De grote onderwerpen

De mannen waaruit ik besta tolden van de slaap. “Kom jongens”, zei een van hen, “het is half twee in de nacht. Ik heb een mooi glas cognac voor jullie. We zullen eindelijk eens een wezenlijk gesprek moeten voeren. Wat is de zin van het leven?”

“Ben je dronken?” zei een ander, geeuwend. “Een idioter onderwerp bestaat er niet. Jesses, Maria Josef, zo zuchtte onze kinds geworden oma soms, een heel beminde vrouw, jawel, wat zei je, je had het toch niet over de zin van het leven?”

Een derde zei: “Het doel van alle leven is toch leven. Dat dichtte Greshoff. Hij ging later weer in God geloven, jammer zoiets”.

“Geen citaten vannacht”, zei de eerste. “Wat is de zin van het leven? Geloven wij in God?”

“Dwaasheid”, zei een ander, dronk in één zwierige teug zijn glas leeg en kreeg een hoestbui. “Het leven heeft niks nodig, geen zin en geen God. De zin van het leven! Hoe kom je erbij om ons daarvoor wakker te houden! Het begin van de oorlog, een vriend en ik zaten aan de kade van Kampen op de nachtboot naar Amsterdam te wachten, in het pikkedonker na een fietstocht. Ik denk dat ik toen voor het laatst over de zin van het leven heb gepraat. Ja, dat was mooi, niets erotisch hoor, bewaar me, en op die nachtboot was het een smeerboel. Ik ga naar bed. En morgen staan we misschien weer op, zinloos en godloos. Basta.”

“Maar iedereen heeft het over de zin van het leven en over God.” De eerste spreker zei het wanhopig. “Zijn wij er te dom voor? Weet je, ik heb iets, geluk, zullen we het daar over hebben? Dat kan een groot onderwerp zijn.”

“Geluk”, schreeuwde een van ons met overslaande stem. “Is er iets méér te verachten. In onze beste jaren waren we bezeten door begeerte, woede, onze keel rochelde vervloekingen, vuur raasde uit onze neusgaten, we sidderden van haat, voor de schandelijke wereld, voor ons schandelijke zelf. Duitse bakvissen van een eeuw geleden wisten wat geluk is. Bijna verdrinken in een bad van room en op het nippertje gered worden door een jonge luitenant.”

“Ik versta er iets heel anders onder”, zei een van ons, vriendelijk peinzend. “Ik was vijf of zes, zat met mijn moeder in de tram, reed door de Middellandstraat in Rotterdam, keek naar buiten, naar de etalages. De letters die erop stonden en die ik herkende kregen de samenhang van woorden. Ik kon lézen. Wat zal het zijn geweest? Groenten? Vleeswaren? Ik herinner me de gebeurtenis. Ik hoop van harte dat ik hem niet verzonnen heb.”

Een ander zei: “Weet je hoe je weet dat je gelukkig bent? Wanneer je onverhoeds voelt dat er iets verandert in je gezicht, bij je mond, in je wangen en je moet vaststellen dat je glimlacht.”

Weer een ander viel in: “Pisa! Hoe oud waren we? Omstreeks de dertig. We waren niet ongelukkig. Een nogal grauwe jeugd, de oorlog, de bezetting, na de bevrijding de armoedige wederopbouw van Rotterdam. Dit was ons leven, noordelijk en bewolkt, dit was onze cultuur. Misschien drabberig, maar er was veel moois in neerslachtigheid. En toen liep ik in Pisa een straat uit en stond voor het veld met de drie blinkende wonderwerken. Ik glimlach weer als ik eraan denk. Dit was geluk. Ik wist niet dat ik tot dit geluk in staat was. Hier hoorde ik thuis. Dit was mijn leven. Het werd mij geopenbaard. Die glimlach zal een domme grijns zijn geweest.”

“Hij verliet ons niet”, riep een ander. “Denk aan Florence, denk aan Venetië, denk aan Rome. Van de Middeleeuwen naar de Renaissance, van de Renaissance naar de barok, van verbazing naar verbazing, almaar gelukkig!”

Nog een ander brulde: “En we moesten oversteken naar Griekenland! We moesten de Peloponnesus nog zien, we moesten nog langs de eilanden varen. Onze ogen deden we dicht als land- en zeeschap ons te mooi werd. Herinner je je nog dat we in het pikkedonker rond Ios voeren en het eiland róken voor we het zagen. O, dat geluk. Ik barst straks in snikken uit. We zullen die ervaring nooit meer hebben. Die prachtige plekken zullen we nooit terugzien. We hebben trouwens geen heimwee naar de plekken maar naar de ervaring. En die is van nature onherhaalbaar.”

“Er zijn andere dingen”, zei de eerste spreker. “Mijn mooie cognac mag je niet aan het huilen maken. Heeft werk je geen geluk verschaft?”

De mannen waaruit ik besta haalden de schouders op, mompelden tegen elkaar, en een van hen zei slordig en gegeneerd: “Moeten we het niet over de liefde hebben?”

“Nee”, zei de eerste. Wij zuchtten opgelucht en een van ons zei: “Niets boeiender voor ons dan het schrijven van een roman of novelle. Je leeft dubbel, in het dagelijkse leven en in het leven van je vertelling. Ik heb op het eiland Naxos, op een snikhete rots, een novelle geschreven over een dove man die in een huurkazerne woonde in de winterse Amsterdamse volkswijk de Jordaan. De tegenstelling was voorbeeldig, de spanning intens. Geluk kun je dat, denk ik, niet noemen.”

“Nee”, zei de ander. “Ik herinner me dat ik tobde over de afronding van een roman. 's Avonds kwam bezoek, plezierig, maar het bleef tot diep in de nacht en ik ging uitgeput naar bed. Terwijl ik mijn tanden poetste, mijn pyjama aantrok, vielen mij woordelijk de zinnen in waarmee ik het verhaal tot een einde moest brengen. Ik zal geglimlacht hebben zoals bij het zien van de wonderwerken in Pisa. Dat was geluk.”

“Aanstellers”, zei een ander. “Opscheppers, met jullie voorname geluk. Geluk is veilig in je stoel zitten, veilig in je bed liggen, zonder pijn, angst, ongemak, jongens, wij houden meer van ons hoofdkussen dan van Pisa of Naxos.”

“Nog een ding”, zei de vorige. “Een citaat uit het blote hoofd van Thomas Mann: het geluk van de kunstenaar is de gedachte die geheel gevoel en het gevoel dat geheel gedachte is geworden.”

Een ander begon te giechelen. “Ik óók een citaat, uit het blote hoofd, net als jij. Museum Plantijn in Antwerpen. Het is lang geleden dat we er waren. Je kon er een mooie druk kopen, een sonnet door Plantijn zelf geschreven, in het Frans. Over het geluk. Veel vrooms en braafs en in de laatste regel de beloning: C'est attendez chez soi bien document la mort.”

Wij stemden in met zijn gegiechel. We dronken nog een glas en lachten luider. “Daar heb je een groot onderwerp”, riepen wij tot de eerste spreker. “Zo leer je wat geluk is. Tevreden je dood tegemoet zien, gezellig thuis. En nu de zin van het leven!”