Beethoven moet terug op het repertoire; De val van de Keizer van Wenen

Beethoven was een held. Zijn muziek was heilig, de negentiende eeuw sidderde in zijn aangezicht. Dat is voorbij. “Het lijkt erop dat de ontkerstening van de laatste decennia gepaard is gegaan met een ontbeethovening.” Ten onrechte.

'... en alles was doodstil. Daarop verhief de orkestmeester zijn ebbenhouten stafje en de symfonie begon. Natuurlijk de zoveelste van Beethoven.'

Beethoven was vroeger vanzelfsprekend, ook in de stad R., waar A.D. Hildebrand (Nicolaas Beets) het concert van 'Melodia' bijwoonde dat hij beschrijft in het verhaal 'De familie Kegge' (Camera Obscura, 1840). Beethoven was toen pas dertien jaar dood. Zijn muziek was nog eigentijds te noemen, terwijl Beethoven ook de voltooiing van de muziekhistorie leek te markeren. Zijn symfonieën waren zonder merkbaar vervolg gebleven, de symfonieën van de twee jaar na Beethoven overleden Schubert moesten nog door Schumann worden ontdekt. Schubert had in Wenen gecomponeerd onder de machtige schaduw van Beethoven en bij zijn leven waren zijn symfonieën nooit officieel in het openbaar gespeeld.

Zó vanzelfsprekend was Beethovens muziek, dat Hildebrand er niet eens naar luisterde. Hij liet zich afleiden door het uiterlijk van de musici, de ganse menigte manspersonen met zwart, blond, grijs, rood of in het geheel geen haar, die speelden met allerlei oogvertrekking en vermoeienis tot ze bont en blauw in het aangezicht werden. Hij sloot zich dan ook aan bij het pleidooi van Goethe om al wat strijkt, blaast of zingt onzichtbaar te maken achter een scherm. Beethovens muziek moest 'als uit een duistere stilte tot ons komen'.

Die hang naar magie, die wonderbaarlijke, zelfs surrealistische sfeer rond Beethoven zou de hele negentiende eeuw niet alleen voortduren, maar ook steeds intenser worden en uiteindelijk in de twintigste eeuw zelfs ongeëvenaarde proporties aannemen. Beethoven groeide uit tot het toonbeeld van de ideale kunstenaar. Beethovens muziek betekende de absolute top, omdat daarin nog meer zat dan alles wat de mens maar aan muzikale èn geestelijke diepzinnigheid kon vermoeden.

Beethoven was een held, zoals er in de kunst nog nooit een had bestaan. Overal in Europa stonden in de salons en muziekkamers de bustes met zijn gekwelde kop. De negentiende eeuw was de eeuw van de bourgeoisie en van de burgerlijke muziekbeoefening. Iedereen speelde piano, het instrument dat door Beethovens sonates zijn definitieve status had gekregen als hèt middel om de abstracte essentie van de muziek te laten klinken. Ook andere kunsten bogen voor Beethoven. Romain Rolland schreef in de jaren 1904-1912 de tiendelige roman Jean Christophe met Beethoven als model.

Een eeuw na Hildebrands verslag van het concert waar Henriette Kegge op de piano had gespeeld en de 'charmante' Van der Hoogen de bladmuziek had omgeslagen, bestond ook in ons land voor velen de echte muziek nog bijna uitsluitend uit Beethoven. Frédéric Bastet schrijft in De kat uit de boom over een Haarlemse pianist en criticus, die na de Tweede Wereldoorlog Mozarts nu zo geliefde Pianoconcert KV 271 'Jeunehomme' niet eens kende. 'Er hing in de muziekkamer een groot portret van Beethoven. Karel de Jong behoorde nog helemaal tot de generatie voor wie Beethoven de enige god was. Beethovencycli voor, Beethovencycli na en van Wolfgang Amadeus Mozart haalden hooguit vijf of zes pianoconcerten en twee vioolconcerten de concertzaal. De overige werden beschouwd als aardig studiemateriaal voor dilettanten of beginnende conservatoriumstudenten.'

Opzij

Inmiddels is in de laatste decennia de waardering voor Beethoven en Mozart radicaal omgedraaid. Vroeger waren de Beethovencycli met al zijn symfonieën, aangevuld met pianoconcerten, het vioolconcert en wat ouvertures, telkenjare de glorieuze afsluiting van het concertseizoen. Geleidelijk aan zijn die van de concertprogramma's verdwenen. Maar ook naar losse uitvoeringen van zijn symfonieën moet men nu speuren in de concertagenda's. Mozart is sinds de film Amadeus en de herdenking van zijn tweehonderdste sterfdag in 1991 populairder dan ooit. De Beethovenfilm Immortal Beloved (1995) waarin Jeroen Krabbé de rol speelde van Beethovens secretaris, veroorzaakte geen herstel van de publieke waardering van Beethoven. Chuck Berry blijkt in Roll over Beethoven ('Opzij, Beethoven, hier komt mijn rhythm 'n' blues') al in de jaren vijftig de tijdgeest goed te hebben voorspeld.

Hoe kan het dat in dertig jaar het onverwoestbare beeld van de machtige Beethoven, opgebouwd in meer dan anderhalve eeuw, zó snel en radicaal is geërodeerd? Beethoven was uitgegroeid tot een god, en het lijkt erop dat de ontkerstening van de laatste decennia gepaard is gegaan met een ontbeethovening.

