Knutselen aan het land

Tracy Metz: Nieuwe natuur; Reportages over veranderend landschap. Ambo, 216 blz. ƒ 29,90

Fred Feddes, Rik Herngreen e.a. (red.): Oorden van onthouding; Nieuwe natuur in verstedelijkend Nederland. NAi Uitgevers, 256 blz. ƒ 65,-

Nu de IJsselmeerpolders zijn ingericht en de Deltawerken voltooid zijn, is Nederland af. De gevaren van getijden en storm zijn buitengesloten en een maximum aan cultuurgrond is bewoond en in exploitatie genomen. Het land is verkaveld en aangeharkt van Appingedam tot het Zwin en zoet en zout water zijn getemd van Maastricht tot Maasvlakte. Welk land ziet er vanuit de lucht of op de kaart zo opgeruimd uit als Nederland? Nederland is af, klaar.

Maar de bewóners van Nederland zijn nog lang niet klaar. De stedenbouwkundige opgave ligt er nog, de verkeersopgave bestaat nog en ook de natuur ligt te wachten. De stedenbouw heeft inmiddels de zoveelste richtingaanwijzing gekregen in de vorm van de Vierde Nota Ruimtelijke Ordening Extra (Vinex), terwijl het verkeer het volgende millennium onder andere wordt binnengeleid via een Hoge Snelheidslijn en door 20.000 extra starts en landingen op Schiphol. En voor wat de natuur betreft zijn er sinds 1990 het Natuurbeleidsplan en de voorgenomen Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Kortom, zelfs in het aangeharkte Nederland valt nog een hoop te doen.

Het ruimtelijk inrichtingsproces in Nederland is een eeuwenlange strijd tegen de elementen. Zowel de rivieren als de zee waren weerbarstige tegenstanders en de afronding van de sluiting van de zeegaten in 1997 en de verzwaring van de rivierdijken, die thans nog in volle gang is, vormen slechts het einde van de werken die ruim 1000 jaar geleden zijn begonnen. Vanaf die tijd is de natuur in ons land teruggedrongen, om niet te zeggen stelselmatig uitgewist. Op relatief veilige rivier- en beekoevers, en iets later ook in onherbergzame veengebieden, werden honderden kilometers afwateringssloten gegraven en werden kavels gerooid. En toen het aldus ontgonnen land door inklinken van de bodem weer verloren dreigde te gaan, werd het ook nog omgeven door dijkjes. Deze inrichtingswerken vormden in hun complexiteit en vernuft een uiterst geavanceerd en op wereldschaal uniek systeem van menselijke aanpassing aan de fysisische omgeving. De water- landbalans kwam door verveningen in ernstig gevaar, maar dankzij de stoommachine was sedert het midden van de negentiende eeuw het lage deel van Nederland op lange termijn veilig.

Stroomversnelling

De blijvende ontginning van gronden die niet onder permanente invloed of bedreiging van water stonden, is ook meer dan 1000 jaar geleden begonnen en ook in die gebieden ontwikkelden zich ruimtelijke structuren die een aanpassing vormden aan de gegeven fysische omstandigheden. Bodem, reliëf en vegetatie werden er proefondervindelijk benut in een genre de vie dat zich tot in de negentiende eeuw bleef verfijnen. Sinds het midden van de vorige eeuw raakte Nederland door de Industriële Revolutie en een bevolkingsexplosie in een stroomversnelling. De ontwikkeling en instandhouding van de infrastructuur en de openbare werken ontwikkelde zich van een lappendeken van lokale belangen tot een centrale overheidstaak; mechanisering en schaalvergroting brachten een breuk met de evenwichtssituatie tussen mens en fysisch milieu teweeg. Gronden die rond 1850 nog niet in (extensieve) cultuur waren genomen werden in hoog tempo ontgonnen en een eeuw later was Nederland er trots op dat er nog slechts 250.000 ha (ca. 7 procent) 'woeste gronden' lagen.

Maar al rond 1900 was een tegenbeweging opgekomen in de vorm van Staatsbosbeheer en de Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten, die beheer en versterking van natuurwaarden als doel hadden. De 'natuur' kwam echter pas na de Tweede Wereldoorlog in de publieke en politieke belangstelling. Velen herinneren zich ongetwijfeld de acties voor een halfopen Oosterschelde en tegen het kappen van een deel van de bossen van Amelisweerd. En bekend is ook de tracéverlegging van de spoorlijn in Flevoland door de spontane totstandkoming van het 'natuurgebied' de Oostvaardersplassen. Het gevolg hiervan was dat in de jaren tachtig een lobby voor verdere ontwikkeling van natuur ontstond, die als resultaat had dat in 1990 het Natuurbeleidsplan werd opgesteld. Hierin wordt onder andere de totstandkoming, voor 2015, beoogd van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS), een landelijk systeem van door corridors verbonden (nieuwe) natuurgebieden.

