Nieuwe bundel Martin Bril; Bluesy van de zijlijn naar de middenstip

Martin Bril: Het tekort. Prometheus, 248 blz. ƒ 29,90

In zijn nieuwe bundel Het tekort geeft Martin Bril een jeugdherinnering die veel over hem zegt. Hij was een jaar of elf, ging bij de junioren voetballen en werd tot keeper uitgeroepen. Maar al gauw bleek dat hij het niet in zich had. Hij was bang als de bal van dichtbij kwam en onzeker als de bal van ver kwam, want brildragend en beslagen als hij was, zag hij die op het laatst pas aankomen. Zodat hij voor het eind van het seizoen toch maar gewisseld werd en een bestemming kreeg in de reserve van de ploeg. De vaste reserve.

'Het was even wennen', schrijft hij, 'maar al snel zag ik de voordelen van mijn nieuwe rol. Bijvoorbeeld had ik nu alle tijd om in de kantine te zitten, ballen op te pompen in het materiaalhok, rond te lummelen bij andere wedstrijden, bij het inschieten van de keeper van het eerste, (...) en bij de meiden vooral die met de jongens van de hogere elftallen gingen, jongens die brommers hadden en haar op hun benen en meiden die rookten en stiekem lippenstift opdeden.'

Het zat er dus al vroeg in, denk je als je die passage leest. Of het is een verzinsel achteraf, dat kan natuurlijk ook, een dichter heeft nu eenmaal zo zijn vrijheden. Het is in elk geval een onverwisselbare Bril, dit kereltje, een oermodel welhaast van al zijn personages, want ook die staan steevast aan de kant. Ze schutteren zich naar de zijlijn van het leven toe en nemen zich daar voor er maar het beste van te maken, op hun eenzame manier. Artiesten van de marge zijn ze, altijd ergens in de buurt, maar zelden met een doel of plan. Ze kijken, dat is wat ze doen. Ze kijken naar het leven en bewonderen de binken en de meiden die dat kunnen, leven.

Die bescheidenheid is niet meteen de houding voor een alomvattend schrijverschap, het soort dat het bestaan zijn wil oplegt met dwingende gedachten, en dat is inmiddels ook wel gebleken. De romans die Bril totnogtoe publiceerde - Voordewind en Altijd zomer, altijd zondag - hebben allebei te lijden onder een apert gebrek aan lijn en regie. Je leest ze als verzamelingen losse voorvallen en waarnemingen en bijgedachten, mooi op zich maar zonder veel profijt van het verband waarin ze staan, alsof ze in hun eentje beter af zijn. Aan de zijlijn, ook zij.

Tot die conclusie lijkt de schrijver nu ook zelf te zijn gekomen. Het tekort heeft elk vertoon van alomvattende constructie laten varen en is op het oog zelfs een merkwaardig zootje. Er staan interviews in met auteurs als Martin Amis en James Ellroy - of in elk geval impressies van ontmoetingen met deze heren, want van vraag en antwoord komt het bij alle sfeertekeningen zelden. Er staan columns in uit de rubriek die Bril de laatste maanden dagelijks voor Het Parool schrijft, een soort vignetten van de werkelijkheid, uit eigen waarneming getekend. Er zijn langere schetsen, net zo autobiografisch maar ontspannen uitwaaierend naar waar de geest maar gaat. En dan zijn er nog drie fictieve stukken, opgebouwd rond één figuur, die ooit bedoeld lijken te zijn als hoofdstukken voor een roman, die dus wel nooit meer komen zal.

Als je kwaad wil, noem je Het tekort een bundeltje bijeengebezemde en bijgewerkte oude stukken. Het geheel getuigt van diepe onmacht om een vorm op de materie af te dwingen en stelt de lezer aardig op de proef. Wat moet je met de krabbels die een schrijver zelf al niet meer aan elkaar kan schrijven? Gaat dit allemaal nog ergens over? Leidt dat hele schrijven aan de zijlijn eigenlijk wel ergens toe?

Maar als je je geduld bewaart, blijkt dat de onmacht toch niet helemaal het laatste woord krijgt. Bril verdeelt zijn stukken in drie (titelloze) boekdelen, die elk een kant van het leven aan de zijlijn laten zien en zo een orde bieden die de stukken zelf niet tonen. Hij probeert boven de onmacht uit te stijgen, anders gezegd, en als je goed kijkt is dat waar dit hele boek uiteindelijk om draait. Bril onderwerpt zichzelf in drie etappes aan een onderzoek en stelt tussen de regels door een levensgrote vraag. Is er wel leven, daar aan de zijlijn?

Het eerste deel staat in het teken van de werkelijkheid en de angst die daar voor Bril van afslaat. Niet meer dan een dunne haarlijn scheidt ons immers van een sterfgeval, een echtscheiding, een afgang of een ongeluk. 'Dat is de essentie van het leven,' schrijft hij, en hij illustreert dat met een heel mooi teruggehouden stuk over zijn vriend Rob Scholte, als die na de aanslag op zijn leven zonder benen Nederland verlaat. Ze nemen afscheid en dan merkt Bril dat hij ook nog van iets anders afscheid neemt. Van de illusie dat verlies zich laat herroepen. Dat de feiten terug te draaien zijn en dat de toekomst dan weer openligt. 'De toekomst is voorbij,' houdt hij zichzelf voor, 'de werkelijkheid begonnen.'

