Cees is lief

ADELAIDE/SYDNEY/SINGAPORE/AMSTERDAM De schrijvers voerden kangoeroes. Voor velen was het voor het eerst dat ze oog in oog stonden met een kangoeroe, zo ook voor mij. De kangoeroes waren kleiner dan wij hadden gedacht. Hun tongen kriebelden over onze handen. Sommige schrijvers leken meer plezier aan het voederen van kangoeroes te beleven dan andere.

Ik vroeg me af welke conclusies hieruit konden worden getrokken. Voordat ik hier een antwoord op had gevonden waren we alweer bij de krokodillen. Een Amerikaanse schrijfster beweerde achtervolgd te zijn door een struisvogel en wilde weten of ik ook door de struisvogel van het natuurpark was achtervolgd. Ik zei dat dat niet het geval was, maar voegde eraan toe dat ik een van nature achterdochtig mens ben en dat het nooit in mij zou opkomen een struisvogel te voederen of om wat voor reden dan ook te benaderen. Tijdens het borreluur die avond was de natuur mij zo op de zenuwen gaan werken dat ik in een gesprek met een Engelse natuurdichteres verkondigde dat een schoon toilet mooier was dan een vlinder. “Dat is een behoorlijke neurotische opvatting”, zei de dichteres. “Neurotische opvattingen kunnen ook waar zijn”, zei ik. “Sterker nog, de meeste neurotische opvattingen zijn waar. Neurotici kennen de waarheid, daarom zijn ze er ook zo beroerd aan toe.”

Zesendertig uur had ik erover gedaan van New York naar Adelaide, Australië te komen. Op een gegeven moment meende ik dat ik voor altijd rond de wereld zou blijven cirkelen en te lang gekookte sperziebonen uit plastic bakjes zou eten voor de rest van mijn leven. Maar na zesendertig uur werd ik op het vliegveld van Adelaide opgewacht door een man met een baard die beweerde voor het schrijversfestival van Adelaide te werken. “Is alles goed gegaan?” wilde hij weten. Een chauffeur bracht me naar een motel aan een meer in de heuvels van Adelaide, waar de schrijvers tot rust moesten komen en elkaar moesten leren kennen. Het is mijn diepe overtuiging dat schrijvers elkaar niet moeten leren kennen. Maar breng dat organisatoren van een schrijversfestival maar aan hun verstand. Na een paar dagen verklaarde een Engelse schrijver “ik besta alleen nog maar uit witte wijn”. Dat komt van al dat contact. Arundhati Roy was de verstandigste. Zij arriveerde een uur voor haar optreden, en in de bar van het Hilton, waar wij allemaal sliepen na dat uitstapje in de bergen, heb ik haar maar één avond gezien en ook toen niet langer dan een uur.

Nadat wij de kangoeroes hadden gevoed gingen wij wijn proeven en eten. Hoewel praktisch al onze kosten waren betaald en wij ook nog eens een paar honderd Australische dollar voor ons optreden hadden ontvangen, klaagden sommige schrijvers dat ze voor het eten moesten betalen. Het lijkt wel alsof gierigheid een beroepsafwijking is van schrijvers. Dat ze bij alles denken, “nou om dit biefstukje te kunnen betalen moet ik weer dertig boeken verkopen”. Als je zo begint te denken, smaakt het eten je nooit meer.

Zaterdagochtend werden wij in een busje naar Adelaide gebracht, waar wij onze intrek namen in het Hilton. Ik logeerde op de achttiende verdieping. Twee kamers naast mij logeerde Bernard MacLaverty. In het begin dachten mensen dat ik zijn zoon was. Een paar maal nodigde hij mij uit 's avonds laat bij hem op de kamer een glaasje whisky te komen drinken, maar het is er nooit van gekomen.

's Middags was er een officiële lunch om het festival te openen. Er zouden nog vele officiële en minder officiële lunches volgen en diners en cocktailparty's.

Ik zat naast de Amerikaanse schrijfster Jayne Anne Philips. Wij spraken over haar zwarte nagels en het lijden. Welk lijden is mij niet duidelijk. Zij nodigde mij uit die avond met haar naar de dierentuin te gaan.

Na afloop van de lunch wandelde ik met Cees Nooteboom terug naar het hotel. Hij ging een boekhandel binnen om te kijken of onze boeken er lagen. Cees vertelde wie wij waren en toen haalde de boekhandelaar onze boeken tevoorschijn. Tevens werden wij verzocht een teddybeer te signeren. Iets wat wij op die warme zaterdagmiddag allebei deden.

Uit allerlei kleine opmerkingen kreeg ik sterk de indruk dat Cees Nooteboom het niet prettig vond als ik in NRC Handelsblad over hem ging schrijven, en dat zal ik dan ook niet doen. Schrijvers moeten maar over zichzelf de waarheid onthullen, ze kunnen niet verwachten dat andere schrijvers dat voor ze gaan doen. Ik wil het bij de volgende drie woorden laten die uit de grond van mijn hart komen. 'Cees is lief'.

