Gesprek met Gielijn Escher, ontwerper van affiches; Hij laat de letters dansen

Tussen de honderden aanplakbiljetten in een stad vallen die van Gielijn Escher op door hun rust. In zijn vormentaal treft een sierlijkheid, die soms doet denken aan de krul van de staart van een woerd. Morgen gaat er een tentoonstelling open met meer dan honderd van zijn affiches.

Tentoonstelling Gielijn Escher, Pulchri Studio Lange Voorhout 15, Den Haag. Van 14 maart t/m 5 april. Openingstijden di-vrij 11-17 uur, za zo 13-17, ma gesl. Inl. 070 3461735

“De sproetjes op een snavel van een wilde eend, heb je die wel eens goed bekeken? Of de staalblauwe vleugelspiegels? Prachtig. Dat zijn stukjes vormgeving waarop niets valt af te dingen.”

Als de schoonheid van een eend ter sprake komt, verandert er iets in de toon van Gielijn Escher. Dan wordt hij lyrisch.

Als de 52-jarige kunstenaar het heeft over zijn vak, affiches ontwerpen, is hij bedachtzamer. Hij spreekt er weliswaar gepassioneerd over, maar hij formuleert zorgvuldig. Afgewogen, of hij op zijn hoede is. Die reserves laat hij gaan als het over de natuur gaat. “Als je een das in de schemering ziet, zo'n dier met zijn zwart-witte kop, dat is een geweldige ervaring.”

Kijken in de natuur maakt je 'innerlijk rijk', zegt Escher, die woont en werkt in Amsterdam, maar die er veel op uittrekt.

Hij ontleent aan de natuur niet rechtstreeks de inspiratie voor zijn affiche-ontwerpen, afgelopen najaar bekroond met de Prins Bernhard Prijs voor toegepaste kunst. Maar, zegt hij, “op de achtergrond speelt de natuur een belangrijker rol dan je op het eerste gezicht zou denken.”

En dan bedoelt hij niet alleen dat hij soms buiten wandelend ineens een idee krijgt voor een vondst, waarmee hij tekst en beeld op een bijzondere manier kan samenklinken op een affiche.

Ook in de vormentaal van zijn werk is iets van de sierlijkheid van de krul in de staart van een woerd terug te vinden. Neem bijvoorbeeld de letters. Hij gebruikt ook wel bestaande letters, maar soms voldoen die niet om de boodschap over te brengen, of om de juiste sfeer te krijgen die hij voor het affiche zoekt. Dan ontwerpt hij ze zelf. Die Escher-letters zijn vaak organisch van vorm, met gestileerde rafelige of lobbige randen. Niet een van die letters is hetzelfde, maar ze zijn wel duidelijk leesbaar, en steken altijd scherp af tegen de donkere achtergrond die hij voor zijn affiches gebruikt.

Neem het affiche dat hij in 1994 maakte voor het Amsterdams museum Het Kattenkabinet ter gelegenheid van de tentoonstelling De kat in de reclame. Op een gele achtergrond zien we een zwart silhouet van een kattekop, met groene ogen en grijze neus en snorharen. Die zwarte kop gaat over in een zwart vel papier, dat opkrult als een opgerold affiche. Op die zwarte affiche-kattenkop staat, grillig, maar duidelijk leesbaar: 'De kat in de reclame'. In typische Escher-letters, die als bladeren aan een boom leken te zijn gegroeid, en vervolgens door tuinman Escher werden bijgesnoeid tot ze precies goed waren. Zoals de gescheurde letters van de oud-directeur van het Stedelijk Museum en grafisch ontwerper Willem Sandberg altijd onmiddellijk herkenbaar waren de op een affiche, zo herken je ook meteen de Escher-letters, en een Escher-affiche.

Want tussen al die honderden aanplakbiljetten die in een stad hangen, vol foto's, pakkende teksten en schreeuwende kleuren, vallen die van Escher op door de rust die er vanuit gaat. Door de aandacht voor speelse en subtiele typografische effecten. Ze zijn gemaakt met gevoel voor detail en de rustige aandacht die je ook nodig hebt om de donkere spikkels op een oranje-gele eendensnavel te ontdekken en te waarderen.

