In de serene blauwiteit

Jacques Hamelink: Zeegezang inclusief Gesternten van Frederik de Zeeman. Querido, 184 blz. ƒ 49,90

Een tropisch paradijs met zon en zee, koraalstrand en palmen: dat is wat de Nederlandse ontdekkingsreiziger Jacob Le Maire ziet als hij, ergens in 1615, met zijn schip voor anker ligt bij Kokoseiland. Een 'berghoge oase' ziet hij, 'bezield van zeiszilvergroenbladig tinkelende palmbomen' met 'hun aanhankelijke notetrossen'. Hij laat zijn oog gaan over 'de opgaande wandelpaden' en 'het koraalzandwitsel' aan de voet van de berg, over de vele kano's die daar in zee steken en over de parelduikers die naar het schip toe komen, 'deze door pure schoonheid blesserende zwemkunstenaars.'

Mooie regels. Ze vormen nog maar het begin van een lang gedicht, maar ze bevattten al genoeg mooie formuleringen om wat langer bij stil te staan. Mooie woorden: zeiszilvergroenbladig, koraalzandwitsel. Het verrassende beeld van de oase: meestal gebruikt voor een waterrijke plek in een verder dorre woestijn, maar hier voor een eiland midden in de oceaan. Opmerkelijk gebruik van 'aanhankelijk' dat hier zijn oorspronkelijke betekenis terug krijgt: gezegd van kokosnoten die letterlijk aan palmbomen hangen. De duikers heten 'zwemkunstenaars' en ze 'blesseren': niet zichzelf, maar de toeschouwer, met hun mooie lichamen.

Zo valt er, louter stilistisch, nog wel meer op te merken over deze regels. Ze zijn te vinden in Zeegezang, de nieuwe bundel van Jacques Hamelink. Maar als we de dichter mogen geloven zijn ze niet van zijn eigen hand, maar geschreven door een met Le Maire meevarende 'musicijn', luisterend naar de naam Frederik de Zeeman. Voor diens zeezangen (of 'gesternten', zoals hij ze zelf noemt) zou Hamelink grootmoedig een plaats hebben ingeruimd tussen zijn eigen zee-gezangen. Aannemelijk is het niet, maar dat doet er natuurlijk niet zo veel toe. Zeegezang is een geval van historische fictie, net als Hamelinks voorvorige (en al even lijvige) bundel Folklore Imaginaire de Flandre, die geschreven zou zijn door ene Aarnout Dees, met voor Hamelink zelf slechts de rol van ijverige tekstbezorger.

Intussen wijst alles in Zeegezang erop dat hij zich voor zijn zeezangerspersonage grondig heeft gedocumenteerd, zodat er in de meeste gedichten al meteen een aantrekkelijke driedubbele spanning ontstaat: tussen historische waarheid, de licht vertekende blik waarmee deze Frederik de gebeurtenissen zou hebben kunnen waarnemen en de ondanks alle inleving toch aanwezige moderne taal en geestesgesteldheid van Hamelink zelf. Het effect van deze, per gedicht ook nog eens wisselende verhoudingen lijkt duizelingwekkend, maar in de praktijk leveren ze vooral levendige, rijk geschakeerde en geestige poëzie op.

De fijnbesnaarde Jacob Le Maire, een 'prins' en een 'meester-dromer' genoemd, wordt hier omringd door een bonte stoet van andere zeevarenden, meestal met een iets minder humane inslag: zeehelden en zeebonken als Michiel de Ruyter, Witte de With en Van Heemskerk, wal- en potvisvaarders, slavendrijvers en allerlei anderen die ooit wilden te kaperen varen. De roemruchte Hollandse zeehistorie, gezien door het oog van Frederik de Zeeman, wordt afgewisseld door een eigen verwerking van de tocht van de Argonauten, gezien door het oog van de meevarende dichter Orpheus. Ook daarover schrijft Hamelink alsof hij er zelf bij is geweest. En daarbij voegt zich dan nog, om me tot de drie hoofdingrediënten van deze Zeegezangen te beperken, een Polynesische laag: een eerbetoon aan de vriendelijke bewoners van de Zuidzee-eilanden en aan hun al evenzeer van zee vergeven vertel- en liedkunst, en meer in het bijzonder aan hun 'edelmoedige' balladenverteller Te Rangi Hiroa.

