Pleidooi tegen de nostalgie; Op de grens gebeurt het

Panorama Nederland is het thema van de boekenweek die dinsdag is begonnen. De urinoirs van het Boekenbal waren daarom opgesierd met prikkeldraad dat als schrikdraad moest ogen. Maar het voltage was nul. De heren liepen dus niet het risico een grenservaring uit hun jeugd te moeten herbeleven. Toch is het boekenweekthema volgens de schrijver Atte Jongstra een geschenk uit de hemel. Het biedt de mogelijkheid om eens goed te denken over de plannen van de planologen.

De Engelsen kennen een woord dat awe heet. Het wordt gebezigd in situaties waarin de omgeving de menselijke nietigheid te machtig wordt en je de taal vergaat. Zet een mens in een IJslandse lavawoestijn, of midden in de Sahara en hij voelt het. Ruimte brengt soms awe teweeg. Hout- of waterruimte door evolutie of God geschapen: dat is het grote, verrukkellijke, verschrikkelijke awe-gevoel. Stenen ruimte door mensen gemaakt is - bescheidener, maar toch - tot hetzelfde in staat. Zet een toerist, al dan niet van uitgesproken kerkelijke gezindte, in de Sint Pieter te Rome, of in de grijs-gestookte, half ondergrondse, oud-katholieke schemerkerk te Constanza (Roemenië) en we beluisteren zijn awe.

Het Al gegroet: Ave.

Awe is eng. Er wordt ontzag, zelfs vrees ingeboezemd. Het staat voor een toestand van ontregeling. Het kan op leven uitdraaien, het kan op dood uitdraaien. Awe is wat psychologen en anderen 'een grenservaring' noemen. Men heeft het gevoel dat het alle kanten op kan schieten. Alles is mogelijk. Men trekt het zwaaihemd vast uit met het oog op langsroterend toeval, men houdt de uitgang angstvallig in de gaten. En men geniet, als men durft. Het gebied tussen angst en verrukking: verschijnen en verdwijnen rug aan rug.

Ik sprak eens met Maarten 't Hart, die vroeg wat ik toch altijd in die enorme Zweedse bossen zocht. Ik weet niet meer wat ik antwoordde, herinner me alleen dat hij begon over een Zweeds bos vol lampjes, dat hij had betreden.

'Alle Zweedse bossen hangen trouwens vol lampjes...'

Ik ben in het Maarten 't Hart-bos geweest. Geen lichtpuntje gezien, behalve dat ene gloeilichaam dat we 'zon' noemen. Een Nederlander in een Scandinavisch bos zoekt naar lampjes. Veiligheid, overzichtelijkheid, de maat die hij gewend is. De menselijke hand in de natuur die geen natuur meer is, maar cultuur. Natuur in de betekenis van 'menselijke aard'.

Het Nederlandse landschap is van menselijke aard, cultuurlandschap. Niet uit één tijd, maar uit vele perioden. In die zin is de menselijke biotoop die ons land vormt, tegelijkertijd een geheugen waarin ligt opgeslagen hoe het heeft moeten komen tot wat het is. Dijken, verkaveling, kanalisatie, vervening, landgoederen, heidevelden: sporen van de mens in een water- en landgebied, dat getemd moest worden om er veilig te kunnen wonen. Aan veiligheid hebben we behoefte. Lampjes in een donker bos kunnen ons opluchten, dan zijn we van onze angst af. Aan natte voeten hebben we een hekel, bedreigende diersoorten maken we dood omwille van ons en de kinderen, ons huis met alle spulletjes erin is ons kasteel.

Toch haken veel Nederlanders tegelijkertijd naar het awe-gevoel. Als we het woord niet kennen, zoeken we wel naar het sentiment dat er bij hoort. Door naar gebieden te reizen die het garanderen, door het in de beperktheid van het eigen land in het geheugen op te graven. Er zijn mensen die het zoeken op de grens van woest en lampjes, anderen bereiken de grens van hun vergezicht bij het omspitten van twee vierkante meter achtertuin.

De Nederlander blijft behoefte houden aan al dan niet verlichte groenvoorzieningen - wij zijn ook maar mensen - in behapbare hoeveelheden. En willen we al méér in Nederland, we hebben niet méér. Er is geen overvloedig groen waar we de tanden in kunnen zetten. Er zijn teveel van ons op te weinig grond. We reizen naar verre uitgestrektheden, maar thuisgekomen zijn er altijd beperkingen aan de Nederlandse bite. Blijft onze behoefte aan troost: we willen tenminste kunnen uitzien op de kleur van de hoop.

Hoe doen we dat? Want we hebben een probleem. In het jaar 2020 moeten er nog eens zegge 850.000 (schrijve achthonderdvijftigduizend) extra woningen zijn opgetrokken. Wij hebben daar behoefte aan in ons nu al volle land.

