nieuwe kabinet dat na de Tweede Kamerverkiezingen aantreedt heeft aan zijn eerste begroting meteen een zware klus, leert één economische rekenmeester. Het volgende kabinet geniet in het eerste jaar nog van de huidige hoogconjunctuur, leert een andere economische rekenmeester.

De eerste voorspelling komt van het Centraal Planbureau (CPB) en staat in een gisteren voortijdig uitgelekt exemplaar van het Centraal Economisch Plan. De tweede van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) in het jaarlijkse rapport dat gisteren volgens schema werd gepubliceerd. Waar komt dat verschil vandaan?

Financiële specialisten in de Kamer menen dat het CPB zich vroeg in het jaar altijd somber uitlaat om de politiek aan te zetten tot begrotingsdiscipline. Somberder dan een internationale organisatie als de OESO, die natuurlijk niet zo'n verborgen binnenlandse politieke agenda heeft. Het is bij deze verklaring goed te bedenken dat zeker in verkiezingstijd bij politici enige aversie bestaat tegen de soms strenge nationale rekenmeester.

Het verschil in verwachtingen heeft vermoedelijk meer te maken met de manier waarop de twee rekenmeesters de steeds belangrijkere internationale ontwikkelingen meewegen in de nationale economie. In het rekenmodel van het CPB domineren traditioneel de export, import, de dollarkoers en de groei van de relevante wereldhandel en het verband tussen Nederland en het buitenland. De OESO koppelt op een wat modernere manier typisch Nederlandse verschijnselen zoals de loonmatiging aan bijvoorbeeld het internationale rentebeleid.

Neem bijvoorbeeld de analyse van de huidige hoogconjunctuur. Het CPB signaleert opnieuw dat Nederland vooroploopt op andere continentaal-Europese landen “door een betere bewaking van de concurrentiepositie en de overheidsfinanciën”. En door de golf van bestedingen door particulieren, die is gevolgd op de explosie van huizenprijzen en aandelenkoersen.

Pas vorig jaar heeft het CPB extra aandacht geschonken aan deze forse vermogenswinsten die veel Nederlanders hebben beleend voor consumptie. Dit vermogenseffect, dat het CPB nu in het rekenmodel heeft ingebouwd, speelt in 1998 nog steeds en is pas in 1999 uitgewerkt.

De Rabobank rekent overigens op een verdere stijging van de huizenprijzen dit jaar, met wèl dus nog een vermogenseffect in 1999.

De OESO gaat een stapje verder dan het CPB en legt een direct verband tussen de vermogenswinsten en enkele karakteristieken van de Nederlandse aanpak: de koppeling van het Nederlandse en Duitse rentebeleid en de loonmatiging. De gulden, zo redeneert de OESO, had op basis van de relatieve prijs van arbeid per eenheid produkt ten opzichte van Nederlands handelspartners moeten stijgen in koers. Maar doordat de gulden aan de mark vastzit is dit maar ten dele gebeurd. “Dit was een harde-valuta-optie, maar in feite is de effectieve wisselkoers met meer dan tien procent gedepricieerd”, schrijft de OESO.

Het is voor het eerst dat het onbedoelde zachte-guldenbeleid als pijler onder de Nederlandse economische prestaties door een officiële instantie zo hard is opgeschreven. Gevolg is dat de Nederlandse economie de laatste jaren structureel beter presteerde dan de Duitse, maar wel de lage Duitse rente moest voeren vanwege de koppeling aan de mark. En dus een monetaire verruiming met gestegen huizenprijzen en een explosie in de kredietverlening.

De OESO heeft dus duidelijk oog voor het effect van de relatieve prijsontwikkelingen (zeker ook die van arbeid), en de sterk variërende invloed van de gemeenschappelijke Europese rente op verschillende economieën, die een dominante positie veroveren in het Europa van de ene munt. Het CPB weet over die ene munt niet veel meer te melden, dat dat die tot veel “onzekerheid” leidt.

Het betekent niet dat het CPB blind is voor de internationale ontwikkelingen, maar wel dat er een voorkeur bestaat voor 'klassieke' invloeden. Waar de OESO nagenoeg zwijgt over de Azië-crisis, beschouwt het CPB die als een belangrijke dreiging voor de economische groei. Het CPB heeft ook veel aandacht voor de almaar dalende olieprijzen, die de Nederlandse overheid een hoop aardgasbaten kunnen kosten maar ook de inflatie drukken.

In cijfers uitgedrukt leidt de analyse bij de OESO tot een nog altijd forse groei van 3,6 procent in 1999 (3,7 procent in 1998). Het CPB is een stuk voorzichtiger met een raming van 3 procent die ook nog lager kan uitvallen. In het OESO-scenario horen een oplopende inflatie tot 2,4 procent in 1999, terwijl die bij het CPB veel gematigder blijft op 1,75 procent.

Het scenario van het CPB duidt op de verwachting van een 'zachte landing' van de Nederlandse economie. Het scenario van de OESO, in combinatie met een waarschuwing voor oververhitting, op een landing met een flinke bons in de jaren daarna. Wie het bij het rechte eind heeft gehad kan de nieuwe minister van Financiën volgend jaar het beste beoordelen.