Zeegezang is dus een rijk en bont boek, dat zich met al zijn vermommingen, verwijzingen en vermengingen van talen, tijden en culturen moeilijk laat samenvatten - maar dat lijkt me ook helemaal niet de bedoeling. Wat al deze honderd, in een strakke bundelstructuur ondergebrachte gedichten gemeen hebben is het thema van de omzwerving, de eeuwige zoektocht naar nieuwe werelden achter de verre horizon, met geen ander houvast dan een schip, in ongewisse omstandigheden. Het is al bijna vanzelf een symbool voor het gedicht en de dichter. Dat Hamelink hier in verschillende vermommingen als meevarende musicijn heeft aangemonsterd, hoeft niet te verbazen: het is de ideale positie voor de bevlogen, lyrische, zichzelf niet herhalende, zoekende dichter die hij altijd al geweest is.

Het zeewezen levert hem stof te over voor zijn rijke verbeelding en zijn grote inlevingsvermogen, en gelegenheid genoeg voor het verbinden van historie en heden, schijn en wezen, hoge idealen en lage driften. In heel verschillende versvormen, variërend van strakke sonnetten tot vrije zangen, bestrijkt hij hier een breed gebied: van prachtig ijle onderwaterwereldverzen tot breed geschilderde zeeslagverslagen, van Grieks-mythologische zingzang met de goden tot ontroerende Polynesische eenvoud. De stemmingen en benaderingen wisselen van rustig en teder, zoals in de sprookjesachtige afdeling over Le Maire, tot grof en ontluisterend, zoals in de vele ronduit spannende vertellingen over muiterij, waanzin en gruwelijke mishandeling.

Ze worden bezongen in Hamelinks eigen, unieke, al even rijke en gevarieerde stijl: een mengeling van scheepvaart- en zeebonkentaal, oude woorden en neologismen, wetenschappelijke termen en dichterlijkheid. Van 'de ectoplasmawording des vleses' tot 'de serene blauwiteit', van 'het nobelgevleugeld vogelenigma' tot 'de majestueuze zilverzeisschoonheid' van ijsbergen. Het is bizarre poëzie, merkwaardig en moeilijk misschien, met enorm lange zinnen en een rare zinsvolgorde soms, vreemde afbrekingen en een eigenzinnige spelling, maar het klopt grammaticaal allemaal. En het overtuigt: lastige lyriek, maar het is juist de last van de verwrongen syntaxis die je de lyrische ervaring in dwingt en je, net als Frederik, brengt tot het ware 'lijden aan muziek.'

In de twee losstaande slotverzen keert de bundel weer terug in de thuishaven, zoals het hoort na tientallen omzwervingszangen. Hamelink meert af in Rotterdam, stad van Witte de With, Ahoy en Poetry International. En hij laat daar zichzelf ook nog even zien in een prachtig portret van 'een wurmensteker' die nabij Ossenisse aan de Schelde zat te vissen, en 'half buiten westen raakte / van de wiegeling zijner erfzee.' In zijn lichte hoofd zag hij een stil, wit en snel zeilend schip verschijnen waarvan de lokroep zo sterk was dat hij 'overzee kon / lopen en aan boord ging van de Hemelsebruidegom.' Het is niet moeilijk om in deze jongen ook trekken van Hamelink zelf te zien: een 'reëel wezen van hoge statuur' zoals hij wordt genoemd, een realist die licht in mystieke visioenen en lyrische vervoeringen verzeild raakt, een wurmensteker uit de buurt van Ossenisse die als hij wil zomaar over het water lopen kan.