'En met het paddestoelentempo waarmee bedrijfsgebouwen tegenwoordig uit de grond schieten...'

Geen paddestoel gaat sneller dan de tijd. Ook het Nederlandse bouwtempo blijft achter bij de als een schaduw heenvliedende uren, dagen, maanden en jaren. Voor het denken over hoe we het allemaal moeten doen met ons allen op dit kleine stukje grond geldt hetzelfde. Aan goed doen hoort goed denken vooraf te gaan, maar we hebben zo'n haast

'De eerste auto zag eruit als een koets.'

Wie een duik neemt in de stroom van publicaties die de laatste jaren het licht zien op het gebied van ruimtelijke ordening, ecologie en natuurbeheer hoort vaak het zelfde geluid: er wordt teveel met de rug naar de toekomst gelopen. Men ontwerpt auto's als koetsen bij wijze van spreken, beslissingen over de toekomst worden gemaakt op basis van verouderde ideeën. In de maalstroom van tegenstrijdige belangen, democratische weging, discussiestukken en nota's, gestriemd door een hagelbui van termen als Floriadisering, natuurdoeltypensystematiek, cerviducten, Vinexlokaties, minimumarealen, tunnelbossen, oeverinfiltratie, urban fields of EHS-structuur duikt steeds weer die zelfvoortbewegende koets op. Terwijl de tijd doortikt en het bouwen op basis van voorlopige beleidsmaatregelen verdergaat.

In een interview zei Geert Mak, de essayist van het verdwijnende platteland, dat in onze dagen voor een groot deel wordt bepaald hoe een kind de Nederlandse wereld in 2030 aan zal treffen. Op dat moment valt die wereld niet meer terug te draaien, ook dan vliedt de tijd voort. We moeten dus snel en goed nadenken, met het gezicht naar de toekomst gewend, het oog gericht op wat wenselijk en voorstelbaar is.

Nadenken moeten we niet overlaten aan vakspecialisten. Die schuiven altijd een eigen agenda onder hun gedachten. Ze passen op hun winkel, er moet tenslotte brood op de plank, de schoorsteen moet roken, en er is altijd de ijdelheid heel wat in het vak te hebben bereikt. Sommige gedachten zijn inderdaad meer to the point dan andere, maar we moeten niet te snel to the point raken. Dat betekent dat iedereen moet meedenken.

Het thema van de boekenweek 1998 was in die zin een gouden greep, een vingerwijzing naar actualiteit en toekomst. Niet alleen de bezoekers van het recente Boekenbal die landschappelijke parafernalia als runder- of schaapachtige kunstvoorwerpen mee naar huis zeulden - een Fries boekhandelsechtpaar werd bij vertrek waargenomen, sjorrend aan tweedimensionaal zwartbont - maar vooral de lezers in het land worden gewezen op wat aan groen verdween, wat daarvoor in de plaats is gekomen, en hoeveel steen er nog volgt.

Herinneringen ophalen is mooi, omkijken een genot soms. Maar het is essentieel nu niet te zwelgen in nostalgie en de toekomst onder ogen te zien. De tijd vliegt sneller dan een schaap door 't veen.

We kunnen leren van buitenlandse ontwikkelingen die ons vooruit zijn. Misschien hebben we daar inderdaad de tijd nog voor. Berucht, en in vrijwel elk essay over de toekomst terugkerend, is het voorbeeld van Los Angeles, het prototypische suburbia. Huisvesting, uitgesmeerd over enorme arealen. Centrumloos, autobezit als trait d'union tussen alle my-home-is-my-castle-eenheden. Tuintje voor, tuintje achter. Men schijnt er lekker te wonen, men voelt zich veilig. Ook in Brazilië vinden we dergelijke uitgestrekte woongebieden, zeeën van laagbouw zonder de begrensde karakteristieken van stad of centrum. Om die zeeën, of om delen daarvan, staan hekken met poorten daarin, geflankeerd door bewakers. Sinds in Amerika het bedrijf Walt Disney zich op de markt van projectontwikkeling heeft gestort is er een aspect toegevoegd aan het beeld van dergelijke woonparken. Men kan zich voorstellen achter het Donald Duckhek te wonen, terwijl broer of collega bewust heeft besloten zich aan te sluiten bij de duidelijk andere mentaliteit onder de bewoners van Jurassic Park of Waterworld.

'Kom eens eten!'

'Waar woon je?'

'In Showbizzcity, vlak bij het standbeeld van Ron Brandsteder.'

Willen we daar op bezoek? Willen we daar wonen?

