Natuurlyriek tot het uiterste; Georg Trakl vertaald

Georg Trakl: Het laatste goud van vervallen sterren. Gedichten, tweetalige uitgave. Selectie en vertaling: Jan U. Terpstra; inleiding: C.O. Jellema. Umbra, 183 blz. ƒ 49,90 (geb.)

Bij sommige mensen zijn pose en oprechtheid amper uit elkaar te houden. Dat is hier en daar het geval bij Georg Trakl, die al op het gymnasium de rebellerende poète maudit uithing. Zijn klasgenoten las hij zelfgemaakte verzen voor waarin de roes van de wijn de hoofdrol speelde, en die gewaagde thematiek gaf hem enig aanzien.

Georg Trakl, in 1887 geboren, vond het heerlijk om de burgerlijkheid van zijn Salzburgse stadgenoten aan te vallen en dingen te doen waar zij van schrokken. Toen hij zichzelf voor het eerst met chloroform benevelde volgde hij waarschijnlijk het voorbeeld van Baudelaire. Die was ook nonconformist en bezong de kunstmatige paradijzen, paradijzen verkregen door drugsgebruik. De ontvankelijke puber George raakte verslaafd - en schaamde zich, als de verdoving was uitgewerkt, elke keer dood voor zichzelf. En zo ging de pose sluipenderwijs over in echte wanhoop.

In de tweetalige bloemlezing Het laatste goud van vervallen sterren is Trakls poëzie chronologisch gerangschikt (helaas zonder jaartalvermelding), zodat wij de persoonlijke neergang en artistieke bloei van de auteur redelijk nauwkeurig kunnen bestuderen. Die bloei begint en eindigt vroeg, want Trakl heeft weinig tijd. De jongeman die zo ongeremd op zijn zelfvernietiging afstevent weet dat hij hard moet werken zolang hij er nog is. Zijn schuldgevoelens over van alles en nog wat sporen hem sowieso tot dichten aan, alsof hij met zijn poëzie iets probeert goed te maken. Steeds keert hij terug naar de geborgenheid van zijn eerste levensjaren, naar de grote tuin waar hij zoveel van hield. 'Vol vruchten de vlier; rustig huisde de kindertijd/ in blauwe holte.' En steeds keert hij terug naar het Salzburgse landschap: 'Aan de woudzoom verschijnt een schuw ree en vredig/ Rusten in 't dal de oude klokken en sombere gehuchten.' In Kindertijd, waaraan deze regels zijn ontleend, wekt de natuur nog een aangename melancholie. 'Zacht is de klacht van de merel. Een herder/ Volgt sprakeloos de zon die van de herfstige heuvel rolt.' En de dood heeft nog niets afschrikwekkends want 'tot tranen/ ontroert de aanblik van het vervallen kerkhof op de heuvel'.

Behoedzaam, stil en weemoedig zijn die vroege gedichten - totdat angstbeelden de arcadische tafereeltjes bederven. Wijngaarden zijn ineens 'verbrand en zwart met gaten vol spinnen' terwijl een 'zachtmoedige wees' die 'schaarse aren leest' abrupt verandert in een lijk: 'Bij het naar huis gaan/ Vonden de herders het liefelijke lichaam,/ Vergaan, tussen de doornstruiken.' En dat is nog niets vergeleken met de lyriek uit Trakls middenperiode, waarin woorden van eenzaamheid en ontzetting elkaar verdringen als emblemen op een altaarpaneel.

Mooie woorden zijn het vaak, woorden als zon en maan, maar ze worden zo gedraaid en gekanteld dat ze hun onschuld verliezen: 'Herders [alweer!] begroeven de zon in het kale bos./ Een visser trok/ In zijn haren net de maan uit de ijskoude vijver.' Kou en kilheid - van zon en maan, van kristal en blauwige rotsen, van zilver en verre sterren - gaan een onzalige verbinding aan met de bloedrode warmte van het katholicisme. 'O, gij kruistochten en gloeiende martelingen/ Van het vlees, het vallen van purperen vruchten/ In de avondlijke tuin waar lang geleden de vrome discipelen wandelden,/ Krijgslieden nu, ontwakend uit wonden en sterrendromen' (Lied van het avondland).