In twee recente boeken komt deze voorgeschiedenis van de huidige stand van zaken in Nederland ruim aan de orde, zij het in een wat verbrokkelde vorm. In beide boeken komen vele betrokkenen aan het woord, die elk een aspect of een facet van het cultuurlandschap belichten. Tracy Metz ging voor haar Nieuwe natuur de boer op en sprak met actievoerders, ontwikkelaars en critici. In haar boek belicht ze zo voor een ruim publiek een aantal van de belangrijkste thema's rond het huidige proces van natuurontwikkeling.

Daarbij komen sterke tegenstellingen aan het licht. De ecoloog Frans Vera (ministerie Landbouw, Natuurbeheer en Visserij) stelt bijvoorbeeld: 'Waar natuurontwikkeling is, is geen cultuurlandschap meer.' Een opvatting die amper speelruimte laat, maar die er wel toe heeft geleid dat de Oostvaardersplassen niet zijn dichtgeplempt. Anderen hebben genuanceerder opvattingen, zoals zijn vakgenoot Ella de Hullu (Staatsbosbeheer): 'Nieuwe natuur is voor ons ook het herstellen van het oude cultuurlandschap (...).' Een kritisch geluid komt onder meer van landschapsarchitect Han Lörzing (TU Eindhoven): 'Het leuke van het Nederlandse landschap is uiteindelijk de combinatie van aan de natuur ontleende vormen en nadrukkelijk aanwezige menselijke toevoegingen. (...) Ik heb me altijd afgezet tegen allerlei vormen van landschappelijke nostalgie en vals natuursentiment (...).'

De auteur heeft haar vragen aan de betrokkenen duidelijk in de tekst verwerkt en ten dele in de vorm van gesprekken weergegeven. Zo dringt ze haar lezers nergens een standpunt op en komt haar eigen verwondering volop tot uiting. Voor wie zich op prettig leesbare wijze een mening wil vormen over de vele aspecten van natuurontwikkeling is Metz' Nieuwe natuur dan ook zeker aan te bevelen.

Mysterie

De prestigieuze uitgave Oorden van onthouding is een bundeling van een groot aantal, meestal speciaal geschreven, of bewerkte artikelen. De artikelen zijn verdeeld naar drie hoofdthema's. Binnen het eerste thema komen, behalve de (voor)geschiedenis van de EHS, ruim twintig voorbeelden voor van reeds in uitvoering genomen of in de ontwerpfase verkerende projecten. Bij deze laatste worden naast elkaar steeds enkele alternatieven gepresenteerd, waardoor de lezer en passant enig inzicht krijgt in het systeem van het ontwerpen van natuur. Een iets verdere uitdieping van twee of drie van deze voorbeelden was hier echter zinvol geweest.

Het tweede thema omvat bijdragen van kinderen tot critici. Tot de laatsten behoort Adri Dietvorst, die zich onder meer afvraagt of de aan snelle behoeftebevrediging en zappen gewende bezoeker van uitgestrekte natuurgebieden het geduld nog zal kunnen opbrengen stil te wachten op het 'beloofde wild'. Binnen het derde thema - de praktijk - komen opvattingen van wetenschappelijke bureaus van enkele politieke partijen aan bod. Het meest verrassend hiervan is wel de volgende stelling, die laat zien dat over natuurontwikkeling met iedereen te praten valt: 'GroenLinks zal daarbij steeds sterk opkomen voor alle vormen van natuur, hetzij natuur in een natuurgebied, gekoppeld aan culturele functies als bijvoorbeeld recreatie en landbouw, hetzij natuur in de leefomgeving van mensen, als logisch onderdeel van agrarisch, stedelijk of infrastructureel gebruik.' Zelfs de meest op behoud van natuurwaarden gespitste politieke partij in ons bestel laat hier zien dat de mens als actor een belangrijke factor is in de natuur en dat niet voorbij kan worden gegaan aan cultuurwaarden.

In het laatste hoofdstuk stelt Dirk Sijmons dat er in de ruimtelijke ordening een rangorde van prioriteiten bestaat. Als eerste prioriteit in deze nut-en-noodzaakcultuur ziet hij, net als onze verre voorouders, de waterstaatkundige toekomst. Als tweede noemt hij de planning van de infrastructuur en als derde die van de situering van woningen, bedrijven, landbouw, enz. In de gangbare gedachtegang zou er pas voorbij dit punt ruimte zijn voor het 'mysterie van het landschap', maar Sijmons pleit voor een inbedding van de natuur in elk van deze prioriteiten door de natuur via natuurbouw 'nut' te geven. Hiernaast kan de natuur 'betekenis' krijgen en een symbool zijn. Hij stelt: 'Nutteloosheid is misschien wel het hoogst haalbare in ons functionele landschap. De nieuwe natuur opvatten als de 'oorden van onthouding' (...) is daarmee de ultieme cultuurdaad.'

Oorden van onthouding leest door de veelheid aan informatie en door de in een bundel welhaast onvermijdelijke herhalingen niet als een roman, maar de uitgave geeft wel een gedegen inzicht in het verschijnsel van de nieuwe natuur.