Babbelen over een slangenkuil

Igor Cornelissen: Raamgracht 4. Mooie jaren bij het weekblad. Nijgh & Van Ditmar, 493 blz. ƒ 49,90

Weet u nog wat er door u heen ging toen u dertig jaar geleden een bepaalde deurklink neerdrukte, waarom tijdens een kort verblijf in New York de kippensoep mislukte en wat een vrouw van één nacht precies zei toen ze het bed uitstapte? Igor Cornelissen wel. Slechts één keer stokt in dit boek de stroom van gedetailleerde herinneringen, bij een echtscheiding, als volgens Cornelissen zijn oude agenda te weinig uitsluitsel geeft over interessante activiteiten.

Ook maakt hij - met breed geëtaleerde zelfingenomenheid die dit boek iets vermoeiends geeft - trots gewag van zijn grote archief. Alle kattebelletjes zijn bewaard, talloze knipsels zorgvuldig opgeborgen totdat de tijd van het schrijven van de autobiografie was aangebroken. Het is niet voor niets geweest. Raamgracht 4 is al het tweede deel van Igor Cornelissens memoires: 478 kloeke pagina's tekst met een personenregister van - als ik me niet vertel - 1016 namen, en dat alleen nog maar over de periode 1962-1976. Andere delen zullen volgen.

De journalist Cornelissen weet, om in zijn soms wat oubollige jargon te blijven, vaardig de pen te hanteren. Hij heeft veel interessante mensen ontmoet en blinkt uit in de beschrijving van wat oudere, vermoeide randfiguren ter politieke linkerzijde. Aan hen waren trouwens ook veel van zijn artikelen in Vrij Nederland gewijd, waarvan er hier veel in kort bestek worden naverteld.

Wat zich daarbij wreekt, is dat de auteur wars lijkt van vertoon van sentiment en drama, zowel in de beschrijving van andermans, als van zijn eigen leven. Het kabbelt maar voort, van oppervlakkig beschreven ontmoeting naar gemoedelijk verblijf aan deze of gene bittertafel. Af en toe gaan we zelfs mee op vakantie. Cornelissen heeft zich in zijn leven niet verveeld. Uitgesmeerd over bijna 500 pagina's is dat wellicht wat te veel van het goede.

En als er af en toe al iets gebeurt dat, naar we mogen aannemen, de auteur moet hebben aangegrepen - een kind wordt hem geboren, het geloof in het trotskisme ontvalt hem - dan doet hij daarvan verslag op dezelfde anecdotische toon die het bij je vrienden in het café goed doet, maar in boekvorm niet.

Titel (Raamgracht 4 is het redactieadres van het weekblad Vrij Nederland in Amsterdam), ondertitel en omslag (een perskaart) wekken de indruk dat Cornelissens boek vooral over Vrij Nederland gaat. Dat is niet het geval. Wat hij over Vrij Nederland, waar hij zijn dertig jaar heeft gewerkt, te melden heeft is bovendien ver onder de journalistieke maat en komt voornamelijk neer op sarcastische sneeren naar mederedacteuren en medewerkers van het weekblad - geheel in de lijn van de slangenkuilachtige atmosfeer vol ruzie waardoor, als we Cornelissen mogen geloven, het leven op de Raamgracht werd gekenmerkt.

In deze beschrijvingen krijgt het boek, voor het eerst, overigens wél een tragische dimensie. Want zelfs al zou het waar zijn geweest dat de redactie van Vrij Nederland bevolkt werd door louter domme collega's, incompetente leden van de hoofdredactie en fysiek onaantrekkelijke vrouwelijke journalisten, dan nog vraag je je af waar Cornelissen nu eigenlijk zo verbitterd over is. Hij wilde, naar eigen zeggen, niets anders dan naar zijn eigen idee stukken schrijven over onderwerpen die hem interesseerden, en niemand heeft hem daarbij een strobreed in de weg gelegd. Integendeel: veel van die stukken waren mede gezichtsbepalend voor Vrij Nederland in de hier beschreven bloeiperiode, toen het blad in brede kring gold als een periodieke manifestatie van het 'progressief bewustzijn' en ook de redactie zelf zich een beetje heilig leek te voelen. Over die sfeer had ik wel meer willen weten, in plaats van over de vraag wie van de redactie wie in bed kreeg.

Enig nadenken had Cornelissen misschien op de gedachte kunnen brengen dat Rinus Ferdinandusse en Joop van Tijn - hoezeer misschien ook in andere opzichten door en door slecht - althans één kwaliteit hadden die op geschiktheid voor het hoofdredacteurschap wees: zij lieten Cornelissen zijn gang gaan. In plaats daarvan delen Ferdinandusse en Van Tijn in de algehele Rufmord op ex-collega's waartoe Cornelissen zich geroepen voelt en die, omdat er nauwelijks sprake is van serieuze bezwaren, een bizar karakter krijgt. Dat laatste maakt van Raamgracht 4, behalve een wat onbeduidend, ook een wat ergerlijk boek.