Een hooghartige, eenzame bakvis; Marie Bashkirtseff (1858-1884)

Marie Bashkirtseff: Waarom zou ik liegen? Een keuze uit haar dagboeken 1873-1884. Gekozen, vertaald en van een nawoord voorzien door Marianne Kaas. De Arbeiderspers, Privé-domein, 439 blz. ƒ 55,-

'Ik wil mij in de uitgaande wereld begeven, daar wil ik schitteren, ik wil er het hoogste aanzien verwerven. Ik wil rijk zijn, ik wil schilderijen, paleizen, juwelen. Ik wil het middelpunt zijn van een briljante, filantropische, frivole, politieke kring. Dat wil ik allemaal... moge God het me geven.'

Ziehier het glasheldere en niet weinig ambitieuze credo van Marie Konstantinova Basjkirtseva, bekend geworden als Marie Bashkirtseff. Ze werd geboren in Gavronzi (Oekraine) op 11 november 1858, als dochter van een landedelman en een eveneens aristocratische moeder. Ondanks pogingen tot verzoening van vader Constantin - die er meerdere maîtresses op nahield - viel het huwelijk van haar ouders kort na de geboorte van Marie uiteen. Moeder, Marie en haar jongere broertje Paul, Nadine Romanoff (moeders zuster), een zeventienjarig nichtje, Dina geheten, en grootvader van moeders kant, Babanine met zijn Poolse lijfarts Walitsky, alsmede een aantal bediendes begonnen aan een turbulente tocht door Europa.

Het bonte gezelschap belandt via enkele tussenstops in Nice. Daar had de familie graag aansluiting gevonden bij de aristocratische Russische kolonie. Maar zonder succes. De familie Bashkirtseff was met schandalen omgeven. Er heerste gokverslaafdheid, moeders broer George Babanine was een losbol, het drankzuchtige zwarte schaap van de familie, door zijn scandaleuze leven voortdurend in aanraking met justitie. Erger was nog dat de huisaap van de Bashkirtseffs voor opschudding zorgde door de zoon van Tolstoi in zijn neus te bijten.

In 1873 begint Marie aan haar dagboek waarin opmerkelijke observaties en glansrijke volzinnen worden afgewisseld met poëzie-albumgeleuter. Vrijwel onmiddellijk blijkt uit het dagboek haar weinig realistische verliefdheid op de hertog van Hamilton. Een liefde die slechts is gebaseerd op één keer dat zij hem vanuit de verte zag.

In 1874 gaat het kleine meisje reizen, onder andere naar Parijs, Florence, Schlangenbad, Wiesbaden, Oostende en Londen. In de loop van haar dagboek zal ze ook nog enkele reizen naar haar vader in Rusland ondernemen. Na nog meer uitstapjes, waaronder naar Napels, vestigt Marie zich in Parijs waar ze erin slaagt leerling te worden van de Académie St. Julian, de enige academie waar vrouwen werden geaccepteerd.

De eerste tekenen van haar tuberculose hebben zich dan al geopenbaard, zodat ze haar voorgenomen carrière als zangeres kan vergeten. Ambitieus en energiek als altijd werpt ze zich in de wereld van de kunst, de kunst waarvan ze in haar eigen milieu bitter weinig had opgestoken. Juist omdat haar familie haar op geen enkele wijze artistiek of intellectueel stimuleerde blijft zij altijd eenzaam.

Navrant

Deze eenzaamheid, nog versterkt door doofheid tengevolge van haar ziekte, komt in haar dagboek navrant naar voren. In dit grillige, maar briljante document humain schrijft ze voor het laatst op 20 oktober 1884. Kort daarna, 31 oktober, sterft ze in de Parijse Rue Ampère. Vertaalster Marianne Kaas: 'De romantische dood van het prille, altijd in het wit geklede jonge meisje dat niet de tijd kreeg haar talent tot volle wasdom te laten komen.' Haar begrafenis was ook geheel in het wit, haar lievelingskleur, en leidde haar naar een voornaam kerkhof te Parijs.

Over haar graf schreef Willem Frederik Hermans in Klaas kwam niet (1983): 'Dit bevindt zich op het kerkhof van Passy, die kleine begraafplaats achter de Place du Trocadero gelegen, waar de graven van veel grotere geesten dan Marie Bashkirtseff, zoals Edouard Manet, Gabriel Fauré of Claude Debussy, veel kleiner zijn en moeilijker te vinden dan het hare. Het graf van Marie Bashkirtseff heeft de vorm van een Byzantijnse kapel en steekt boven alles uit. Zelfs als je niet op het kerkhof bent, maar over de Avenue Paul Doumer wandelt, die er beneden langsloopt, kun je het duidelijk zien. Er kan geen twijfel over bestaan: in de musea van de wereld is Marie minder opvallend vertegenwoordigd dan op dit kerkhof. Maar ook haar grafmonument, door niemand meer bezocht of onderhouden, is aan verval ten prooi.'

De nalatenschap van haar korte leven bestaat uit beeldhouwwerken, een serie sublieme schilderijen - behorend tot de academische richting en voor een groot deel te zien in het Musée des Beaux Arts te Nice, een architectonisch voorbeeld van de peperdure krullentijd. Maar haar erfenis bestaat vooral uit haar dagboek, geschreven met fluweel en schuurpapier, en tevens een puntgave spiegel van haar tijd en omgeving. Het is een literair hoogstandje. De Engelse pers sprak van 'een boek van ongekende kwaliteit' en 'een werkelijk geniaal boek'.