In hun inspirerende essay Stad zonder horizon beweren René Boomkens en anderen dat de eerste stappen richting Los Angeles al zijn gezet. Ze pleiten terecht voor snel en grondig nadenken over de vraag of we dat wel willen. Ook zij klagen, net als de vele auteurs in Oorden van onthouding - een dwarse, rijke en veelkleurige verzameling essays en columns over de inrichting van Nederland vroeger, nu en straks - over de koetsautomanier waarop over die inrichting wordt gedacht. Ik heb echter het gevoel dat Boomkens en de zijnen vanuit de postmoderne versnipperingsgedachte werken. De ontplofte stad, de global city zonder grenzen als gegeven.

De vele auteurs van Oorden van onthouding (minder stadsfilosofen dan ecologen en landschapsarchitecten) hebben meer behoefte aan grensgebieden. Ze pleiten voor behoud en toename van biodiversiteit, veelsoortig leven van plant en dier, maar accepteren de realiteit van de menselijke huisvestingsbehoefte evenzeer.

'Ik ben ter spoordijk opgetogen,' schreef de dichter Rob Schouten. De rest van het gedicht ben ik kwijt, maar een van de aanleidingen voor zijn stap zou het bestuderen van de bijzonder rijke flora kunnen zijn, opgetogen op de strakke grens van die infrastructurele voorziening en het gebied dat sommigen 'agrarische woestijn' noemen en anderen 'agrarisch beheerde landschappelijkheid'. Het merkwaardige feit doet zich voor dat op de geluidswallen langs de vele Nederlandse snelwegen een vergelijkbare rijkdom ontstaat.

Ik belde mijn zwager, die als ecoloog werkt bij een boomende ('achthonderdvijftigduizend nieuwe huizen!') kozijnenfabriek te Gorredijk, Friesland.

'Die rijkdom is helemaal niet merkwaardig,' zei hij. 'Geluidswallen zijn grensgebieden, waar les extrèmes se touchent. Op die plekken (in onze wereld noemen wij dat gradiënten) gaat het hard tegen hard, en maken alle mogelijke soorten zich zo sterk mogelijk. Zo lang we voldoende grensgebieden in stand laten, is het met onze groenvoorziening nog niet zo slecht gesteld. Maar dan moeten we Nederland natuurlijk niet volsmeren met woongebieden zoals in Los Angeles. Compact bouwen dus.'

De toekomst bezorgt ons van tijd tot tijd een awe-gevoel, waaraan het aangename ontbreekt. 'Wie dan leeft, wie dan zorgt' is niet voor niets zo'n populair spreekwoord. We hebben angst voor de toekomende tijd. Wie desondanks wil meedenken over het zorgen voor later, loopt grote kans te worden overvallen door de striemend hagelbui van termen die ik noemde. Je ziet geen hand voor ogen meer. Wat moeten we bij voorbeeld denken van de keten van natuurgebieden, cartografisch vastgelegd in wat men de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) noemt? De ene criticus noemt het een star stuk, in zichzelf heilig verklaard, de reddingsboei waar de onzekere bestuurderen zich aan vastklampen. De andere verdedigt de EHS te vuur en te zwaard, omdat hij blij is dat er eindelijk zoiets bestaat.

Functioneert zo'n randstad van natuurgebieden, werkt het? Het valt niet mee zelf een oordeel te vormen, als men geen specialist is. Hetzelfde geldt voor compact bouwen. Wat betekent het? Moet het? Kan het? En als we compact gaan bouwen, willen mensen wel in zulke gebouwen wonen?

Een zee aan vragen voor de dilettant-denker op dit gebied. Ik belde een bevriend architect voor bijstand, die hij een avond lang verleende. Ik begon over Los Angeles en hij schudde het hoofd.

'Die kant willen we niet op. Smeerbouwen noem ik dat. Het berooft de mensen van het laatste restje ontregeling dat we in ons land nog op kunnen doen.'

Hij bleek een aanhanger van het compacte bouwen en zette zijn ontwerpvermogen in op complexen met een hoge bewoningsdichtheid. Het laatste was een verzameling van duizend-en-één kamers, waar studenten in alle rust en privacy konden dromen van een sprookjesachtige toekomst. Hij had er lang op gebroed, zei hij.

'Je weet hoe dat gaat met studenten: je moet zo construeren dat ze niet allemaal meteen vanaf zeshoog het tijdelijke met het eeuwige gaan verwisselen.'

Hij had het echter niet in onoverkomelijke balustrades gezocht, en ramen van onbreekbaar glas die niet open kunnen, maar zich gerealiseerd wat de werking van een aanpalende landgoed was: 'Awe. Op Nederlandse schaal, maar toch. Het gevoel dat alles mogelijk is, op de grens van steen en groen. Uitzicht op groene biodiversiteit, hoe aangelegd, hoe menselijk ook van aard, geeft wankele studenten het gevoel dat ze zich kunnen onderscheiden in de toekomst. Dan stappen ze heus niet in Charons veerbootje.'