De negentiende eeuw sidderde in het aangezicht van Beethoven. Brahms verzuchtte: “Nach Beethoven Symphonien zu schreiben!” Hij deed er meer dan twintig jaar over om zijn Eerste symfonie te voltooien in 1876, bijna een halve eeuw na Beethovens dood. Mozart was 9 toen hij zijn eerste symfonie schreef, Schubert was 16, Beethoven was 30, Brahms was 43.

Zelfs Wagner, de enige andere god van de negentiende-eeuwse muziek, erkende dat Beethoven boven hemzelf was gesteld. Hij schreef het verhaal Eine Pilgerfahrt zu Beethoven en dirigeerde Beethovens Negende symfonie na het leggen van de eerste steen voor Wagners Festspielhaus in Bayreuth. Terwijl later in dat theater uitsluitend muziek van Wagner mocht klinken, werd in Wagners Heilige Halle alleen voor Beethovens sacrale Negende een uitzondering gemaakt. Over Beethovens Zesde symfonie zei Wagner dat het was alsof Beethoven zei: “Vandaag zult gij met mij in het Paradijs zijn. Wie hoort niet het woord van de verlosser als hij naar de 'Pastorale' luistert?”

Ook het sterven van Beethoven had in sommige opzichten doen denken aan de Goede Vrijdag-gebeurtenissen op Golgotha. Beethovens uitgever Schott stuurde hem wijn op zijn ziekbed en 'Schade, schade, zu spät' waren zijn laatste woorden. Nadat hij twee dagen bewusteloos was geweest, stak op 26 maart 1827 laat in de middag een storm op. Schuberts vriend Anselm Hüttenbrenner zag tegen vijf uur een lichtflits, gevolgd door een enorme donderslag. 'Na dit onverwachte natuurfenomeen, dat mij hevig verschrikte, opende Beethoven zijn ogen, hief zijn rechterhand op, met zijn vuist gebald en een zeer ernstige, dreigende uitdrukking op zijn gezicht. Toen hij zijn hand op het bed liet terugvallen sloot hij half de ogen. Geen ademtocht meer, geen hartslag.'

Inkomen

De fascinatie met Beethoven vond een van zijn oorzaken in het feit dat er over geen enkele andere componist zóveel bekend was. Bij zijn leven was hij beroemd geweest, al had dat zich niet altijd vertaald in succes en een passend inkomen. Beethoven was de Weense keizer van de muziek, zijn begrafenis werd bijgewoond door dertigduizend mensen. Hij was een echte werker, de kunst kwam niet zómaar. Dat hij 5000 pagina's met schetsen achterliet, maakte indruk op de ijverige negentiende eeuw, net als zijn geworstel met zijn enige opera Leonore, later Fidelio. Alleen al voor Leonore schreef hij drie ouvertures.

Treurig waren zijn mislukte pogingen zich een geliefde te verwerven: wie wist niet van Die ferne Geliebte en An die unsterbliche Geliebte. Dan was er de moeizame strijd om de voogdij over zijn neef Karl, over wie hij zich wilde ontfermen. En de grootste aller componisten was doof geworden en kon zijn eigen muziek niet meer horen! Maelzl, de uitvinder van de metronoom, maakte voor Beethoven de ene luisterhoorn na de andere. Het dirigeren van zijn symfonieën mislukte jammerlijk, zijn tragiek bleek uit zijn piano waarvan de snaren alle kanten uitsprongen - kapotgebeukt in wanhopige pogingen nog iets te horen. Zijn doofheid zorgde er ook voor dat in de Konversationshefte de schriftelijke gesprekken met zijn bezoekers letterlijk bleven bewaard.

Het lijkt erop dat het zó gedetailleerde beeld van Beethoven zijn kunstenaarschap uiteindelijk te groot heeft gemaakt en het zicht op zijn muziek zelf definitief heeft overwoekerd. Niet de, in bijvoorbeeld de Negende, zo verrassend vitale, flitsende, verbeeldingsvolle en zelfs revolutionaire Beethoven heeft nog onze voorliefde. Die is voorbehouden aan het schijnbaar moeiteloos componerende, hedonistische, jonge genie Mozart, zo is de algemene indruk. De 180 cd's van Philips' complete Mozart-uitgave werden in 1991 gemakkelijker verkocht dan de 85 cd's van de complete Beethovenuitgave waarmee Deutsche Gramophon vorig jaar kwam.

Bij het Koninklijk Concertgebouworkest, het Residentie Orkest en het Rotterdams Philharmonisch Orkest staan grote stukken van Beethoven tijdens het komende seizoen in totaal twaalf keer op het programma - minder dan een echte Beethovencyclus bood. En hoe vaak is Mozart te horen bij de drie belangrijkste orkesten samen? Acht keer. Haydn wordt nog slechts twee keer gespeeld!

Haydn, Mozart en Beethoven - samen is dat volgens de strikte musicologische terminologie de 'klassieke' Weense muziek. Schubert en Schumann waren romantisch, Brahms neoklassiek, Mahler laatromantisch, Schönberg, Berg en Webern vormden de Tweede Weense School. Terwijl de eerste Weense School de basis is van de symfonische muziek, beperkt het repertoire van de symfonieorkesten zich steeds meer tot een kleine eeuw van romantiek, laatromantiek en het imposante, veelal Strawinskyaanse spektakel van de vroege twintigste eeuw. Het wordt voor de orkesten tijd om nu eens flink vooruit te gaan en meer eigentijdse muziek te spelen en tegelijkertijd ook met nieuw enthousiasme te werken aan een inspirerende herleving van de klassieke muziek, van Haydns paukengeroffel tot Beethovens Götterfunken.

Hoe kan het dat het onverwoestbare beeld van Beethoven, opgebouwd in meer dan anderhalve eeuw, zó radicaal is geërodeerd?