De reizen van een rupsenkenner

Alessandro Baricco: Zijde. Vertaald uit het Italiaans door Manon Smits. De Geus, 128 blz. ƒ 25,-

De mini-roman Zijde van de veelvuldig gelauwerde Italiaanse auteur Alessandro Baricco is in diverse opzichten een mooi boek; niet alleen omdat het (zowel in de Italiaanse als in de Nederlandse editie) een omslag heeft van zijdepapier, maar ook door de esthetiserende manier waarop het is geschreven. Het verhaal ontwikkelt zich in een wisselend perspectief van twee polen: het bekende en alledaagse Frankrijk tegenover het verre en raadselachtige Japan. Het zakelijk realisme waarmee de Provençaalse zijderupsteelt wordt weergegeven, contrasteert met de sprookjesachtige evocatie van het land van de rijzende zon: breed uithangende ceders, klingelende processiebelletjes, ideogrammen in zwarte inkt en volières met bontgekleurde Vogels.

Het boek is, zoals de auteur zelf zegt, geen roman of verhaal, maar een geschiedenis. Deze geschiedenis, die zich afspeelt in de jaren zestig van de vorige eeuw, draait om een zekere Hervé Joncour, handelaar in zijderupsen. Hij woont in het Provenc,aalse dorp Lavilledieu en reist elk jaar naar Syrië en Egypte om daar voor de zijdetelers uit zijn woonplaats nieuwe rupseneitjes te gaan kopen. Aan deze reizen komt een eind wanneer er, zowel in Frankrijk zelf als in het Midden-Oosten, een ziekte uitbreekt die alle culturen aantast en vernietigt. Zelfs de bacterioloog Louis Pasteur, die persoonlijk naar het getroffen gebied komt, is niet in staat om deze epidemie een halt toe te roepen.

Iedereen in Lavilledieu is ten einde raad behalve de voortvarende fabrikant Baldabiou. Hij komt op het lumineuze idee om eitjes te gaan kopen in Japan: de zijde die daar wordt geproduceerd is van ongeëvenaarde kwaliteit en bovendien is het land altijd zo van de buitenwereld afgesloten geweest dat de besmetting er onmogelijk kan zijn doorgedrongen. Hij wendt zich voor de verwezenlijking van zijn plan tot Hervé Joncour, die zich na enig aarzelen bereid verklaart de nieuwe handelsroute te exploreren. De ervaren rupsenkenner maakt vervolgens vier reizen naar Japan, steeds achtduizend kilometer heen en achtduizend kilometer terug, door Oost-Europa, Rusland en Siberië, per trein, te paard en op een schip.

Ter plaatse legt hij contact met 'de meest ongrijpbare man van Japan' Hara Kei, een wat schimmige figuur, die er met mysterieuze manipulaties voor zorgt dat Joncour niet met lege koffers huiswaarts keert. De eitjes die hij 'met honderden tegelijk op kleine blaadjes moerbeischors vastgeplakt' uit Japan mee terugbrengt, worden in Lavilledieu door Baldabiou en de zijnen dankbaar in ontvangst genomen en uitgezet. Deze procedure herhaalt zich drie keer zonder noemenswaardige problemen, maar de vierde keer gaat het mis: als op de terugreis in Duitsland de koffers worden gecontroleerd, blijkt dat er miljoenen larven zijn gestorven. Het gevolg van deze catastrofe is dat de zijdeteelt in Laviliedieu een enorme klap krijgt en de spinnerijen vrijwel stil komen te liggen.

Al op zijn eerste reis ziet de hoofdpersoon in Japan een vrouw met het gezicht van een meisje, die hem intrigeert door haar niet-oosterse ogen. Hij vraagt zijn gastheer Hara Kei wie zij is, maar krijgt geen antwoord. Op zijn volgende reizen wordt de zijderups steeds minder en de jonge vrouw steeds meer het doel waarnaar hij op weg is. De eerste kennismaking tussen hen loopt uit op een soort van wederzijdse verstandhouding, die zich uit in het wisselen van veelbetekenende blikken en het schrijven van geheimzinnige liefdesbriefjes. Van een persoonlijke toenadering is echter geen sprake, laat staan van een intieme relatie. Hoewel Joncour, wanneer hij na zijn vierde reis definitief thuis blijft, het meisje niet helemaal kan vergeten, neemt hij de lijn van zijn oude leven weer op: hij gaat biljarten in café Verdun, reist met zijn vrouw Hélène door Europa en maakt plannen voor de aanleg van een grote tuin.

Evenals in zijn twee eerdere boeken is Baricco ook hier meer stijlkunstenaar dan psycholoog. Zowel de gebeurtenissen als de personages worden door hem in vage en wijkende contouren getekend, waardoor het verhaal zich op vele plaatsen aan de werkelijkheid onttrekt en uitdrukking wordt van een droomwereld. Bovendien bevat het (iets wat bij een postmodernist die een schrijversschool leidt in Turijn, niet hoeft te verbazen) vele compositorische en stilistische kunstgrepen die het lezen veraangenamen; herhalingen, climaxen, dubbele bodems, symbolen, verwijzingen raadsels, enzovoorts. Toch is Zijde niet in alle opzichten bevredigend en overtuigend. Temidden van alle formele pracht zoek je vergeefs naar morele conflicten, innerlijke roerselen of diepere gedachten, kortom naar uitingen van de menselijke geest. Baricco betoont zich ook hier weer een begaafd verteller, maar zijn schrijfkunst scheert hier toch wel bedenkelijk dicht langs het begrip bellettrie pure.