Een magnifieke 'Hedda Gabler' van Carrousel

Voorstelling: Hedda Gabler van Henrik Ibsen door Carrousel. Bewerking en regie: Matin van Veldhuizen. Decor: Marc Warning. Kostuums: Carly Everaert. Spelers: Marlies Heuer, Marcel Faber, Karla Wieringa, Dic van Duin en Cas Enklaar. Gezien 12/3 Toneelschuur, Haarlem. Te zien t/m 14/3 aldaar. Tournee t/m 30/5. Inl.: (020) 624 84 73.

Haar ritssluiting kiert: Hedda Gabler, zojuist teruggekeerd van haar huwelijksreis, krijgt kennelijk haar prachtige, bloedrode jurk niet meer dicht. Telkens als ze haar rug koket naar de toeschouwers draait, zien we dat ze niet meer in haar robe past. In dit detail schuilt al de hele tragiek van een magnifieke Hedda Gabler, uitgevoerd door theatergezelschap Carrousel in de regie van Matin van Veldhuizen.

Wat wil die niet-sluitende ritssluiting ons zeggen? De man van Hedda Gabler wil zo graag dat ze, tijdens hun zes maanden durende huwelijksreis, is aangekomen. 'Mollig' noemt hij haar. Die slome echtgenoot is meer gesteld op zijn tante Juul dan op zijn vrouw. Ook zij, een lieve huiskwezel, wil dat Hedda Gabler niet meer in haar jurk past: dan zou ze namelijk zwanger zijn.

En Hedda? Die snakt ernaar los te kunnen barsten uit haar verstikkende omgeving. Niks zwangerschap en al dat andere. Geen nauwsluitende kleren. Hedda Gabler verveelt zich, ze is diep ongelukkig, ze wil dood, ze is alleen maar geschapen voor de ultieme zelfdoding - ziet niemand dat?

Theatergezelschap Carrousel maakt een fraaie combinatie van soberheid en lichtzinnigheid in deze Hedda Gabler. Dit stuk van Ibsen, zijn meesterproeve uit 1890, is zo genadeloos mooi opgebouwd en zo pijnlijk van strekking, dat we ruim een eeuw later er toch niet genoeg van kunnen krijgen. Regisseur Matin van Veldhuizen heeft geen dwingende actualisering toegepast, gelukkig niet. Het stuk staat als een huis, met al de humor die het in zich draagt. Van de vele voorstellingen die er in het Nederlands toneel van zijn gemaakt, vind ik deze wel de mooiste: geen slapstick, mannetjesmakerij, feestelijke pret als bij Frans Strijards in 1983; geen ondraaglijke ernst als in 1977 bij de Haagse Comedie. Maar puur het drama.

Op de kale speelvloer staan acht stoelen. Tegen de achterwand zijn kroonluchters geschilderd. Links en rechts van het decor zijn deuren, maar die gebruikt niemand. Wie opkomt en afgaat, loopt eromheen. En dan, opeens zag ik ze liggen, helemaal op de rechterstoel: twee pistolen. En om die pistolen draait het. Hedda, rijke dochter van een generaal, heeft die vuurwapens van haar vader geërfd. Ze speelt en danst ermee. Nog verder gaat ze: ze heeft met die wapens iets erotisch. In een prachtige scène, opgezweept door vioolmuziek, laat ze daar geen twijfel over bestaan.

De zeggingskracht van deze Hedda Gabler is te danken aan de subtiele verhouding tussen detail en grote lijn. Als toeschouwer ervaar je voortdurend de grote lijn van het stuk, en tegelijkertijd maakt elke losse scène zo'n indruk, dat je die grotere samenhang vergeet. Dat de pistolen daar al liggen, bijvoorbeeld, getuigt van een heerlijk inzicht van de regie in de zaken: Hedda schiet zichzelf door het hoofd.

Marlies Heuer in de rol van Hedda Gabler acteert koket, lonkend naar de toeschouwers, ze trippelt heen en weer als een ballerina. Twee krachten komen in haar samen, en in die combinatie is ze perfect: uit verveling tiranniseert ze de wereld om zich heen. Zij hunkert naar opwinding. Haar leven beschouwt ze als versmaad, en dat is iets verschrikkelijks. Daarom moet iedereen om haar heen dezelfde dodendans dansen als zij wil gaan.

Maar om haar heen zijn er alleen maar simpele zielen.

Wat moet ze? De sensatie ontketenen. 'Durf' is een van haar cruciale woorden. Dat iemand de 'durf' heeft zichzelf door het hoofd te schieten, dat is de essentie. Haar man Tesman, gespeeld door Marcel Faber, is in zijn liefde voor haar allesbehalve gepassioneerd maar goeiig. Dat schiet dus niet op. Cas Enklaar als het literaire genie wiens boekwerk-in-manuscript Hedda uit jaloezie verbrandt, is prachtig op dreef in grimmigheid, ongrijpbaarheid en slimme allure. Tegenover hem staat Dic van Duin als de intrigant die, zonder gêne, recht door zee gaat. Zijn opzet is zo overduidelijk, dat hij Hedda eindelijk zover krijgt dat er iets opwindends in haar leven gaat gebeuren.

En als dat eenmaal aan de orde is, een schandaal omdat zij er bij Lövborg op heeft aangedrongen zelfmoord te plegen met een van haar beide pistolen, dan gaat ze vlak tegen het einde van de voorstelling voor het eerst naar achteren. En schiet zichzelf voor het hoofd. Onvervulde verlangens, een leven gevangen in een dodelijk keurslijf waaruit niet weg te breken valt: wat kunnen ze iemand kapot maken. En de Hedda van Marlies Heuer speelt het zo, alsof zij de onoverwinnelijke is die iedereen naar haar hand zet. Maar haar tragiek is, dat zij juist door die waas van superioriteit verblind wordt en haar eigen dood tegemoetsnelt. Ze doet het prachtig, in stijl; een knal, het hoofd kantelt voorover, stilte. Geen bloed. En dan besef je ineens als toeschouwer dat haar jurk de hele voorstelling al bloedrood gekleurd was.