Genot en politiek op de agora; Parenclubs in Athene

James Davidson: Courtesans and Fishcakes. The consuming passions of classical Athens. HarperCollins, 372 blz. ƒ 97,-

Aristofanes: Kolenbranders, Wespen, Kapitaal. Vertaald, ingeleid en van aantekeningen voorzien door Hein L. van Dolen. Querido/Baskerville-reeks, 230 blz. ƒ 69,-

Onze politici liepen afgelopen weken over de markt terwijl ze pamfletten verspreidden, praatjes maakten en steelse blikken wierpen naar de televisiecamera's. Wat we ondertussen niet te zien kregen, was of zij tussendoor ook wat inkopen deden. Het lijkt moeilijk voorstelbaar: Kok met een kilo vongole, een paar verse knoflookbollen en een bos peterselie in zijn fietstas en Bolkestein met een streng lamsworstjes, een gigantische zeeduivel of een bundel pak-soy. Niet alleen omdat Nederlandse politici de indruk moeten wekken vooral van draadjesvlees, spruitjes en aardappelen te houden. Maar ook omdat de dagelijkse leefroutine van voedsel, drank en andere fysieke behoeften in onze ogen niet relevant is voor iemands geschiktheid als volksvertegenwoordiger. Als De Hoop Scheffer te veel uitjes bij zijn haring doet, is zijn reactie géén nieuws.

Maar het kan ook anders. In het oude Athene waren politici voortdurend op de markt aanwezig. De markt (de agora) was de plek waar men elkaar ontmoette èn tegelijkertijd de plaats om vis te kopen. Of het nu aal en barbeel voor de rijken of sprot voor de gewone man betrof: alle Atheners deelden een passie voor vis.

Dit wordt treffend geïllustreerd door een anecdote die James Davidson in zijn hoogst vermakelijke, interessante en vernieuwende Courtesans and fishcakes vertelt. De aankomst van de vangst in de haven werd op de agora gemeld met een belsignaal. Op een morgen staat een intellectueel op een zeepkist een geleerd verhaal te houden. Plotseling luidt de bel, waarop het publiek zich onmiddellijk uit de voeten maakt. Slechts één man blijft staan. De intellectueel dankt hem en prijst zijn belangstelling, ondanks het luiden van de bel. 'Wat zegt u daar?' antwoordt de hardhorende man. 'Is de bel gegaan? Pardon, dan moet ik gaan, anders zijn alle mooie vissen weg'.

Vis, dat in het archaïsch dieet van de Homerische helden alleen voorkwam in barre noodzaak, werd in het geseculariseerde klassieke Athene een rage. Dat komt, denkt Davidson, omdat vlees tijdens civiel-religieuze plechtigheden door de verzamelde congregatie als offermaal werd genuttigd. Het werd bovendien na de rituele slachting in gelijke porties verdeeld. De ossehaas werd daarom versneden met niervet. Zo kon men nooit op kwaliteit rekenen. Bij vis was dat anders. Die kocht je per stuk. En per soort.

Alcoholisten

De anecdotes in Davidsons boek zijn verrukkelijk. In plaats van Winkelmanns stereotype oude Grieken, met hun edele Einfalt und stille Grösse, brengen zij een luidruchtige en bruisende wereld voor ogen met een ongehoord rijk scala van merkwaardige types. Van gourmands, die een kraanvogelnek wensen om de vis langzamer op te slokken, tot alcoholisten die op een ei gaan zitten en blijven drinken tot het uitkomt.

Ook de politiek komt in het boek tot leven. Neem de volgende verwensing: 'moge je potje calamari sissend op het vuur staan; moge je dan een gigantisch smeergeld geboden worden. Moge je je willen haasten om je calamari en je smeergeld te incasseren, maar moge de omkoper je komen halen voor de vergadering voor je hebt kunnen eten. En moge je dan in je inktvis stikken met je mond vol'. Het slachtoffer van deze verwensing is de vulgaire politicus Cleon. Hij hield niet van de aristocratische gewoonte om wijn met water aan te lengen en evenmin van de conversaties in het beschaafde symposion. Voor hem geen ondiepe kulikes, gevuld met door verdunning amethyst-kleurige wijn, maar een stevige borrel uit een diepe kruik, 's morgens vroeg in de kroeg aan de rand van de agora.

De matiging in het symposion was maar schijn. Uiteindelijk mondde het altijd uit in dronkenschap, hoererij en ordeverstoring. Maar door het gedrag van bijna alle Atheense politici, die door redenaars en komediedichters in de klassieke periode zijn gehekeld, loopt toch één rode draad: gulzigheid kon ook staatsgevaarlijk zijn. Op basis van de conversaties in Athene over de consumptie van vis, wijn en seks trekt Davidson conclusies over de aard van de Atheense democratie. Die conclusies zetten op een aantal punten de communis opinio van de oudheidkundigen op hun kop. Ze nopen bovendien tot reflectie op onze eigen consumptiemaatschappij en onze eigen democratie.

