Liggend naakt met buldog; De late schilderijen van Francis Picabia

Francis Picabia schilderde op latere leeftijd zowel abstracte werken als pin-ups, gebaseerd op foto's uit erotische tijdschriften. Hij veranderde vele malen van stijl, onder het motto 'Het hoofd is rond opdat ons denken voortdurend van richting kan veranderen'.

Francis Picabia, 'Late Schilderijen', duurt t/m 31 mei. Op 28 maart wordt een aparte tentoonstelling over de invloed van Picabia op de hedendaagse kunst geopend. Museum Boijmans, Museumpark 18-20, Rotterdam. Di-za 10-17u; zon- en feestdagen 11-17u.

De voorstellingen zouden gemaakt kunnen zijn door een reclame-schilder die in de jaren dertig in naakte pin-ups grossierde. Op de schilderijen zie je ze in allerlei uitvoeringen en standen. Ze hebben blonde, hazelnootkleurige of zwarte haren, scherp getekende boog-wenkbrauwen en een vuurrode mond die gewoonlijk een beetje openhangt. Ze komen ontkleed achter de gordijnen vandaan. Ze zitten voor de spiegel waardoor hun billen en borsten gelijktijdig bekeken kunnen worden, of in het zand naast een bosje helmgras. Ze nemen met zijn tweeën of groepsgewijs op een satijnen beddensprei plaats, waarbij ze zich zo nu en dan aan een lesbisch liefdesspel overgeven. En soms staat een verzameling naakten met de benen in het water naar de golven te turen met de ernst van jeugdige zeeverkenners.

Schilderkunstig gezien, herinneren de modellen met de glimlichtjes in de poppetjes van hun ogen, aan een genre waarvan het alom bekende portret van het huilende zigeunerjongetje met de zachtglanzende waterlanders, een prototype is. Met de anatomie van de vrouwen, uitgerust met enigszins bultige schouderpartijen en paalvormige bovenarmen, is het eveneens beroerd gesteld. Technische onvolkomenheden die de erotische projecties van de ware voyeur overigens niet in de weg zullen staan. Het cliché-beeld van de verleidster is volledig in tact gelaten. De schilder heeft het met een naïef aandoende volgzaamheid in kaart gebracht.

Wat je bij het zien van deze merkwaardige voorstellingen nog het meest verbaast, is de signatuur van de maker: Francis Picabia (1879-1953), de Franse schilder, schrijver en dichter die in de geschiedenis is bijgeschreven als één van de sleutelfiguren van de moderne kunst. De pin-ups worden getoond op de expositie van Picabia's Late Schilderijen 1933-1953 waartoe ook non-figuratieve werken behoren, in het Rotterdamse Museum Boijmans Van Beuningen. Hiermee wordt in Nederland voor het eerst uitgebreid aandacht besteed aan Picabia's kunstzinnige activiteiten gedurende de laatste twintig jaar van zijn leven. Zijn produktie in deze periode is door de exegeten van de moderne kunst min of meer onder de mat geschoven. Wat moet je aan met een schilder die kennelijk al naar gelang zijn pet staat, burgelijk realistische salonkunst of abstracte composities fabriceert?

Picabia's houding tegenover de kunst, het kunstenaarschap en de goede smaak in het algemeen, is altijd verkwikkend subversief geweest. In dit opzicht was hij een echte geestverwant van de acht jaar jongere Franse pionier Marcel Duchamp (1887-1968), die hij in 1910 ontmoette en met wie hij zijn leven lang bevriend is gebleven. Je ziet ze voor je, het vaatje buskruit Picabia en de introverte en ironische strateeg Duchamp die in hun pogingen om de kunst van een andere inhoud te voorzien op humoristische wijze en passant de gevestigde artistieke orde onderuit halen.

Francis Picabia, zoon van een gefortuneerde Cubaanse consul en een uit de hogere burgerij afkomstige Parisienne, voer op het kompas van zijn buitensporige temperament en zijn grillige invallen waaraan hij zonder aarzeling toegaf. Onder het motto 'Als je frisse ideeën wilt hebben, verwissel ze dan net zo vaak als je hemd', placht hij om de haverklap radicaal van stijl te veranderen. Na zijn eerste grote successen als neo-impressionistisch schilder opereerde hij achtereenvolgens als fauvist, kubist, dadaïst en surrealist. Hij maakte machine-kunst, monster-portretten, realistische, abstracte en expressionistische schilderijen. 'Het hoofd is rond opdat ons denken voortdurend van richting kan veranderen', vond Picabia. Door de afwezigheid van een voorkeur voor één bepaalde stijl werd hem stijlloosheid verweten. Een negatief begrip dat in het post-moderne tijdperk echter totaal van inhoud is veranderd. Zoals ook de negatieve benaming 'kitsch-schilderijen' met betrekking tot Picabia's aanpak van het in de schilderkunst klassieke motief van het naakt, in een ander daglicht is komen te staan. Het vervaardigen van de pin-ups is thans opgewaardeerd tot een artistieke geuzendaad.

Vieze plaatjes

Op de tentoonstelling ligt in de vitrines het materiaal uitgestald waardoor Picabia zich bij het schilderen van de pin-ups liet inspireren. Het zijn vooroorlogse tijdschriften met vieze plaatjes als Mon Paris en Paris Magazine. Uitgaven die je overigens doen beseffen hoe onschuldig het toen nog toeging in de seks-industrie. Picabia blijkt de hierin afgebeelde foto's eenvoudig te hebben nageschilderd, met olieverf op karton. Hij maakte er trouwens geen geheim van dat hij naar foto's werkte als het hem uitkwam. Toen de kunstenaar daarop werd aangevallen, herinnerde hij aan al die schilders die appels kopiëren. Maar welke foto's Picabia nu precies bij het maken van zijn pin-ups gebruikte, is pas aan het licht gekomen na diepgaand bronnenonderzoek.