Donderdag moest ik een dichtbundel presenteren van een plaatselijke dichter. Zijn liefdespoëzie was niet erg goed, maar ik had beloofd de bundel hoe dan ook te presenteren.

De beste regel luidde: 'Wie gaat met wie naar huis / dat is waar het uiteindelijk allemaal om gaat'. De dichter, Neil, bleek een paar rammelende tanden in zijn mond te hebben, en zo af en toe zonder huis door het leven te gaan, aangezien hij zijn huur soms naar het casino bracht in plaats van naar de huisbaas. Hij praatte veel. Ondanks zijn niet erg goede gedichten voelde ik wel sympathie voor deze Neil. Niet weten hoe je moet leven is een grotere zonde dan niet weten hoe je moet dichten.

“Wie gaat met wie naar huis”, zei ik op de presentatie in een snikhete tent waar al onze optredens plaatsvonden, “dat is niet alleen waar deze schrijversweek uiteindelijk om gaat. Maar waar het hele leven om gaat. Natuurlijk, je kan er grotere pretentieuze woorden voor vinden, je kan spreken over existentiële eenzaamheid of metafysische leegte. Zijn liefdes- en lustpoëzie is wanhopig. Liefde en lust hoort wanhopig te zijn. En liefdes- en lustpoëzie hoort nog veel wanhopiger te zijn. Waarom? Om met andere mensen contact te leggen zonder drank is al behoorlijk ingewikkeld. Maar hoe kleed je je uit in nabijzijn van derden zonder te hebben gedronken, dat is een filosofisch vraagstuk en ondanks Sartre, Heidegger en Hegel wacht de mensheid nog altijd op een antwoord. Sommigen menen het antwoord te hebben gevonden door drie keer per week een kruidendokter te bezoeken. Wij dienen sceptisch over kruidendokters te zijn en al helemaal over kruidendokters die je naakt te willen zien.”

Na afloop van de presentatie ging ik met Neil en zijn uitgeefster lunchen. Neil was in gezelschap van een vriend die in paarden deed. Die avond ging ik met de uitgeefster en haar man naar het strand om te zwemmen, maar ik hield mijn kleren aan en paste op hun kind.

De avonden eindigden bijna zonder uitzondering op kamer 1118, waar wij heengingen als de bar van het Hilton sloot. Vele schrijvers heb ik op kamer 1118 hun waardigheid zien verliezen. Men kan zijn waardigheid het best in eenzaamheid en afzondering verliezen. Ik verlies, en dat zal niemand verbazen, mijn waardigheid vele malen per dag, maar altijd in afzondering, met tranen in mijn ogen en een slakom en een Zwitsers zakmes binnen handbereik.

Met Ray Monk, de Wittgenstein-biograaf, heb ik een paar maal uitermate aangenaam geflipperd. Een meneer vroeg hem na afloop van een lezing, “vindt u ook niet dat het voor een schrijver begint met een gevoel, en niet met een woord?”

Ray Monk bleef erg beleefd, maar wat een onzin. Voor iedere serieuze schrijver begint het met een woord en niet met een gevoel. Een gevoel bestaat pas als er woorden voor gevonden zijn. Niet zomaar woorden, de juiste woorden.

Later sprak Monk over Russell die volgens hem heen en weer geslingerd werd tussen twee angsten; de angst om gek te worden en de angst voor de eenzaamheid. Om de angst om gek te worden te beteugelen hield Russell zijn emoties zo oppervlakkig mogelijk.

Ook deze avond eindigde op kamer 1118. Maar het werd me een beetje te veel, ik verkondigde dat ik op mijn kamer tupperware verkocht om wat bij te verdienen. Een dichter vroeg “ben jij ooit serieus?” En een Australische schrijver zei “hij liegt alles, vertrouw hem niet”.

“Maar”, zei ik, “dat is nou juist het contract tussen de lezer en de schrijver.”

Na mijn eigen lezing signeerde ik voor vele oudere dames, en het moet gezegd, zelden heb ik een enthousiaster publiek meegemaakt dan in Adelaide.

Via Sydney vloog ik naar Amsterdam. Ik moest in Sydney zes uur wachten en belde ene Lisa op die ik op een van de avonden in 1118 had ontmoet. Op haar visitekaartje stond 'gun for hire'. Ik wilde weten wat dat betekende.

Ze kwam naar een café in de haven van Sydney. “Ik los problemen op”, zei ze.

“Ook aan de andere kant van de oceaan?”

“Als de reiskosten worden vergoed.”

In het vliegtuig naar Amsterdam dacht ik aan de boekenweek en ik troostte me met de woorden van Cioran, dat er nog iets ergers bestond dan niet begrepen worden.

Begrepen worden, wat een horreur.

    • Arnon Grunberg