Dat lijkt een gevaarlijke koers. Met name Foucault heeft benadrukt hoe groot het verschil is tussen onze cultuur en de antieke. Maar Davidson laat aan de hand van een groot aantal roerend herkenbare voorbeelden zien dat de nadruk op het verleden-als-een-andere-wereld zijn doel voorbij kan schieten.

Geneugten

Waarom is gulzigheid zo staatsgevaarlijk? Omdat wie zich niet kan beheersen, steeds meer nodig heeft. Eerst slurpt hij zijn eigen vermogen op, vervolgens dat van anderen en uiteindelijk dat van de staat. Het klassieke Athene kende namelijk nauwelijks directe belastingen. De staatskas was afhankelijk van 'vrijwillige' bijdragen van de welgestelden, die het verzoek kregen projecten in de publieke sector te financieren. Dit publieke corvee bracht eer en aanzien, maar anderzijds gold het motto noblesse oblige. Wanneer de rijken al hun fondsen voor eigen genot gingen gebruiken, zou er voor de burgers niet genoeg overblijven.

Zo bezien is Apollo's beroemde lijfspreuk mèden agan ('niets te veel') niet zozeer een categorisch imperatief alswel een sociaal-economische noodzaak. En zo is het steeds luider klinkende protest tegen overschrijding van deze norm vanaf het eind van de vijfde eeuw voor Christus een signaal van de overgang van een collectieve naar een individualistische samenleving. Wantrouwen is dus de achtergrond van Atheense klachten over mannen die armoede voorwenden, maar op de markt wel de grootste en duurste zeebaarsen inslaan. Het opschrokken van dure vis is 'buitengewoon ondemocratisch', zoals een teleurgestelde liefhebber het formuleerde die te laat op de markt kwam. Het lijkt verbijsterend hoe sterk het Atheens politiek discours gedomineerd wordt door zulke klachten over te veel (vis)etende, drinkende en copulerende politici. Maar het is eigenlijk logisch. Die consumptie kost geld, gemeenschapsgeld.

Omdat de politieke polemiek vaak de seksuele gedragingen van de Atheners betrof, is een groot deel van Davidsons boek gewijd aan de seksuele moraal en de daaraan gekoppelde seks-industrie. Ook dat oogt actueel. Weinigen vinden het gebonk op het bureau van het oval office een moreel delict op zichzelf: maar als de onbeheersbaarheid van het presidentiële deel interfereert met het staatsbelang ontstaat er een probleem. Is die interferentie het probleem of is de onbeheersbaarheid alleen al genoeg om iemand niet met belangrijke verantwoordelijkheden te bekleden? Klassieke Atheners neigen tot het laatste antwoord. Zij het niet op moraliserende maar op functionele gronden. Onbeheerst gedrag is niet per definitie slecht. Maar wie zijn deel niet kan beheersen, beheert ook de staatskas niet goed, omdat hij steeds geld voor zichzelf nodig zal hebben.

In deze context komt een belangrijke kwestie aan de orde: de veronderstelde dominantie van homoseksualiteit over heteroseksualiteit in Athene respectievelijk van de penetrator over de gepenetreerde. Beide stellingen zijn met nadruk geponeerd in het werk van Foucault en in het invloedrijke boek Greek Homosexuality van de Britse classicus Kenneth Dover (onlangs bij Bert Bakker vertaald). Beide stellingen worden nu door Davidson ontkracht. Heteroseksualiteit was ook in klassiek Athene de norm. Gepenetreerd worden betekende volgens Davidson niet automatisch geknecht worden, slaaf zijn, vernederd worden.

Vrouwen waren namelijk belangrijk in Athene. Tussen wettig echtgenote (sterk afgeschermd van het openbare leven, als in een harem) en hoer bevond zich een rijk scala aan dames en meisjes dat door Davidson nauwkeurig in kaart wordt gebracht. Overspel was bovendien strafbaar. Echtbreker en echtgenote mochten, op heterdaad betrapt, zelfs gedood worden. Ook zware boetes kwamen voor, alsmede de unieke straf van een in de anus gestoken radijs.

Maar juist daarom was er een belangrijk territorium afgebakend voor affectieve en seksuele relaties met allerlei jongens, meisjes, dames en heren: van een snel staand nummer voor één obool - op straat of in het kineterion, het 'beweeghuis' of 'neukerette', zoals Davidson het vertaalt - via een variëteit van geisha's en courtisanes tot en met de 'grandes horizontales', dure vrouwen die aan tafel bij rijken en machtigen spitsvondigheden debiteerden.