De eerste versie van haar dagboek, bezorgd en flink gecensureerd door haar moeder, werd in 1887 gepubliceerd, de laatste, daterend uit 1980, is exact hetzelfde: niet geannoteerd en zonder voor- of nawoord. In de biografie Marie Bashkirtseff, un portrait sans retouches (1984) door Colette Cosnier blijkt duidelijk de censuur van moeder Bashkirtseff, pijnlijke familiezaken worden niet aangeroerd, pikante details uit Maries liefdesleven (zo al bestaand) worden weggelaten terwijl als haar geboortejaar - terwille van de romantiek en het feit dat zij iets te snel na het huwelijk van haar ouders werd geboren - 1860 werd vermeld. Dat staat ook op haar graf.

Colette Cosnier baseerde haar biografie op de originele manuscripten, 84 cahiers en notitieboekjes, die zich in de Bibliothèque Nationale te Parijs bevinden. De uitstekende Nederlandse vertaling geeft door de keuze een helder beeld van het verwende, rijke en soms nog zo bakvis-achtige meisje. Marie Bashkirtseff behoort duidelijk tot de kleine, welvarende en ontwikkelde Russische bovenlaag die stond tegenover de weinig belangrijke burgerij en een enorme massa ongeletterde plattelanders. Marie leefde in onvoorstelbare rijkdom en ontleende daaraan de gebruikelijke arrogantie, in die tijd, in die kringen. Haar negerknecht, Chocolat geheten, wordt naar hartelust vernederd en als hij zijn voeten heeft bezeerd en op reis moet achterblijven, schrijft Marie: 'Chocolat wordt over twee dagen nagestuurd.' Ze leert Latijn, schilderen, paardrijden, kan kopen wat zij wil en woont meer dan riant.

Uitzondering

Haar dagboek ontstond niet toevallig, want het journal intime werd een belangrijke literaire stroming in de tweede helft van de negentiende eeuw. Mannelijke schrijvers als Benjamin Constant, E. Fromentin, de gebroeders Goncourt en Stendal gaven het genre status.

Het dagboek van Marie Bashkirtseff is een uitzondering op wat veel vrouwen in die tijd publiceerden. Haar vreugde in het schrijven is opmerkelijk, de bruisende ideeën, haar spontane en frequente ongegeneerdheid, haar hooghartigheid, haar scherpzinnigheid, ijdelheid ('Ik ben graag alleen om voor de spiegel mijn handen te bewonderen die zo blank zijn en zelfs aan de buitenkant niet roze.') en de hardheid van haar oordelen over haar verwanten, het genoegen dat zij schept in het uitdagen van haar lezers en tenslotte haar alomtegenwoordige 'ik', dat iedere zin beheerst, tonen onweerlegbaar dat Marie Bashkirtseff over een volgroeid literair talent beschikte.

Al deze kwalificaties waren zijdelings ook de reden voor ontsteltenis en verdriet van Maries moeder en tante die, vanzelfsprekend, haar eerste lezers en beoordelaars waren. Zij slaagden erin om het, naar hun idee, losbandige van hun dochter en nicht uit de tekst te halen zodat de lezers een dagboek voorgeschoteld kregen waarin een ideale Marie figureerde, een Marie zoals zij zich wensten.

De jonge schrijfster bespiegelt helaas weinig sociaals in haar boek. Over Rusland wordt vrijwel niets medegedeeld, zij het dat een bittere notitie uit 1874 luidt: 'Ze zeggen dat er in Rusland een heleboel schurken zijn die de Commune willen, een verschrikking. Alles verdelen en alles gemeenschappelijk bezitten. En hun vervloekte sekte is zo wijdverbreid dat de kranten allemaal een wanhopig beroep doen op de samenleving. Zullen de vaders van de gezinnen deze pestilentie niet een halt toeroepen?'

Uit het dagboek blijkt eens te meer een constante, treurige eenzaamheid, een hang naar doelen die niet worden bereikt en dat soms met ideeën die veranderlijk zijn als de wind. Marie Bashkirtseff: 'Mijn hele leven ligt in dit dagboek, mijn kalmste momenten zijn de momenten dat ik schrijf. Ik geloof dat er nog geen foto bestaat van een heel vrouwenleven, van al haar gedachten, van alles, alles. Als ik oud word zullen de mensen dit dagboek lezen. Dat zal merkwaardig zijn.'

Het blijkt niet zo merkwaardig. In het Frans, dat Marie allesbehalve vlekkeloos schreef, verschenen vijf edities van haar werk, het dagboek werd in het Engels en Duits vertaald en nu is er dus een Nederlandse editie. Aan deze uitgave is de beperkte, maar interessante correspondentie met Guy de Maupassant toegevoegd, alsmede een literatuuroverzicht, een korte chronologie en een personenregister. Op het ogenblik wordt door de 'Cercle des Amis de Marie Bashkirtseff' gewerkt aan een integrale uitgave van het dagboek. In 1995 en 1996 verschenen de eerste twee delen. De complete editie zal de kroon zijn die dit intrigerende werk toekomt.