Insecten en planten als schildersmodel

Tentoonstelling: Maria Sibylla Merian. Teylers Museum, Haarlem. T/m 31/5. Publicatie, uitg. Teylers Museum/Becht, 276 pag. ƒ 89,90 (geb.), ƒ 59,90 (paperback, alleen in het museum).

Op een zomerdag ergens in de jaren zeventig van de 17de eeuw, werden drie jonge leeuweriken afgeleverd in het huis van Maria Sibylla Merian. Zij doodde de vogels om ze later in de pan te doen. Maar - zoals Merian zelf heeft beschreven - drie uur later trof ze in de kadavers dikke maden aan. Menigeen zou het ongedierte onverwijld de keuken hebben uitgewerkt, maar bij Merian wekten de maden juist belangstelling. Het is tekenend dat ze het precieze aantal - zeventien - vermeldt, en het feit dat ze de volgende dag waren veranderd in 'een soort geheel bruine eieren'. Daar bleef het niet bij. Merian bewaarde de eitjes meer dan twee weken totdat er, op 26 augustus, 'mooie groene en blauwe vliegen' uitkwamen. Ze vervolgt: 'Ik had moeite ze te vangen, omdat ze zo rap waren. Ik kreeg er maar vijf van te pakken, de andere zijn me allemaal ontsnapt.'

Merian was een nieuwsgierig mens, zoveel is duidelijk uit deze anekdote. Ze interesseerde zich voor de plantenwereld, voor insecten, wormen en vlinders, vooral ook voor het metamorfoseproces van maden en rupsen. Haar leven lang heeft ze naturalia verzameld, onderzocht, geprepareerd en er in gehandeld. Maar bovenal maakte ze er wonderschone voorstellingen van in waterverf of gravure. Een omvangrijke selectie daarvan is te zien op een tentoonstelling die morgen opent in het Haarlemse Teylers Museum. Aan de hand van de werken wordt ook de veelzijdige en avontuurlijke levensloop van Merian toegelicht, met als hoogtepunt een reis naar Suriname, waar ze allerlei exotische planten en dieren bestudeerde, beschreef en in beeld bracht.

Maria Sibylla Merian (1647- 1717) was geboren en opgegroeid in Frankfurt, in een milieu van kunstenaars, handelaars en uitgevers. Ze leerde tekenen, schilderen en prentenmaken in het atelier van haar stiefvader, de stillevenschilder Jacob Marrel. Haar werken uit die tijd zijn vrij traditionele bloemstillevens en waterverfschilderingen van kleine dieren. Ze zijn vaak gebaseerd op geïllustreerde natuurhistorische boeken uit de 17de eeuw. Voorbeelden daarvan - het Florilegius van Johann Theodor de Bry, of beroemde insectenboeken van Joris Hoefnagel en Ulisse Aldrovandi - zijn op de expositie te zien.

Al snel begon Merian zelf de dierenwereld te bestuderen. Als kunstenares en dilettant-onderzoeker onderscheidde ze zich van professionele wetenschappers die afbeeldingen slechts gebruikten als illustratie van hun natuurhistorisch werk. Merian oversteeg het documenterende door overtuigende en aantrekkelijke composities op te zetten, en de diertjes in het juiste perspectief af te beelden op de planten waarop ze werden aangetroffen. Daarmee week haar aanpak ook af van die van de meeste van haar collega-schilders, die zich voor het afbeelden van planten en dieren doorgaans verlieten op voorbeelden van voorgangers.

Veel van Merians werk is gemaakt om in boekvorm te worden uitgegeven. In de tentoonstelling zijn zowel originele schilderingen te zien als gravures die Merian zelf of anderen ernaar sneden. De planten en bloemen zijn nauwgezet en in heldere kleuren geschilderd, en de rupsen, insecten en vlinders die erop zitten, bijzonder gedetailleerd. Soms gaat het om verschillende soorten insecten, maar vaker is het hele proces van gedaanteverandering, van rups via cocon en pop naar vlinder, op zo'n plant in beeld gebracht.

Hoezeer Merians werk ook berust op objectieve waarneming, toch is de achtergrond ervan in de eerste plaats religieus-stichtelijk van aard: door het afbeelden van de schoonheid van de natuur, tot in haar kleinste onderdelen, werd het bewijs geleverd van de kracht en wijsheid van de Schepper. Dat dit gevoel oprecht was en niet zomaar een legitimatie voor haar werkzaamheden, bewijst Merians intreden in de religieuze sekte van 'labadisten' - volgelingen van Jean de Labadie - die deze overtuiging hoog in het vaandel schreven. In Friesland hadden de labadisten een gemeenschap waar Merian, samen met haar twee dochters, enkele jaren heeft gewoond en gewerkt. Kort voor die gemeenschap uiteenviel verhuisde Merian naar Amsterdam.

Die stad moet voor haar in intellectueel, artistiek en economisch opzicht een voorpost van het paradijs zijn geweest. Daar woonden opdrachtgevers en verzamelaars van naturalia, zoals Nicolaes Witsen, Frederik Ruysch en Albertus Seba, die haar preparaten en voorstellingen afnamen; daar waren botanische tuinen waar ze haar onderzoek kon doen. In Amsterdam zal Merian ook de preparaten van uit verre streken geïmporteerde insecten hebben gezien, die haar nieuwsgierigheid wekten. Die leidde tot een, voor alleenstaande vrouwen destijds ongebruikelijke, reis naar Suriname.

Na twee jaar keerde Merian terug in Amsterdam, waar ze op grond van ter plekke gemaakte studies begon aan het hoofdwerk, Metamorphosis Insectorum Surinamensium. In de tentoontelling is een serie aquarellen voor dat boek opgehangen - waarvan er zo'n veertig in bruikleen zijn gegeven door de Academie der Wetenschappen in St. Petersburg. In een apart kabinet wordt een aantal edities van de boeken die zijn geïllustreerd met prenten naar die schilderingen getoond. Het pronkstuk is een exemplaar van de Nederlandstalige editie, in uitzonderlijk groot formaat, opengeslagen op de pagina die een in verbluffend helder geel, groen en rood ingekleurde prent van een bananenplant toont. Een editie die er vlak naast ligt - kleiner en met niet-ingekleurde platen - valt in vergelijking daarmee bijna tegen. Dat zegt minder over de kwaliteit van die gravure dan over de pracht van al die andere werken van Maria Sibylla Merian, waarmee deze expositie het oog heeft verwend.