Landschap

Gielijn Escher, 52, achterneef van de bekende tekenaar en graficus M.C. Escher, noemt zichzelf kunstenaar. Hij is meer dan een ontwerper, of iemand die als een reclame-maker de wensen van een opdrachtgever omzet in een aanplakbiljet.

Hij had wel kunstschilder willen worden. “Soms vind ik een landschap zo mooi, dat ik er een mooi schilderij van zou willen maken,” zegt hij. Maar schilderen, daar ligt zijn talent niet: “Streven naar een volmaakte eenheid van tekst en beeld, werken met kleurige contrasten, daarin ligt mijn artistieke uitdaging.”

De fascinatie voor de typografische kunst was er al vroeg. Als vijfjarige begon hij met het verzamelen van de plaatjes op sinaasappelkisten. Ze werden gemaakt door anonieme tekenaars en typografen, die hun gevoel voor belettering, vormgeving en afbeelding uit konden leven op die merkplaatjes, als ze maar kleurig en duidelijk waren - dat was de enige eis die de opdrachtgever stelde. “Van sinaasappelmerk naar affiche was maar een kleine stap; zo ging ik al gauw letten op wat je in de stad zag aangeplakt, zowel commercieel als cultureel.”

Zo begon hij van lieverlede ook affiches te verzamelen. HIj scheurde ze soms van de muur, bijvoorbeeld die van de door hem bewonderde ontwerper Frans Mettes, die onder meer voor Heineken, Hartevelt, Chief Whip en Droste aanplakbiljetten ontwierp. Escher werd zetter bij de Amsterdamse biljetdrukkerij in de jaren zestig, en maakte zich daar de typografische kant van het vak eigen. In de jaren zeventig begon hij zelf affiches te ontwerpen. Hij voelde zich vooral aangetrokken tot 'de affiches van hoge kwaliteit' voor culturele evenementen. Daarop richtte zich zijn aandacht.

Uit die jaren stammen bekende ontwerpen van hem, die door de Prins Bernhard Fonds-jury geroemd worden, zoals een affiche voor het Holland Festival. 'De zomer moest erin doorklinken,' schrijft de jury, 'vandaar de kleur groen. De waaier die aan zomeravonden in het theater doet denken, kreeg de nationale kleuren rood wit en blauw (-). En wie herinnert zich niet het affiche voor het 'Festival of Fools' met de zilveren lachende halve maan, als een vrolijke, overslaande golf tegen de achtergrond van een geheimzinnige, donkere sterrenhemel?'

Ook zijn huidige ontwerpen vallen nog altijd op doordat ze helder zijn, goed leesbaar, en altijd een vondst hebben, een grap met letters of afbeelding, waardoor de boodschap die het affiche over moet brengen extra opvalt, en in het beste geval in de herinnering blijft haken. Zoals de kattenkop die overgaat in een opkrullend aanplakbiljet.

In bed

Die vondsten en gimmicks zijn meer dan een grapje. Ook in affiches die iets serieus of ernstigs aankondigen, weet Escher vaak een vondst te verwerken, die de mededelingen versterkt. Hij spreidt op de tafels in de Amsterdamse kunstenaarssociëteit Arti een nieuw affiche uit: de aankondiging van een nieuwe dansvoorstelling van de dansgroep Krisztina de Châtel, getiteld Duetten. Op een donkere achtergrond staat dat woord twee keer, een keer ondersteboven, waarbij de 'u' en de 'e' van het ene woord samenvallen met de 'e' en de 'n' van het omgedraaide woord. Twee keer het woord duetten, die samen lijken te dansen.

Het zoeken naar zo'n vondst is het moeilijkste werk, vindt Escher. “Soms, als ik wandel, of als ik in bed lig, heb ik het ineens. Dan zie ik het affiche ineens voor me, alsof het al in de stad hangt.” Zo'n idee schetst hij, en dan blijft hij tot in de drukkerij bezig het ontwerp aan te passen, totdat het het beste tot zijn recht komt.

