Kruisiging

Volgens Maarten 't Hart (CS 6-3) zouden Christus' wonden na de kruisiging niet in zijn handen maar in zijn polsen hebben gezeten. De spijkers waarmee Jezus werd gekruisigd zouden tussen de handwortelbeentjes zijn geslagen. In het Bijbelboek Johannes zou worden 'beweerd dat in de handpalmen van Jezus littekens te zien waren' en dat Thomas deze gaten heeft gevoeld.

Ergo, en 't Hart zegt het net niet hardop: de man die Thomas zag en voelde was niet een opgestane Jezus - waarbij 't Hart in de rest van zijn stuk niet meer ingaat op de beschrijving dat Thomas ook het gat in de zij van Jezus voelt.

De eerste vergissing die 't Hart maakt is dat de plaats die wij met pols aanduiden dezelfde is als die van de handwortelbeentjes. Deze botjes ( de ossa carpalia) beginnen wel in de pols maar lopen daarna over een afstand van goed twee vingers breed in de hand door. De lezer kan dit begin voelen door over de botten van de onderarm naar de hand toe te bewegen. Aan de duimzijde is een kleine verhevenheid en daarna komt een plooi. Wie de plooi naar binnen volgt - stevig drukken - zit met zijn vingers precies op de overgang van een onderarmbot naar de handwortelbeentjes. Wie nu zijn vinger een à twee centimeter naar de handpalm toe beweegt zit midden boven deze polsbotjes. Als daar de spijkers tussendoor werden geslagen zullen de meeste waarnemenrs, zowel niet-medici als collegae, zeggen dat deze spijkers in de handen zijn geslagen. Ze zullen op die hoogte niet meer van pols spreken.

De tweede vergissing is dat 't Hart het woord 'handen' automatisch interpreteert als handpalmen. In de tekst die hij zelf aanhaalt wordt echter van handpalmen niet gesproken. Door het midden van de handwortelbeentjes teveel naar de pols te plaatsen en door handen te lezen als handpalmen creërt 't Hart een optelsom van twee onnauwkeurigheden waarmee hij de locatie waar de spijkers zijn geslagen en de locatie waar Thomas gaten zag en voelde zover uit elkaar trekt dat de teksten van Johannes ten onrechte onjuist lijken. Dat in eeuwen nadien stigmata verschenen zouden zijn in handen en handpalmen is een boeiend stuk psychofysiologie, maar doet aan de bijbeltekst niets af.

Blijft staan waar 't Hart mee eindigt: dat een spijker tussen botten doorslaan zeer pijnlijk is, wat iedereen kan beamen die op bijvoorbeeld een EHBO wel eens een naald in een gewricht heeft gehad. Dat mag iets illustreren van de pijn die Jezus bereid was te dragen, en dat gaat het hier alleen nog over lichamelijke pijn en niet eens over de psychische, spirituele en boven alles religieuze pijn. Ook blijft staan waar Jezus naar Thomas mee eindigt (Joh. 20 vers 29): “Omdat gij Mij gezien hebt, hebt gij geloofd? Zalig zij die niet gezien hebben en toch geloven.'