Otto Weininger: Geschlecht und Charakter, 1903

Otto Weininger: Geslecht und Charakter, Matthes & Seitz, ƒ 66,70

Begin juli 1903 kreeg de jonge Weense filosoof Otto Weininger post uit Zweden. Een geestdriftige reactie op zijn eerder in dat jaar verschenen boek Geschlecht und Charakter, met de volgende tekst: 'Herr Doktor, eindelijk - het vrouwenvraagstuk opgelost te zien is voor mij een ware verlossing. Wil mijn eerbied en dank aanvaarden'. De afzender was August Strindberg, bij wie de opluchting zich goed laat begrijpen na een levenslange worsteling met de geslachtsdrift.

Zoveel tijd zou Weininger zichzelf niet gunnen, ondanks de 'eerbied' en de 'dank' van de beroemde romancier en toneelschrijver. Amper drie maanden na ontvangst van Strindbergs briefje - op 4 oktober 1903 - joeg de 23-jarige doctor zich in Beethovens sterfhuis een kogel door het hart.

De zelfmoord heeft het succes van Geschlecht und Charakter niet in de weg gezeten, integendeel. Nog vóór de Eerste Wereldoorlog haalde het boek veertien drukken en nadien werd de lezersschare, via diverse vertalingen, alleen maar groter. Weininger had dan ook een universeel onderwerp bij de kop gevat: het verschil tussen de seksen, dat bij hem niets minder blijkt te zijn dan dé sleutel tot het wereldraadsel. Hij meende immers niet alleen het vrouwenvraagstuk te hebben opgelost, alle duistere 'raadselen van het bestaan' werden via deze ingang tot een nog niet eerder bereikte helderheid gebracht.

Weininger gaat er in zijn boek vanuit dat de mens, als alle levende organismen, een biseksueel wezen is. Zuivere mannen en vrouwen komen in de empirische werkelijkheid niet voor. Man en vrouw waren voor hem 'seksuele typen', met de metafysische status van platoonse ideeën, die hij M en V doopte. Via een 'wet van de aantrekkingskracht' wist hij zo het geheim van de liefde te ontsluieren: minnaars voelden zich tot elkaar aangetrokken als zij gezamenlijk een complete M en een complete V konden realiseren. Maar daarbij bleef het niet. Met de steeds wisselende verhoudingen tussen M en V in de mens zouden ook alle veranderingen in de cultuur kunnen worden verklaard. De motor van de geschiedenis draaide volgens Weininger niet op materie of economie, maar op seksualiteit.

In het Wenen van Sigmund Freud, Gustav Klimt en Karl Kraus was dit een boodschap waarvoor de lezers graag naar de boekhandel wilden snellen, hoewel Weininger zich allerminst positief uitlaat over de cultuur van zijn tijd. Het vrouwelijke element had daarin dusdanig de overhand gekregen, dat vaagheid, slapte en decadentie overal om zich heen grepen. Weininger spreekt van een verachtelijke 'coïtus-cultuur', en dat geeft meteen aan hoe hij over de vrouw dacht.

Geschlecht und Charakter is een erudiet monument van misogynie, voorzien van 150 bladzijden noten. Vrouwen worden erin afgeschilderd als wezens zonder ziel, zonder ik, zonder karakter of moreel besef. Seksualiteit en voortplanting zijn alles voor haar. 'Het hoogtepunt in het leven van de vrouw, het moment waarop haar oerwezen, haar oerlust zich openbaart, is het ogenblik waarop het mannelijk zaad in haar vloeit'. Vrouwen hadden daarom slechts twee keuzes: moeder te worden of hoer, al was ook een combinatie van beide niet ongebruikelijk. Voor haar gevoel van eigenwaarde daarentegen bleef de vrouw aangewezen op de man die haar bemint, begeert en aanzien verleent.

In hoeverre Weininger hier nog over M en V spreekt, en niet over reëel bestaande mannen en vrouwen, is moeilijk uit te maken. Het lijkt alsof hij alle vooroordelen omtrent het ewig Weibliche in zijn tekst heeft uitgestort. Dat neemt niet weg dat ook vrouwen in principe konden beschikken over de mannelijke elementen (karakter, persoonlijkheid, moraal), die hij wél waardeert. Uit het hoge percentage M bij sommige vrouwen verklaart hij bijvoorbeeld het streven naar emancipatie, dat rond de eeuwwisseling het 'vrouwenvraagstuk' in het leven had geroepen. Het was in zijn ogen alleen een illusie dat er ooit van een volledige innerlijke gelijkheid tussen man en vrouw sprake kon zijn. Iedereen was op zeker moment óf man óf vrouw, en die tegenstelling zou zich nooit laten overbruggen.