Madonna's en engelen, wierookgeuren en vesperklokken zweven door Trakls gedichten, en God komt ook weleens om het hoekje kijken. Nee, deze o zo onconventionele dichter heeft het katholieke geloof nooit helemaal vaarwel gezegd - maar genade vindt hij er niet in, alleen verdriet en pijn. En een perverse schoonheid, de schoonheid van het verval dat hij dagelijks registreert, op zijn wandelingen door het oude Salzburg met zijn barokke, aan weer en wind blootstaande kerken. Ziet hij zichzelf als serene novice door die Salzburgse kruisgangen schrijden, dan doemt er altijd een ander op die de vredige stemming verstoort. George Trakl noemt die ander Mönchin, een slecht vertaalbaar woord, want het Nederlandse 'kloosterzuster' dat vertaler Jan U. Terpstra ervan maakte mist de tweeslachtigheid, het androgyne van het Duitse origineel.

Die Mönchin, dat is Trakls zus: zijn vriendin, zijn geliefde, zijn vriend. Een verwante ziel die hij teder aanbidt maar ook vreest, omdat hij haar in het verderf heeft gestort. Het is waar, George Trakl hielp zijn zusje Gretl aan de drugs. Maar of het ook waar is dat hij met haar sliep, zoals hij in zijn gedichten bijna drammerig suggereert, kan niemand met zekerheid zeggen. Goed: incest bedreef hij met haar, in het echt of in zijn hoofd, en hoe dan ook voelde hij zich er slecht en getekend door. Zo raakt ook het zusje getekend, vertekend, verwrongen tot een niet bijster grappige karikatuur van George Trakl zelf: 'Onder het gouden takwerk van nacht en sterren/ Wankelt de zuster, een schim, door het zwijgende woud/ Om te begroeten de geesten der helden, de bloedende hoofden.'

Toch lijkt dat zusje het enige te zijn waarvoor het broertje leeft. Als Gretl in 1913 een miskraam krijgt (niet van George maar van een man in Berlijn) en daaraan haast bezwijkt, sterft Georg ook zowat. Gesang des Abgeschiedenen, dat kort na het bezoek aan zijn zieke zuster ontstaat, bevat signalen van de waanzin die hem in zijn greep dreigt te krijgen. Die waanzin breekt een jaar later pas werkelijk door, het jaar, toevallig of niet, waarin heel Europa tot waanzin vervalt. Er is een oorlog uitgebroken waar Trakl enthousiast aan deelneemt, blij als hij is met wat afleiding. Maar het enthousiasme houdt niet lang aan. De hulpapotheker wordt met zijn leger bij Gródek omsingeld en in de hopeloze veldslag vallen hopen gewonden.

Die moet Trakl verzorgen, alleen, in een gammele schuur. Om hem heen het gerochel van de stervenden en het aan George gerichte gesmeek van de nog levenden om alsjeblieft snel een eind aan hun lijden te maken. In paniek vlucht de apotheker naar buiten. Zijn superieuren vinden dat gedrag nogal vreemd en sturen hem ter observatie naar een hospitaal in Krakau. Daar krijgt hij vreselijke wanen. Op 3 november 1914 sterft hij, aan een overdosis cocaïne die hij zichzelf heeft toegediend.

In zijn laatste gedichten Klage en Gródek, beide in Krakau geschreven, doet Trakl nog eens dunnetjes over wat hij altijd al deed, en dat is gezien zijn toestand een wonder. Op de bodem van de misère aangekomen ziet hij nog één keer zijn zusje en dapper houdt hij vast aan het vertrouwde idioom van zijn natuurlyriek. Hier, bij wijze van slotakkoord, het complete Klage in Terpstra's voortreffelijke vertaling:

KLACHT

Slaap en dood, de duistere adelaars

Omruisen heel de nacht dit hoofd:

Dat de ijzige golf van de eeuwigheid Het gulden beeld van de mens zou verslinden.

Op gruwelijke riffen

Slaat te pletter het purperen lichaam

En de donkere stem klaagt

Boven de zee.

Ontstuimig-zwaarmoedige zuster

Zie, een angstig bootje verzinkt

Onder sterren

Voor het zwijgende gelaat van de nacht.