Edele wilden van de Zuiderzee

G.J.Schutte & J.B.Weitkamp: Marken. De geschiedenis van een eiland. Bert Bakker, 360 blz. ƒ 49,90

Het publiek historisch besef in Nederland, dat nu weliswaar aan slijtage onderhevig is maar ooit even sterk werd gekoesterd en gevormd als elders in Europa, kent eigenlijk twee hoofdthema's. Het ene is de Opstand tegen het Spaans Habsburgse absolutisme in de zestiende eeuw in combinatie met de kunstzinnige hoogtij van de zeventiende. Het andere verwijst naar een oorsprong van het Nederlandse volk, die in allerlei tradities op het platteland en in vissersplaatsen is blijven voortbestaan.

In het eerste beeld neemt de Hollandse stadscultuur een prominente plaats in; in het tweede is het vooral de veronderstelde eenvoud en zuiverheid van een oeroude volkscultuur, die in het oog moet vallen. Het Land van Rembrandt is ook dat van Sijtje Boes, winkelierster in Markense klederdracht. Graftombes van zeehelden, standbeelden, het Wilhelmus, de Nachtwacht of het verzameld werk van Joost van den Vondel herinneren ons aan de glorieuze tijd, waarin de Nederlandse natiestaat haar vorm kreeg. Ze zijn als voorbeeld gekozen van wat de historicus Willem Frijhoff de 'cultuurnatie' heeft genoemd.

De discussie die dat verleden in de negentiende eeuw heeft opgeroepen tussen protestanten en katholieken, liberalen en socialisten, is thans wel verstomd. Het moderne Nederland deelt in een algemene roem van zijn zeventiende-eeuwse schilders, die zo nu en dan door grote tentoonstellingen opnieuw aanschouwelijk wordt gemaakt. Hooguit kan men stellen, dat de Gouden Eeuw in onze voorstelling van zaken te zeer aan Holland is gebonden om nog in Maastricht even krachtig te kunnen uitstralen.

Aan het eind van de vorige eeuw, toen men toch al niet om historische voorbeelden verlegen zat, is er naast de Hollandse koopman in zijn lakense pak en breed gerande hoed een tweede ideaaltype uitgevonden: die van de visser van dorpen rond de Zuiderzee. De koopman in klederdracht uit het Friese Hindeloopen kon nog met enige fantasie gelden als een kleurrijke variant van de ondernemers van de handelscompagnieën, voor wie in de zeventiende eeuw geen zee te hoog ging. De vissers uit Spakenburg, maar sterker nog die uit Volendam en Marken, representeerden toch in de eerste plaats de blijvende idylle van een verloren gewaande volkscultuur. Nederland kende sindsdien zijn 'edele wilde', die op een dijk in Waterland de vreemdeling begon te verwelkomen.

Hunebedden

De ontdekking van zulke tradities was overigens geen exclusief Hollandse aangelegenheid. Integendeel, juist ook in de landprovincies werd een agrarisch verleden gezocht. Daar waren het bij voorbeeld de hunebedden, maar ook bepaalde boerengebruiken of historische typen van boerderijen, die in een beeldvorming van de oorsprong van Nederland werden bijeengebracht. Het Openluchtmuseum, niet toevallig in het Oostnederlandse Arnhem, vormt er het bewijs van. Het Zuiderzeemuseum in Enkhuizen is daar weer de zee- en visserspendant.

De volkskunde is in Nederland vooral buiten de steden in het westen tot bloei gebracht; zuiderzeemua in een patroon van denken, waarin de groeiende grote stad werd gezien als de bedreiging van het zuivere verleden. In zijn meest gepopulariseerde vorm is evenwel dat volksverleden gekoesterd in een gebied onder de rook van Amsterdam. Dat is wel te begrijpen, omdat de (buitenlandse) reizigers niet lang hoefden te varen (of met de stoomtram te rijden) voor ze hun nieuws!gierigheid konden bevredigen. Maar opmerkelijk blijft het, dat zo pal naast het centrum van stadscultuur zich plaatsen bevinden, die hun plaats in de toeristenindustrie verdienen door het idyllische van een schijnbaar ongerepte traditie.