Het vergelijken van de kiekjes met de schilderijen, levert amusante informatie op. De kunstenaar hield zich niet altijd aan zijn voorbeelden. Soms wijzigde hij de compositie door aan een stel op een bed gedrapeerde vrouwelijke naakten bijvoorbeeld een huisdier in de vorm van een buldog toe te voegen. Maar ook de pin-ups die door de schilder vrijwel letterlijk van de foto's werden overgenomen, zijn in wezen geen kopieën. Het zijn vertalingen van zwart-wit opnamen in schilderijen. Het schijnsel van de foto-lampen drukt de schilder uit in de kleur. Een enkele keer voorzag Picabia de voorstelling van een zogenaamd natuurlijke lichtbron, zoals een knullig glas-in-lood raampje dat uitzicht biedt op een sneeuwlandschap. Maar meestal dompelde hij de pin-ups onder in een sinaasappelkleurig lichtbad van raadselachtige herkomst.

Wat Picabia moet worden nagegeven, is dat hij met zijn schilderkunstige vertalingen van banale foto's terloops de mechanismen van de erotische beeldvorming blootlegt. Het is de pose van de verleidelijkheid die door de schilder wordt gedemonstreerd. Door hun houdingen en gebaren blijven zijn pin-ups als lustobject overeind staan terwijl het verder wezenloze verschijningen zijn met in armetierige contourlijntjes weergegeven lichaamsvormen en de huid van iemand die te lang in de zon heeft gelegen.

Aan Picabia's verguisde pin-ups is ook nog een politiek luchtje komen te hangen op grond van een zekere stijl-overeenkomst met realistische naaktschilderijen uit het derde rijk. Na de oorlog werd hij zelfs van collaboratie met de Duitsers verdacht. Picabia's pin-ups herinneren door hun lichaamsbouw inderdaad een beetje aan de reine Germaanse meisjes en vrouwen die je op foto's ziet afgebeeld tijdens de massale beoefening van naaktgymnastiek op een grasveld. Maar wat zegt dat? Er valt hoogstens uit op te maken dat een Kraft durch Freude-achtige uitstraling van een naakt in die jaren prikkelend was voor zowel de Franse als de Duitse burgerman.

Het onderscheid tussen de door de Führer hogelijk gewaarde schilderijen van de 'meester van het Duitse schaamhaar', Adolf Ziegler, of die van Ivo Saliger, en de pin-ups van Picabia kan niemand ontgaan. Afgezien van het feit dat in Picabia's schilderijen geen schaamhaar valt te bekennen maar hoogstens een donzig schaduwpartijtje, zorgde zijn Latijnse geest voor afstandelijke frivoliteit. Vergelijk dat eens met Saligers Parisurteil, uit 1939, een kleffe voorstelling voor benepen sleutelgat-voyeuristen waarin een met een Lederhose uitgerust manspersoon zich met heilige ernst aan een edel naakt zit te verlekkeren.

Hoe Picabia zelf over zijn naakten dacht, is de vraag. Tussen 1933 en het eind van de oorlog schijnt hij er liefst veertig te hebben gemaakt om na de bevrijding direkt non-figuratief te gaan werken. In de na-oorlogse periode ontstonden ondermeer de originele voorstellingen waarop alleen nog maar stippen zijn te zien. Ook maakte hij in die jaren abstracte werken waarin het wemelt van de seksuele symbolen. Erotiek was een onderwerp dat hem blijvend moet hebben beziggehouden. Afgezien van zijn passie voor auto's, - hij moet er 127 hebben bezeten - jachten en villa's, hield hij van vrouwen.

Zijn eerste vrouw Gabrielle Buffet-Picabia, schrijfster van een boek over moderne kunst, getiteld Aires Abstraites (uitgegeven in 1957 door Pierre Cailler), heeft nog eens haar licht laten schijnen over het raadsel Picabia. Samen met de schrijver K. Schippers en de fotograaf Philip Mechanicus voerden we een vraaggesprek met de toen 96-jarige Gabrielle in haar Parijse huis (gepubliceerd in het Hollands Diep, 16 februari 1977). De oude, glasheldere dame kon tegelijk roken en praten, waarbij ze ook haar twee handen gebruikte terwijl haar wandelstok om haar hals hing als was het een kapstok-haak. Ook Jeannine Picabia, een dochter van Gabrielle en Francis, kwam tijdens de genoemde bijeenkomst binnenvallen.

“Rond 1940 schilderde Picabia merkwaardige schilderijen”, merkten we op, doelend op de pin-ups. Jeannine reageerde meteen: “Dat noemde hij zijn peinture alimentaire, zijn levensmiddelenkunst. In de oorlog had hij geld nodig. De sultan van Marokko heeft er veel, voor hem heeft hij ze gemaakt. Die hing zulke schilderijen in zijn harem. Hij heeft er veel gemaakt en ze gingen prima in Noord-Afrika.”

“Maakte Picabia een onderscheid tussen kunst en leven?”, vroegen we Gabrielle. “In het geheel niet”, antwoordde ze.

“Hij heeft eens iets heel reëels gezegd: voor hem was schilderen een acte d'amour. Een soort circulatie in het bloed, die hem dwong om vormen te maken en nooit heeft hij geprobeerd om iets anders te doen.”

Bij de dood van de nieuw ontdekte held van het post-modernisme stuurde Marcel Duchamp een telegram met de woorden: 'Beste Francis, tot gauw.'