Hij heeft ook zelf in de stad geplakt, affiches van hemzelf en ook wel van anderen. Hij huurde delen van de aanplakruimtes af, waar hij dan zijn eigen affiches in serie hing, in een mooi, opvallend ritmisch geheel. Het wordt, ook weer door de jury van het Prins Bernhard Fonds, gezien als bewijs van de zorg die Escher besteedt aan zijn affiche-kunst.

Natuurlijk speelt die zorg mee. Maar er is ook een veel prozaïscher reden voor zijn werk als plakker, vertelt Escher in Arti. “Van affiche-maken alleen kun je in Nederland niet leven. Dus ben ik gaan plakken, als bijverdienste, want ik heb als kunstenaar nooit afhankelijk willen zijn van een steunregeling als de BKR. Omdat ik vooral altijd affiches maakte voor culturele instellingen, ben ik ook voor hen affiches in de stad gaan plakken. Dat gaf me mooi de gelegenheid voor schakelaffiches, die samen weer een patroon vormden.” Tot zijn spijt is de affichekunst voor het grote vlak, zoals in steden als Parijs en Londen gebruikelijk is, in Nederland amper ontwikkeld.

Postzegel

Escher plakt incidenteel nog wel eens affiches in opdracht. Want ondanks het feit dat hij nu gelauwerd is door het Prins Bernhard Fonds, en onlangs exposeerde in het Deutsches Plakat Museum in Essen, Duitsland, en vanaf morgen een tentoonstelling heeft in Pulchri in Den Haag, krijgt hij minder opdrachten voor affiches van culturele instellingen dan in de jaren zeventig en tachtig. Er zijn trouwe opdrachtgevers, zoals de dansgroep Krisztina de Châtel en de KPN, voor wie hij postzegels en een telefoonkaart ontwierp. “Maar verder is het net of de opdrachtgevers in het culturele circuit hun nek niet meer durven uitsteken. Ze willen allemaal het liefst een affiche met een schokkende foto erop. Ze denken dat dat het grote publiek aanspreekt. Ze zijn bang om iets te laten maken dat uit de toon valt. ”

Escher vindt dat jammer. “Terwijl ze juist meer geld aan publiciteit te besteden hebben. Ook bedrijven hebben er meer geld voor over, maar ze durven een opdracht niet te gunnen aan een kunstenaar die een eigenzinnig ontwerp maakt.”

Hij heeft er niet veel mee op, met dergelijke foto-affiches. “Begrijp me goed, fotografie op affiches is niet verkeerd; er zijn prachtige dingen mee te doen. Wat affichemakers als Piet Zwart en de minder bekende Herman Moerkerk deden was revolutionair. Maar op 99 procent van de culturele affiches is het treurnis. Men grijpt uit gemakzucht naar fotografie. Het wordt allemaal door de computer gedraaide eenheidsworst.

“Een getekend affiche, waarin het handschrift van de kunstenaar herkenbaar is, is altijd spannender,” vindt Gielijn Escher. “En ik praat niet alleen voor mezelf. Van Nicolaas Wijnberg heb ik al jaren geen theateraffiches gezien. Dat is echt doodzonde. En een kunstenaar als Frits Müller zou toch ook voor het theater prachtig werk kunnen maken.”

Foto's zul je op Eschers affiches zelden aantreffen. Letters, typografie en zelfgemaakte tekeningen of beeldmerken overheersen.