Het contrast wordt nog sterker, wanneer men bij voorbeeld de stad Edam met zijn Hollandshistorisch centrum vergelijkt met het nabijgelegen dorp Voldendam. Dat is ook al weer vanwege deze nog lange tijd ongerept gebleven cultuur de hoofdplaats in kindertal en woonwijken geheel boven het hoofd gegroeid.

Marken, tot 1957 een echt eiland, is in de negentiende eeuw als oord van zuivere volkstradities ontdekt, toen het overigens al door toenemende contacten met het vasteland zijn isolement verloor. De predikant J.J.L. ten Kate, die er korte tijd beroepen is geweest en het eiland toedichtte een 'groene schuilhoek' te zijn, 'waar 't overschot van Hollandse Deugden troont'; de arts S.S. Coronel, die in zijn volkskundige reizen het eiland aandeed en er zeden en gewoonten aantrof uit een tijdperk, dat hem ver verleden leek; de Franse koopman Henry Havard, die op zijn vaart langs de havens aan de Zuiderzee getroffen werd door een zo 'goedaardige bevolking'; zij construeerden een beeld, waarnaar de Markers zich tenslotte zouden gaan gedragen omdat het profijtelijk bleek. Maar in 1905 en 1916, toen het eiland getroffen werd door een grote brand respectievelijk een watersnood, moest er door buitenstaanders druk worden uitgeoefend, dat de verwoeste huizen in de veronderstelde traditionele stijl zouden worden herbouwd.

Dat ook anders over Marken kan worden geschreven, bewijzen G.J. Schutte en J.B. Weitkamp in een studie over de geschiedenis van het eiland. De voorplaat op de omslag toont een winters tafereel van schaatsende Markers in de voorgeschreven klederdracht. Daarmee komen zij tegemoet aan de traditionele beeldvorming over Holland. Want wat er is vaker vertoond in de (historische) landschapskunst dan een ijstafereel? Maar binnenin schrijven zij over 'bevolking', over 'middelen van bestaan' en over 'bestuur en bestuurders'.

Het is een ware studie over Marken en het boek is dan ook bedoeld als een wetenschappelijk contrast tot het traditionalisme, dat aan het eiland is toebedeeld door reizigers, volkskundigen en de toeristenindustrie. G.J. Schutte is hoogleraar in de geschiedenis van het calvinisme aan de Vrije Universiteit. Hij kon het boek schrijven op basis van archiefonderzoek van Jan Weitkamp. De opdracht daartoe was aan hen verstrekt door de Historische Vereniging Eiland Marken op het moment, 1991, dat de aparte gemeente ophield te bestaan en werd samengevoegd in een bestuurlijke eenheid Waterland, waarmee het sinds 1957 door de dijk was verbonden.