Breedreet

Hoe anachronistisch de 'seks-als-macht' theorie is - waarin penetratie de schending van andermans fysieke integriteit symboliseert - blijkt uit het gebruik van het woord katapugoon ('wijdaarsig' of 'breedreet'), een veelgehoorde aantijging, ook in politieke context. De volgelingen van Dover zien iemand, wiens anus door frequente penetratie is opgerekt, als een pathicus: een sukkel en een 'mietje'. Diverse passages uit de komedies van Aristophanes suggereren echter een andere interpretatie. 'De Perzen vinden dat alleen zeer vermogende heren écht eten en drinken' zegt een gezant in de Acharniërs ('Kolenbranders' in de nieuwe vertaling van Hein van Dolen). 'Bij ons vinden ze dat alleen katapugones dat doen', antwoordt de held. Van Dolen vertaalt deze passage aldus: 'in ónze ogen doen de geile nichten dat'. Maar slaat dat wel ergens op? Houden alleen geile nichten van lekker eten en drinken? Nee, het woord 'katapugoon' was allengs 'bodemloos vat' gaan betekenen, het stond voor onmatigheid en niet per se voor onderdanigheid. Het is alleen al daarom jammer dat Van Dolen Courtesans and Fishcakes niet heeft kunnen gebruiken bij zijn interpretatie.

Naast de redevoeringen van Lysias, Demosthenes en Aeschines (en de onschatbare boutades in Athenaeus' Deipnosofist, 'tafelpraat voor heren') vormen de komedies van Aristophanes de belangrijkste bron voor Davidson. Deze komedies - ontstaan in het kader van de Dionysus-rite en opgenomen in een pan-Atheens civiel ritueel - waren meer dan toneelstukken. Het waren ook revues, doorspekt met zang, dans, obsceniteiten en sketches. Bovendien hield de dichter er zijn publiek een (lach)spiegel in voor, waarbij hij de rol van moralist niet schuwde en zijn stadgenoten met naam en toenaam hekelde. De humor schoot heen en weer tussen het niveau van Koot en Bie, Monty Python, Jiskefet en John Lantings Theater van de Lach. Soms flauw, soms verschrikkelijk geestig en vaak volkomen onbegrijpelijk. Dat laatste wordt veroorzaakt door de onophoudelijke verwijzing naar eigentijdse situaties, gebruiken en incidenten waarvan wij het fijne niet meer weten. Ze zijn dus eigenlijk onvertaalbaar.

Daarom alleen al is de poging van Van Dolen zo lovenswaardig. Na de drie 'vrouwenstukken' (Lysistrata, Thesmophoriazusae en Ecclesiazusae, naar mijn smaak nog wat hompig) komt hij met de Kolenbranders (Acharniërs), de Wespen en Kapitaal (respectievelijk Aristophanes' vroegst bewaarde stuk, één van drie jaar later, en zijn laatste stuk, en zo een fraaie staalkaart van de ontwikkeling in zijn werk en die van de Atheense komedie).

Het probleem is natuurlijk dat als je concrete verwijzingen naar concrete situaties bij Aristophanes niet uitlegt en letterlijk vertaalt, het publiek met een dik commentaar op de schoot zou moeten zitten meelezen. Van Dolen wil dat zijn vertalingen gespeeld kunnen worden, en zet grappen dus om in termen die voor twintigste eeuwse Nederlanders begrijpelijk zijn. Daarmee gaat veel verloren - de noten zijn ook te summier - maar het levert nog meer spitse vondsten op, waarbij opvalt dat Van Dolen goedkope anachronismen, zoals grappen over Kok of Clinton, bijna altijd uit de weg gaat. Vooral blijkt, hoe leuk sommige scènes eigenlijk zijn, zoals het 'hondenproces' in De Wespen, of de absurde manieren waarin de procesgekke vader aan de aandacht van zijn hem bewakende zoon probeert te ontkomen in hetzelfde stuk.

Een plot als dat van De Wespen is typerend voor Aristophanes. Een oude, verarmde vader is 'verslaafd' aan deelname aan de jury bij de in Athene zo frequente processen. Hij verdient daar ook een aardige schnabbel aan, omdat deelname vergoed werd. Zijn zoon vindt het allemaal onwaardig, wil sjiek worden, en sluit hem op. Het koor van juryleden, vermomd als wespen probeert de oude te kidnappen, maar vergeefs: het loopt op een confrontatie uit die de zoon wint. Vader gaat bij zoonlief in de leer om heer te worden, maar leert slechts geraas en gebral.

Vaders 'verslaving' geeft Davidson aanleiding te mijmeren hoezeer de lading die dit begrip in klassiek Athene had, verschilt van die bij ons. Verslavingen worden in het Grieks aangeduid met samenstellingen waarvan het eerste deel 'filo' luidt: 'houdend van'. In antieke bespiegelingen over drankmisbruik ontbreekt de factor 'ziekte', 'afwijking', 'rijp voor de Jellinek' geheel: de lol staat voorop. De Griekse benadering van plezier was rationalistisch en menselijk. Er was slechts één beperking: de burgerplicht 'to manage the appetites'.