Leutig proza over polder

Sylvain Ephimenco: Hollandse nieuwe. De keerzijde van de Nederlandse mentaliteit. Contact, 128 blz. ƒ 24,90

Flamboyante muzikanten, mooie zomers, corrupte politici en wilde nachten: in de typering van Nederland komen ze zelden voor. Een onuitroeibaar cliché wil dat Nederlanders koude kikkers zijn die alles boven het maaiveld voor verdacht houden. De journalist Sylvain Ephimenco schept er genoegen in om in 13 stukjes dit gezapige beeld dat Nederlanders van zichzelf hebben aan flarden te scheuren. Want als voetbal in het geding is, de belangen van de varkensboeren op het spel staan of Franse junks de Rotterdamse rust verstoren, dan breekt het beest los en slaat woest om zich heen. De stukjes - die gaan over de onverdiend fatsoenlijke reputatie van Nederlandse politici, de navenante reputatie van Nederlanders tegenover Joden in de oorlog, over slechte reputatie van Nederland wegens de drugs, de onaantastbare reputatie van het koningshuis en de twijfelachtige reputatie als multi-culturele samenleving - heten de keerzijde van de Nederlandse mentaliteit te belichten. Maar al gauw merkt de lezer dat het oppervlak van het ene plaatje van Nederland in een volgend stukje al weer de zelfkant is.

Ephimenco, die als relatieve buitenstaander van Franse komaf over een voordelige positie beschikt, bestaat het om eerst te roepen dat Nederlanders meelzakken zijn of dat Wim Kok 'naar niets ruikt of smaakt' en vervolgens dat al die beheersing maar schijn is. De ene keer is de betiteling 'gidsland' lovend bedoeld, de volgende keer smalend. Alleen in Nederland kan een 'bureaucraat' als Voskuil een naam als schrijver vestigen. Even later benijdt het buitenland ons juist om onze saaiheid. Zo wordt, wat als karakteristiek bedoeld was, tot gelegenheidskarikatuur.

Heilige huisjes te over, sloopdrift genoeg. Maar de precisie, die een voordeel van een Franse 'déconstructeur' had kunnen zijn, ontbreekt. Het ergerlijkst is dat in de persiflages van Nederlands kwalijke oorlogsverleden en de vermeende lamlendigheid van de IRT-commissie. Ephimenco's bewering dat de Fransen tenminste debatteren over hun dubieuze oorlogsverleden gaat voorbij aan een halve eeuw van doofpotterij in Frankrijk én een aantal grote discussies hier ten lande. De Weinreb-polemiek is er een van. Vaak is hij in zijn vergelijkingen allerminst vleiend over de Fransen, maar in dit verband vergeet hij te vermelden dat in Frankrijk de deportatie van de joden een Frans initiatief was, in Nederland een Duits. Dat de georganiseerde misdaad gecompliceerder in elkaar blijkt te zitten dan de journalist lief is, ontlokt hem de vaststelling dat 'het rapport-Van Traa een carnavaleske optocht is waarin de prins in het gedrang gestikt is'. Subtiliteit is evenmin een deugd van Ephimenco. Het leutige proza, waarin kamervoorzitters 'condooms zijn die alle conflicten opvangen' en 'Den Haag door klonen van klonen wordt bevolkt', maakt het onmogelijk de commentator serieus te nemen. Alleen als het om opzichtige volksverlakkerij gaat, zoals de schijnheilige praat van de officials en bobo's over wat er op en om de voetbalvelden en in de varkensstallen in dit land gebeurt, zorgt de gespierde taal die met plankgas in zijn twee voortstuift voor een smakelijk geronk. Maar voor dat werk hebben we Youp van 't Hek al.