Hoe wist Weininger dan toch het vrouwenvraagstuk op te lossen? Sociale of politieke maatregelen achtte hij zinloos. De ware emancipatie kon alleen een individuele zaak zijn: de vrouw moest zich van de vrouwelijkheid in haarzelf zien te bevrijden. Dat zou haar echter nooit op eigen kracht lukken, en daarom, zo betoogt hij, is het succes van de vrouwenemancipatie in laatste instantie afhankelijk van de man.

In het voorwoord schrijft Weininger dat de 'zwaarste verwijten' in zijn boek niet de vrouw maar de man treffen. 'De vrouw is de schuld van de man'. Hij is het die de vrouw in haar 'lage' positie gevangen houdt, omdat hij zijn driften niet kan beteugelen en aldus ontrouw wordt aan zijn hogere ethische roeping, die Weininger - via een al te letterlijke interpretatie van Kants zedenleer - opvat als de daadwerkelijke verwezenlijking van een bovenzinnelijk moreel Ik.

De oplossing van het vrouwenvraagstuk is hierna even logisch als absurd: alleen door radicale kuisheid te betrachten, door gevolg te geven aan de 'eis van onthouding voor beide seksen', kan de man de vrouw bevrijden. Dat op die manier de mensheid zou uitsterven, vindt Weininger een bezwaar dat slechts getuigt van een kleingeestig gebrek aan geloof in 'de individuele onsterfelijkheid en een eeuwig leven van de zedelijke individualiteit'.

De ware filosoof moet tegelijk een 'wetenschapper', een 'systematicus' en een 'mysticus' zijn, lezen we in Weiningers postuum gepubliceerde bundel opstellen en aforismen Über die letzten Dinge. Uit zijn oplossing van het vrouwenvraagstuk valt te concluderen dat de mysticus tenslotte aan het langste eind heeft getrokken. Althans in theorie, de praktijk was een ander verhaal, zoals de zelfmoord van de auteur suggereert. Maar daarbij speelde nog een andere complicatie. Weininger, die het in zijn leven niet bij theorie wenste te laten, diende in zichzelf niet alleen alle vrouwelijke, maar ook alle joodse elementen te overwinnen.

Het merkwaardigste en voor hedendaagse lezers meest stuitende hoofdstuk van Geschlecht und Charakter is het laatste, gewijd aan het jodendom. Op het eerste gezicht lijkt het in een verhandeling over het verschil tussen de seksen niet thuis te horen, maar Weininger (zelf van joodse afkomst) heeft in zijn boek nu eenmaal alles opgenomen wat hem dwars zat. Ook het jodendom wordt door hem gepresenteerd als een platoons idee, waarvan de sporen evengoed bij niet-joden zijn aan te treffen. Vandaar dat hij de cultuur van zijn tijd behalve 'verwijfd' ook 'verjoodst' kan noemen, want aan het jodendom schrijft hij nagenoeg dezelfde kwalijke eigenschappen toe als aan de vrouw, met dit verschil dat de joden er zo mogelijk nog beroerder aan toe zijn.

Toch is uit het jodendom ooit het christendom voortgekomen. Christus was erin geslaagd het jodendom in zichzelf te overwinnen, en die uitzonderlijke prestatie zou wellicht in het heden kunnen worden herhaald. Weininger heeft zijn hoop gevestigd op een nieuwe messias, die de mensheid ten tweede male zal verlossen. Er is niet veel fantasie voor nodig om te veronderstellen dat hij die verlossende rol voor zichzelf had gereserveerd. Maar helaas, een dubbele zelfoverwinning bleek te veel gevraagd en om een terugval in het kwaad te voorkomen maakte hij een eind aan zijn leven.

Weiningers vriend Hermann Swoboda moet achteraf hebben verzucht: had Otto zijn ideeën maar in een roman ondergebracht, dan had hij ze vast niet zo bloedserieus genomen en was het allemaal minder tragisch gelopen. Het is daarom niet zonder ironie dat Geschlecht und Charakter nu eigenlijk nog alleen als een roman is te lezen. En niet eens zo'n slechte, want weinig verzonnen verhalen kunnen op tegen de adembenemende combinatie van logica en verbeeldingskracht waarmee Weininger zijn ideeën heeft aaneengesmeed tot een filosofische hamer, om die vervolgens met een dodelijke klap op zijn eigen hoofd te laten neerkomen.

    • Arnold Heumakers