Een erudiet man, deze architect, dat wist ik niet. Ik had de veerman uit het Klassieke dodenrijk niet eerder zijn gedachten zien oversteken.

'We moeten interdisciplinair werken,' zei hij. 'Dat geeft de beste resultaten. Laat een architect los in het domein der Egyptologen, en hij berekent een noodzakelijke plaats voor een verborgen ingang die men nooit eerder vond. Trek een schaatser van de fysiotherapeutische massagebank en zet hem in een windtunnel van techneuten. Duik een oceanograaf of geoloog uit de diepte op en laat hem Genesis uitleggen: vóór je het weet is de zondvloed begrepen. Het grensgebied is het domein van de toekomst.'

'We moeten wel achthonderdvijtig duizend woningen kwijt vóór 2020...'

Daarmee kwamen we terug op compact bouwen, op hoogte en diepte.

'Mensen hebben behoefte aan de grenservaring, met beide benen veilig geworteld in het hier en nu en toch zicht op God.'

Die achthonderdduizend woningen hoeven geen probleem te zijn, mits we niet verzanden in een Nederlands Los Angeles, mits we Joop van den Ende verbieden zich op de woningmarkt te storten. We kunnen de hoogte in, we kunnen de diepte in voor voorzieningen die geen uitzicht behoeven. We weten in Nederland immers hoe we onze kelders, tunnels en parkeergarages droog moeten houden. Ook minister De Boer blijkt geen blind aanhangster van de oppervlakkige aanleg. Verzinken mag van haar, ze sluit het stijgen niet uit. Dat geeft een groen gevoel. Hoop, die we ook vinden bij de wonderlijke visionair Friedrich Hundertwasser, een Oostenrijkse beeldend kunstenaar annex selfmade-landschapsarchitect, die al in de jaren zestig en zeventig nadacht over groen begroeide flatgebouwen, verzonken snelwegen en in de landschappelijke context versmolten benzinestations. Architectonische gradiënten, zo te zeggen, die ruimte bieden aan natuurlijke gradiënten: groen, steen, mens, plant en dier, alle leven geconcentreerd in een brede, biodiverse grens van cultuur en 'menselijke natuur', van bestaan en dood, van hoop die doet leven.

Een behoefte aan awe is de mens aangeboren, de angst voor dat gevoel kent iedereen. Veiligheid is betrekkelijk. We moeten niet achter hekken gaan wonen, we kunnen ons niet verschuilen voor elkaar.

Je kunt lang discussiëren of Nederland een 'gidsland' is, bij het feit dat dat Nederland - in zichzelf, naar buiten toe - 'grensland' moeten we ons neerleggen. Nederland kent talloze grenzen tussen asfalt en steen enerzijds, en groen anderzijds. Op die oversteeklijnen moet het gebeuren. Daar moeten we stilstaan en denken, daar moeten we doen. Geen terloopsheid, zoals we dat aan de rand van Amsterdam-Noord aantreffen: slechts een abrupte plek waar de stad ophoudt. Een schitterend voorbeeld van hoe het beter kan is het drietal flatgebouwen die Liesbeth van der Pol te Almere-Buiten liet optrekken. Een door mensenhand georkestreerde grensverrassing. Hoge, roestrode, Amerikaans-agrarisch uitstralende torens, op brede voet geplant op de lijn tussen stad en land. Het oog open voor dichtbebouwd Nederland, het oog open voor door de mens geschapen groene vlakte.

Op grenzen vinden mooie, roestrode verrassingen plaats, een soms onwaarschijnlijke dialoog tussen extremen. Een levendig gesprek, mits beide deelnemers een - ik zou zeggen - biodivers karakter vertonen. Laat de natuurbeheerders zorgen voor verscheidenheid in de groene cultuur, en architecten de levendigheid in bebouwd gebied bewaren. Compact bouwen hoeft niet het bouwen van identieke mensenpakhuizen te betekenen. Wie de stedebouwkundige visioenen van de achttiende-eeuwer Piranesi kent, weet dat. Maar ook hedendaagse architecten weten hoe met licht en wind zo te werken dat de geest van de stedelijke ruimte blijft waaien.

En toch, op de grens gebeurt het. Extreem groen ontmoet extreem steen. Daarom: wat we nodig hebben is een generatie grenslijn-architecten, die genoemde dialoog op een eigen, fijnzinnige manier gestalte geven. Zodat we zicht krijgen op dat deel van het Al dat in ons land nog haalbaar is. Op een noodzakelijk beperkt, maar rijk rijk van mogelijkheden, waar we weliswaar niet 'awe' kunnen zeggen, maar dan toch 'oooh'.