Polderdorp

Het boek is een terugblik op twee eeuwen zelfstandig Marken. Een dergelijke studie roept een vergelijking op met wat Schutte's collega Arie van Deursen publiceerde op een Noordhollands dorp in de polder, Graft. Maar Marken is met minder verbeelding beschreven. De auteurs hebben het over het water, dat een permanente bedreiging vormde. Storm en overstroming teisterden het eiland met regelmaat. Op een januarinacht in 1877 waren zelfs de doden niet veilig; de golven sloegen enkele lijkkisten uit het kerkhof. In 1900 besloeg Marken nog slechts 290 hectare; zestig waren er in drie eeuwen afgekalfd. Maar het water was ook de grote uitdaging. Sinds de vijftiende eeuw was de visserij het vrijwel exclusieve middel van bestaan geworden in een Zuiderzee overigens die niet was afgesloten en dus bij voorbeeld ook een goede haringvangst kon opleveren. De bevolking bleef stabiel. In de twee decennia tussen 1870 en 1890 bij voorbeeld trokken er 233 personen weg, maar kwamen er 243 terug. Terugkomen is hier het juiste woord. De immigranten waren vrijwel steeds geboren Markers. De auteurs hebben zich blijkbaar te zeer aan een concrete opdracht gebonden geweten om de mens in de klederdracht te onderzoeken. Verkenningen over hun leefwereld zijn er niet vele in dit boek. Bij toeval leren we, dat de Marker jeugd in het weekeinde, wanneer de vissersschepen waren teruggekeerd, de straat placht op te gaan om te 'beurzen'. Paartjes trokken zich vervolgens voor een verdere kennismaking terug in het vooronder van een botter. Tijdens dit 'smokkelen' zou seksualiteit taboe zijn geweest omdat de jeugd bij elkaar binnen kon lopen. Ook in een volgende leeftijdsfase van de vaste verkering kon de intimiteit maar beperkt blijven omdat de leeftijdgenoten op elk moment bij de vrijende paren binnen mochten komen. En wie zich niet aan het traditionele patroon hield, werd openlijk terecht gewezen en zo nodig in een kruiwagen rondgereden. Volgens Schutte en Weitkamp was deze sociale controle de reden, dat er op Marken niet veel kinderen buiten de echt werden geboren.

Wel vóór de echt. Bijna de helft van de eerstgeborenen was voor de bruiloft verwekt. De sociale controle was dus kennelijk niet waterdicht.

Godsdienst

Tot het traditionalisme behoort uiteraard ook de godsdienst. In dat opzicht beantwoordde Marken en ook Volendam aan de verwachtingen. Met dien verstande dat Volendam even opgewekt katholiek is als Marken vastberaden protestant. Aan het begin van de beschreven honderd jaar waren de eilandbewoners nog allen hervormd. De predikant was er orthodox maar wel gemoedelijk, zonder de zwarigheid van een bevindelijk geloof. De Afscheiding van 1834 ontmoette er geen sympathie. De eenheid in gemoedelijkheid veranderde evenwel, toen zich in de jaren vijftig achtereenvolgens enkele evangelisten op het eiland kwam vestigen. Zij trokken door hun persoonlijke inzet de aandacht en begonnen een zeker tegenwicht te vormen tegenover de officiële kerk, temeer daar de hervormde gemeente moeite had in het vinden van een blijvende predikant.

In de jaren tachtig, toen Abraham Kuyper in Amsterdam zijn uittocht uit de hervormde kerk voorbereidde, wist een van de evangelisten, de godsdienstonderwijzer Dreessen, zelfs de lidmaten zo aan zich te binden, dat de storm van een tweede kerkscheuring aan het eiland voorbij leek te gaan. Men wilde zelfs niet geloven, dat de gevierde prediker in een vroegere standplaats gemeenschap had onderhouden met vele vrouwen en misbruik had gemaakt van sterke drank 'tot het bespottelijke toe'. Eerst toen de gemeente kon zien, dat hij op goede vrijdag 1890 in beschonken toestand de kansel beklom, hield de fascinatie op. In april 1889 werd de Doleantie op het eiland een feit. Uiteindelijk zou eenderde van de Markers de gereformeerde richting inslaan. Dat het er niet meer zijn geworden, werd veroorzaakt door een inspanning van de hervormde kerkeraad, die nadrukkelijk predikan!ten van de confessionele, dus orthodoxe richting begon uit te nodigen.

In de beschrijving van dit conflict is Schutte zijn stof meester. De nationale kerkscheuring van Kuyper is er teruggebracht tot het niveau van één gemeente en tot herkenbare lidmaten. Maar tegelijkertijd wordt ook het verschil merkbaar met een opzet, waarin vooral de belevingswereld van de hervormde Markers zou zijn belicht en beschreven in plaats van hun posities in het conflict. Blijkbaar is de beeldvorming van Marken als een kern van traditionalisme zo sterk, dat men het verlangen naar een studie over 'bestaan' in plaats van over 'middelen van bestaan' niet kwijt kan raken.

    • Jan Bank