Hij geeft toe dat hij zijn collega-affiche ontwerper, de vormgever Anton Beeke als vertegenwoordiger ziet van die trend: “Beeke is mij te trendgevoelig. Daarom heb ik uiteindelijk ook geweigerd om mee te werken aan zijn onlangs verschenen boek over affiches in Nederland, Dutch Design. Mij wou hij voornamelijk opvoeren als een soort relikwie, een overjarige hippie uit de jaren zeventig - terwijl mijn recentere werk grotendeels werd genegeerd. Ik heb Beeke ook gezegd dat ik bovendien graag wat collega's, met wie ik mij verwant voel, opgenomen wilde zien in het boek. Maar dat was voor Beeke niet bespreekbaar. Vooral het ontbreken van het werk van Frans Mettes is een gotspe: Mettes is tot begin jaren tachtig beeldbepalend geweest voor de affichekunst in de stad. De wereld van 'Dutch Design' is een sekte,” zegt Escher, “en ik wil daar niet bij horen.”

Hij overweegt het geld van het Prins Bernhard Fonds - dat voor een deel aangewend moet worden voor een project op zijn vakgebied - deels te besteden aan een oeuvre-catalogus van hem zelf.

Carte blanche

Dat hij minder opdrachten van culturele instanties krijgt dan voorheen, ziet hij als een teken des tijds. “Aan het begin van deze eeuw was het gebruikelijk dat bedrijven aan kunstenaars het vertrouwen schonken om affiches te ontwerpen. Nu durven zelfs de directeuren van culturele instanties een kunstenaar al niet meer carte blanche te geven, en kiezen voor een reclame-bureau benadering.” Volgens hem komt dat onder meer door een onderschatting van de smaak van het publiek. “Uit mijn ervaring als plakker in de stad weet ik dat het publiek een veel ontwikkelder smaak heeft dan opdrachtgevers denken. Als ik op straat stond te plakken, kwamen mensen vaak mooie affiches vragen.”

Dat gebrek aan durf bij opdrachtgevers, hun steeds frequentere knieval voor de commercie en gebrek aan vertrouwen in de kunstenaar, is volgens Escher een algemeen maatschappelijk verschijnsel, dat niet alleen op de aanplakborden in de stad zichtbaar is. “Neem het plan om het Museumplein in Amsterdam in te richten. Nu moet naast het Stedelijk Museum de grasmat omhooggetild worden, omdat daar zonodig een supermarkt moet komen. En die moet zondag ook open. Alsof Albert Heijn nog niet genoeg verdient. Het wordt steeds meer een commerciële heksenketel. Op zondag een rustige wandeling maken door Amsterdam is tegenwoordig niet meer mogelijk.”

Hij zou liever een heringericht Museumplein zien met vijvers, rododendrons en bomen, waar je rustig flaneren kan. En in het midden bijvoorbeeld een reconstructie van de vernietigde toren van de constructivistische kunstenaar Vladimir Tatlin, het Monument voor de Derde Internationale uit 1919. Maar dat plan past niet in deze tijd. “Nu wordt het van alles wat, en helemaal niks.” Het pas allemaal bij een dédain voor wat mooi is, een “schaamteloze aantasting van de binnenstad van Amsterdam, die maar voortgaat, en die begonnen is in de jaren zestig met de bouw van het lelijke gebouw voor de Universiteits Bibliotheek aan het Koningsplein. Als het zo doorgaat komen de toeristen straks niet meer, want dan is er teveel moois verdwenen uit Amsterdam.”

Ondanks al die sombere observaties is hij niet pessimistisch, zegt Escher. “Ik ben positief, ik zoek het zonlicht. Maar je moet je ogen niet sluiten voor de realiteit. Ik hoop dat ooit de wal het schip zal keren. De mensen willen niet dat alles om hen heen volgeplempt wordt met lelijkheid.”

Hij heeft ook daarom, uit eigener beweging, affiches gemaakt tegen ondermeer het Muziektheater (de 'Stopera') en de vorming van de stadsprovincie Amsterdam. Hij is, zegt hij, een geëngageerd kunstenaar, maar niet zoals dat in de jaren zestig bon ton was. “Dan had je kunstenaars die een galerie vol hingen met ellendige foto's. Volgens hen uit solidariteit met de slachtoffers in Vietnam, terwijl ze een dikke sigaar rookten en een glas bier dronken. Dan dacht ik: 'Ben jij wel zuiver?' Kunst moet voor zichzelf spreken. De praatjes er omheen tellen niet.”