De literaire beschrijvingswet

Deze boekenweek heeft een rustieke boodschap. De uitnodiging voor het Boekenbal bestaat uit een kaart, die als je hem uitvouwt over een lengte van bijna 170 centimeter op een groene achtergrond het woord PANORAMA te lezen biedt. Het weiland, het Groene Hart, boeren en koeien, onze snel verdwijnende onschuld van landbouw en veeteelt; daaraan moet je denken en dat is ook de bedoeling. De literatuur, of het literaire bedrijf even teruggebracht tot het Nederland van vóór de voltooiing van de Afsluitdijk, de ongestresste natie van zeven miljoen kaaskoppen.

Het landschap, en ook het stadspanorama, nodigen uit tot beschrijving. Een voorbeeld: het décor van Ina Boudier Bakkers romans is Amsterdam. Er is veel drama, maar aan stadsgezichten ontbreekt het evenmin. Jan Blokker heeft eens vastgesteld dat je uit De klop op de deur het hele Amsterdamse tramnet uit die tijd kunt reconstrueren. Het is dus ook literatuur voor tramhistorici die eigenlijk over niets anders willen lezen dan de ervaringen van de passagiers in alle lijnen. Liefhebbers van de interieurkunst uit die periode kunnen er op vergelijkbare manier aan hun trekken komen.

Zo naderen we vanzelf tot een algemene literaire wet die overigens nog niet is geschreven. Maar een inleiding, of een grondslag is er wel. Dat is het essay van Menno ter Braak, Het schrijverspalet. 'Van kindsbeen af heb ik een instinctieve weerzin gehad tegen beschrijvingen in boeken.' Zo begint het. 'Wanneer het enigszins doenlijk was sloeg ik ze over om te spoediger tot de feiten te komen waar het om ging.' Hij komt dan tot een paar voorbeelden uit het werk van fameuze beschrijvingskunstenaars, Israel Querido en Ary Prins. Dat is te sterk verouderd om het nog te citeren. Het gaat om de bovengenoemde aanzet tot een wet die door alle scholen en stijlen heen van toepassing kan blijven.

De lectuur van uitvoerige beschrijvingen werkt remmend, schrijft Ter Braak. Maar misschien vinden bepaalde lezers dat juist fijn. Welke bepaalde? 'Om bijvoorbeeld de werken van Querido of Prins te kunnen genieten heeft men aan een uiterst middelmatig verstand meer dan genoeg; ja, het is zelfs wenselijk dat men niet teveel verstand heeft.' Dan volgen een paar ingewikkelde redeneringen die ik oversla. De conclusie is dat de liefhebber het veel eenvoudiger kan aanpakken door naar een schilderijententoonstelling of naar een film te gaan in plaats van een boek vol beschrijvingen te lezen.

En dan komt er een andere kwestie aan de orde, nog altijd actueel. In de negentiende eeuw zijn de kunsten elkaar gaan bestelen 'om toch vooral niet op zichzelf aangewezen te zijn. Het zou een schande zijn als men een roman aan zijn uitgever afleverde zonder de nodige vellen 'beschrijving', schilderkunst en melodie in woorden!' De redenering is verwant aan wat Edmund Wilson heeft geschreven over een boek van Kathleen Windsor, Forever Amber, dat beroemd is geworden door veel proza dat destijd scabreus werd gevonden. Mevrouw Windsor, schreef hij, dankt haar roem niet zozeer aan haar psychologische inzichten en het uitspinnen van mooie intriges, maar aan wat er bij haar gebeurt als de intrige om zo te zeggen tot stilstand is gekomen. Rustieke panorama's of seks, het is statische, plaatsvervangende lectuur. In de Hongerwinter lazen de mensen kookboeken, als de sperrtijd was ingegaan. Onder die omstandigheden waren recepten ook een vorm van beschrijvingskunst. Hieruit volgt dat het lezen van beschrijvingen in een tekort kan voorzien.

Niet alleen het graag lezen van beschrijvingen vraagt een bepaald soort verstand; ook het afleveren. Als je bij de lectuur van roman in veel natuur terecht komt, of als bij een essay of een kritiek voelt dat het de schrijver de grootste moeite kost om tot zijn eigen gedachten te komen, dan weet je al bijna zeker dat hij te weinig gedachten heeft. Dat hoeft nog niets te zeggen over zijn virtuositeit in het vinden van woorden en het verzinnen van zinnen. En nu de wet. Die bestaat uit twee delen. In het eerste deel wordt een vergelijking gemaakt tussen a en b, het bestanddeel beschrijving en het bestanddeel niet-beschrijving in een roman. Is a veel groter dan b, dan hoort de auteur niet tot de snuggersten.

Het tweede deel is alleen van toepassing in dit genoemde geval. Bereikt een boek waarin a veel groter is dan b een zeer hoge oplage, dan heerst er onder het lezend publiek een tekort waarin alleen door minder snuggere schrijvers kan worden voorzien. Hieruit valt de tegenwoordige stand van zaken in de Nederlandse letterkunde af te leiden.