De eigen dood voorspellen

Ida Fink: De wederopstanding van de bakker. Verhalen. Uit het Pools vertaald door Gerard Rasch. Meulenhoff, 206 blz. ƒ 39,90

Er zijn schrijvers die met hun stijl de zaken groter dan groot en barok maken, anderen zoeken juist naar verkleining. Het minimale is al eigenlijk te veel, het is schrijven tegen het verzwijgen aan. De literatuur die geschreven wordt over de Tweede Wereldoorlog - een stroom boeken die gestaag doorgaat - geeft een duidelijke voorkeur voor die verstilling te zien. Auteurs als Primo Levi, Marga Minco en G.L. Durlacher, om maar enkelen te noemen, hebben een stijl voor wie de suggestie belangrijker vindt dan de overdaad.

De Poolse schrijfster Ida Fink schaart zich onder hen. Ze werd in 1921 in Zbaraz geboren en overleefde in de oorlog het getto. Eerder schreef ze De reis, een roman over de lotsbestemming van wie na de Tweede Wereldoorlog is ontworteld. Ook in De wederopstanding van de bakker speurt ze naar wat de oorlog aan herinneringen en sporen, aan bewust vergeten en nooit-vergeten momenten bij de overlevenden heeft nagelaten. Haar stijl is zo bedriegelijk eenvoudig, dat je bijna over de verschrikkingen die ze en passant lijkt te noteren heen leest. Zij verschuift trefzeker van perspectief. In het eerste verhaal, 'De drempel' bevinden de hoofdpersonen zich ogenschijnlijk in een zonovergoten tuin, de lezer ziet die geëvoceerde tuin voor zich en dan staan er plots de onthutsende zinnen: 'Het straatje waar ons huis stond, stroomde slaperig en vol kuilen langs groene tuinen en lage huisjes naar de weidegronden en de rivier. Het was vroeg in de ochtend, juli 1941 was net een paar dagen oud, de eerste stille en rustige ochtend na vele dagen van grote angst. Amper een week geleden hadden de Russen de stad verlaten - een week geleden waren de Duitsers binnengerukt. De eerste pogrom was geweest.'

Vanaf deze onheilspellende mededeling ontwikkelt zich een verhaal dat, door de verrassende wending aan het slot, tot herlezen dwingt. Een SS'er vraagt bij huiszoeking aan een meisje dat daar woont naar haar vader. Ze zegt dat hij er niet is. De soldaat wil haar doodschieten, ze voelt al iets kouds op haar wang. Fink schrijft: 'Voor ze haar ogen dicht had, ontmoette ze de blik van de soldaat, zijn laatste.'

De lezer denkt, daar moet staan 'haar laatste'.

Dan herinnert de lezer zich dat twee bladzijden eerder een doodsbang kind ten tonele is verschenen; het was in een boom geklommen, verwilderd door de gevechten. Hij schiet juist op dat ogenblik de soldaat dood. De schrijfster noemt nergens dat hij in het bezit is van een geweer. Het enige wat ze over hem meldt is dat hij uniformstrepen heeft. Na zo'n onverwachte wending is de lezer gewaarschuwd. Vanaf dit verhaal, dat door zijn vorm een soort handleiding voor de lezer is, moeten we Ida Finks verhalen regel voor regel tot ons nemen.

Het titelverhaal beweegt zich in het schimmige grensgebied tussen herinnering en de tekening daarvan door het verstrijken van de tijd. Het begint zo: 'Wekenlang al brengen ze bakker Weiskranz tot leven om hem opnieuw te laten doodgaan, steeds op dezelfde geraffineerde manier.' Het speelt zich af in een werkkamp. Fink noteert de verschillende herinneringen van de mannen aan hoe de bakker om het leven is gekomen. Er staat: 'Zo geven sommigen bijvoorbeeld een precieze beschrijving van het ondiepe betonnen bassin achter in het kamp, waarbij ze aannemen dat het niet alleen was aangelegd met de bedoeling er gevangen in te gooien die zo zwak waren dat liggen in ondiep water hun dood veroorzaakte. Anderen beweren daarentegen dat dat de enige bestemming was. Weer anderen weten niet eens van het bestaan van het bassin.' Uiteindelijk blijkt dat hij is omgekomen doordat de commandant hem opsloot in een ton met witte kalk, waarna hij die ton voorttrapte.

Het is een onthutsend verhaal, evenals al de andere, juist door het zwevend houden van de gruwelijke waarheid van de gebeurtenis. De mannen reconstrueren de reden van deze doodstraf voor de bakker. Had hij iets verkeerd gezegd? Gehoorzaamde hij niet? De reconstructie, telkens weer, is voor hen ook een poging hun eigen eventuele dood als het ware te voorspellen. Wat doet iemand verkeerd die zoiets overkomt? Hoe kunnen ze dat voor zichzelf voorkomen?

Daarom zijn de verhalen van Ida Fink geen loutere terugblikken. Ze ontlenen hun verontrustende kracht aan wat ze voor de toekomst van de personages betekenen. We lezen over een oorlog van een halve eeuw terug, en we beseffen dat de strekking ervan, de ongewisheid van het leven van de individuele mens, nog steeds hetzelfde is. 'Overleven' in de oorlog geldt in Ida Finks verhalen niet uitsluitend voor de periode van vijf jaar van de Tweede Wereldoorlog; het gaat er ook om hoe na die oorlog te overleven, verder te gaan na de getto's en de pogroms.

Tussen de verhalen door vlecht Ida Fink stukken die ze 'Aantekeningen voor een levensschets' noemt. Daarin introduceert ze telkens een ander vrouwelijkoorlogsslachtoffer. Met al hun inzet probeerden ze te vluchten of zich schuil te houden, maar door dom toeval worden ze betrapt. En overleven de oorlog dus niet. Zo is er Sabina die zich aanvankelijk met succes schuilhield onder een stapel zakken. Totdat een dronken SS'er noodlottigerwijs in die stapel trapt, waarna zij kreunde en ontdekt werd. Ze moest terug naar de plek in de barak, die ze die ochtend had ontvlucht. Ze zal na de oorlog dus niet thuiskomen.

Het bestaan is ongewis. Een minimaal toeval kan iemand het leven kosten. De onvoorstelbaar grote gebeurtenissen van de Wereldoorlog laat Ida Fink achterwege, ze legt het vergrootglas op een vrouw of meisje. En de aangrijpende tragiek van hun levenseinde.