Door open deuren

Huub de Jonge (red.): Ons soort mensen. Levensstijlen in Nederland. SUN, 318 blz. ƒ 39,50

De laatste jaren is er in de sociale wetenschap een sterke belangstelling voor consumptiepatronen en levensstijlen, in het bijzonder voor het verband tussen die twee: hoe mensen door het aanschaffen van bepaalde materiële goederen hun eigen positie en status in de samenleving willen benadrukken. Antropologisch onderzoek op dit terrein heeft in Nederland onder meer een aantal studies opgeleverd naar de levensstijl van de adel, van arbeiders, gepensioneerden en vrouwelijke notabelen. Al dit onderzoek werd uitgevoerd met behulp van de antropologische methode bij uitstek: de participerende observatie.

Des te opvallender is het dat de tien Nederlandse antropologen, die in Ons soort mensen. Levensstijlen in Nederland aan het woord komen, voor een andere methode hebben gekozen. Aan de hand namelijk van allerlei 'schijnbaar onbelangrijke en triviale zaken' als het gebruik van agenda's, het dragen van sieraden, de functie van het woord 'gezelligheid' en de concurrentiestrijd tussen Sinterklaas en de kerstman, willen de auteurs uitspraken doen over 'grotere verbanden en verborgen betekenissen' op het gebied van Nederlandse levensstijlen. Een aardige en originele benadering op zichzelf, al moet je als onderzoeker dan uiteraard wél iets interessants op het spoor komen want anders loop je het gevaar dat het onbelangrijke onbelangrijk blijft en het triviale opeens nog veel trivialer wordt.

Dat dit gevaar niet denkbeeldig is, bewijst het eerste artikel van de bundel. Het gaat over het gebruik van agenda's, en het maakt definitief een eind aan alle misverstanden die er over de ware aard van een agenda mochten bestaan. 'Een agenda is een kalender in de vorm van een klein boekje met een vrije ruimte bij elke dag om iets op te kunnen schrijven', zo weet Susanne Reitz. En daar voegt ze aan toe: 'Hij dient als geheugensteun bijvoorbeeld voor afspraken bij de tandarts, vergaderingen, etentjes en verjaardagen.' Ook over de plaats waar je zulke handige boekjes kunt kopen, laat ze de lezer niet in het ongewisse: 'In de kantoorboekhandel en in grote warenhuizen vindt men een groot aanbod van verschillende soorten agenda's.' En zo gaat het maar door in dit betoog, dat eindigt met de conclusie dat de gemiddelde mens het tegenwoordig heel wat drukker heeft dan vijftig jaar geleden.

Ook de overige artikelen - het ene wat meer dan het andere uiteraard - hebben te lijden onder informatie die een redelijk ontwikkelde Nederlandse lezer weinig nieuws te bieden heeft. Dat 'gezelligheid' een cultureel stopwoord is met een grote variatie aan toepassingen, zal niemand verbazen, en dat geldt ook voor de functie van bijvoorbeeld dure sieraden en vakanties om iemands maatschappelijke status te onderstrepen. En een geboren Nederlander hoef je echt niet uit te leggen dat bij ijsvermaak in de negentiende eeuw ook schaatsen hoorde, zeker niet als je dat zo krukkig formuleert als Eric Venbrux:'De activiteit van het schaatsen werd door veel deelnemers aan het ijsvermaak gedeeld. Of ze nu individueel schaatsen of met een ander, toch stonden ze met zijn allen op het ijs. Sommigen legden zich toe op het maken van gracieuze bewegingen. We er anderen concentreerden zich op het hardrijden.'

Het is alsof de auteurs de overbekendheid, en dus beperktheid, van hun stof ook wel inzien en daarom hun toevlucht nemen tot allerlei sociologische geheimtaal om het geheel wat op te kloppen. Zo is een agenda opeens 'een symbolische representatie van de abstracte, meetbare, homogene tijd', vormen gordijnen 'een vloeiend en bijna uitnodigend overgangsgebied tussen de publieke sfeer en het privé-domein', en wordt het eenvoudig kopen en ten geschenke geven van een cadeautje bij Sinterklaas als volgt geanalyseerd: 'Anonieme, commerciële producten werden en worden door geritualiseerde handelingen als kopen, verpakken en schenken getransformeerd tot persoonlijke sociaal-culturele betekenisdragers in emotionele zin.'

Enigszins opgeklopt is ook het gretige gebruik dat men maakt van het begrip 'ritueel'. Want het wemelt in het boek werkelijk van de rituelen, of het nu gaat om bruiloften, begrafenissen en het trekken van de agenda ('afsprakenritueel'), of om een gezellig partijtje schaatsen en de festiviteiten bij Sinterklaas, met als extra categorie 'het ritueel van pakjesavond'. Voeg daarbij nog de voorkeur voor termen als 'rite de passage' en'cultus', en je zou bijna denken dat er een heuse indianenstam in de lage landen is neergestreken.

Ondanks al deze kritiek, zijn grote delen van het boek alleszins de moeite waard. Als je alle sociologische trivialiteiten en de conclusies overslaat, blijven er zeer gedegen en interessante historische beschouwingen over. Dat geldt voor de twee stukken over de sociale geschiedenis van het gordijn en het dragen van sieraden, voor een studie van Jaap van der Veen naar de opkomst van de verzamelaar, een overzicht van de felle strijd om de winkeltijden in de jaren twintig en dertig, en zelfs voor het stuk over schaatsen dat prachtig materiaal bevat over de ontwikkeling van de schaatssport in Nederland en Friesland. Maar met levensstijlen heeft dat allemaal weinig te maken.