Deel twee, de drie fictieve verhalen, staat vervolgens in het teken van Brils nagejaagde vlucht uit die vernietigende werkelijkheid. Een afgedankte copywriter maakt een dagenlange reis naar de vergetelheid, dwars door het land, een hoer en cocaïne bij de hand. De hoer benut de tocht intussen evengoed als een ontsnapping, want ze voelt zich in haar werk los van zichzelf en van de vriend met wie ze thuis steeds minder deelt. En ook die vriend, een kunstenaar die onmiskenbaar weer op Scholte is geënt, blijkt even later onderweg naar nergens, wijdbeens aan een vloer gebonden voor een middagje SM.

Het is een deerniswekkend rijtje, deze drie, op zoek naar zelfvergetelheid maar onbewust meteen op weg naar zelfvernietiging. Dat is het risico van leven aan de zijlijn, lees je impliciet, dat niet de wereld je vernietigt maar jij zelf. 'Als je niet weet waar je heen gaat,' laat Bril een voorbijganger zeggen, 'heb je wel een reden om te vertrekken, maar als je nergens aankomt heeft het vertrek geen zin gehad.' En daarmee is de opdracht van het laatste deel van Het tekort gegeven: toch weer ergens aan te komen.

En aldus gebeurt. In korte stukken gaat het in deel drie over een glazenwasser die Bril langs zijn raam omhoog ziet klimmen, eerst een hoofd, daarna de romp, ten slotte nog slechts voeten en dan weer het lege uitzicht. Over een etage waar zijn huis op uitkijkt en waar elke avond bij zonsondergang het licht aanfloept ten bewijze dat er iemand woont, maar elke avond zó stipt dat het net lijkt of er niemand woont. Over zijn vrouw, die nadoet hoe onsmakelijk een dame middenin de supermarkt een liter appelsap in haar keelgat giet, en over zijn dochtertje, dat in verwarring teruglacht als een meisje met verlamde benen evengoed nog stralend blijkt te kunnen lachen.

Het is van een hemel en aarde verscheurende huiselijkheid ineens, op het petieterige af en toch, dat is het rare, op geen enkele manier futiel. Hoe kleiner het detail onder Brils oog, hoe groter de gevolgen in zijn hoofd. Hij voelt zich 'een gelouterd man', zoals hij met niet eens zo heel veel overdrijving zegt wanneer de glazenwasser weer verdwenen is, 'adembenemend vervuld van mededogen met mijn lotgenoten en verzoend met het nederige lot dat ik als een kruis met mij mee de toekomst in mocht torsen'.

En waarom? Niet omdat er in zo'n beeld 'betekenis' zit, merk je, want dat is het niet. Het is iets vluchtigers. Het is alsof er in zo'n beeld een samenhang ontstaat tussen de wereld en hemzelf, of op zijn minst een vonk daarvan, een sprank van samenhang die niets te maken heeft met erotiek, verlangen, dood, gemiste kansen, al dat dreigende verlies uit de werkelijkheid, maar enkel met het nu. 'Alleen maar geluk,' schrijft hij, 'of beter gezegd: bewustzijn, wat de Duitsers Dasein noemen.'

Of anders gezegd: aanwezigheid. Besef dat hij vanaf zijn zijlijn toch een band kan voelen met zijn wereld. Dat hij daarin leeft en dat dat klopt.

Het is die ontdekking, of misschien wel herontdekking, die in dit boek wordt gedaan, en met zijn stijl bewijst Bril dat het hem ernst is. Schrijft hij in de regel toch al mooi, een beetje bluesy, soepel, lui, maar heel geraffineerd, zodra hij in dat laatste deel het dagelijkse leven op de huid komt krijgt hij vleugels. De blues wordt freejazz, hij danst over de regels, elke draai vraagt om een volgende, hij schiet een associatie in en neemt nog eens een solo en is voor je opgekeken hebt vier bladzijden verder, enkel en alleen met de beschrijving van een vrouw die warm en zoemend in de zon ligt.

In al zijn kleinheid is dat grote kunst die bijna geen auteur beheerst. Het gaat over niets, maar op de manier waarop geluk niets is, ongrijpbaar, weg voor je het weet, een geur waar je geen naam voor vindt. Een foto, in Brils eigen woorden, 'die vergeeld aan een roestige punaise op een plek hangt waar je hem vaak ziet om je af te vragen wat je ook alweer zag in die foto toen je hem uitscheurde. En iedere keer als je besluit dat het tijd wordt om hem weg te gooien, die foto, laat je hem toch maar hangen, want wie weet komt de betekenis je op een dag zomaar aanwaaien.'

Het zijn die 'foto's' die je verzoenen met alles wat er in dit boek aan schort. Het blijft een brokkelig geheel, onmachtig in zijn vorm. Maar uit die onmacht spreekt een worsteling met een manier van leven en schrijven die geduld afdwingt. Een gevecht met de engel is het, daar tussen de regels, en als dat gevecht ten slotte wordt gewonnen, geef je je als lezer ook gewonnen. Bril heeft zich de wereld ingeschreven. Moge hij blijven.

Uit: Martin Bril, Het tekort

In het algemeen verdient het aanbeveling verwachtingen laag te spannen. Dat springt makkelijk en valt zacht. Aan de andere kant is er die verschrikkelijke waarheid die geluk heet. Zij ligt altijd net een sprong verder, om de hoek, bij de horizon - er net overheen en dan weer kilometers verderop, onder handbereik, voor het grijpen.

Om in het hoogspringen te blijven: geluk is de rilling die door lat en springer gaat als hij het lichaam er maar net overheen kan slingeren. Terwijl hij naar beneden duikelt, ziet de man die zo-even nog sprong, maar nu alweer valt, dat de lat blijft liggen. Hij trilt ervan.

    • Hans Goedkoop