Arsenicum en hondenexcrement

Iain Pears: Het goud van de waarheid. Uit het Engels vertaald door Mieke Lindenburg en Victor Verduin. Anthos, 720 blz. ƒ 59,50

Als Marco da Cola, één van de hoofdpersonen uit Het goud van de waarheid voor de eerste keer dotor Grove ontmoet, heeft deze rood ontstoken ogen. Da Cola is arts en ziet dat er bruine afvalstoffen op het ooglid zitten. 'Dat is het geneesmiddel, malloot,' antwoordt de ander. Gedroogd hondenexcrement, mits van een rashond, werd in de zeventiende eeuw als een probaat middel tegen allerlei oogkwalen beschouwd. In die tijd was de wetenschap nog een groot avontuur en was de grens met kwakzalverij niet altijd duidelijk.

In Oxford, waar Iain Pears' ingenieus opgezette roman zich in 1663 afspeelt, grijpen ambitieuze wetenschappers de nieuwe kansen en wagen ze zich al experimenterend op onbekend terrein. Pears' hoofdpersonen doen proeven met bloedtransfusie, hoewel hun nog niet precies duidelijk is welke rol het bloed in het lichaam vervult (vervoert het de 'levensgeest'?, voert het afvalstoffen af?) en met de vacuümpomp van Boyle. Niet alleen de wetenschap maakt in deze periode echter grote ontwikkelingen door, ook in politiek en religieus opzicht zijn het tumultueuze tijden. In 1660 komt een einde aan twaalf jaar puriteins bewind onder Cromwell en aanvaardt het Engelse Parlement Karel II als koning. Karel II stelt zich tolerant op tegenover andere religies. Boze tongen beweren echter dat hij in het geheim katholieke sympathieën koestert - een explosief gegeven in een tijd waarin katholieken worden beschouwd als agenten van een vreemde mogendheid die Engeland wil onderwerpen. Pears werkt al deze historische gegevens met veel oog voor detail uit tot een complexe intrige. Bovendien weet hij alle elementen die hij aanvoert - wetenschap, religie en politiek - tot geloofwaardige bestanddelen van zijn verhaal te maken. Ondanks de imposante omvang van het boek, staat er geen woord te veel in.

Het goud van de waarheid (in Engeland verschenen als An Instance of the Fingerpost) is al omschreven als een thriller. Hoewel Pears hiervoor een zestal misdaadromans heeft gepubliceerd die zich in het kunstcircuit afspeelden en Het goud van de waarheid zeker een spannend verhaal is, doet deze typering het boek geen recht. De roman is geen eendimensionale zoektocht naar de moordenaar van dr. Robert Grove, die op een dag dood in zijn vertrekken in het New College wordt aangetroffen. De op historisch materiaal gebaseerde samenzwering die Pears langzaam onthult, blijkt gaandeweg veel belangrijker te zijn.

Het relaas van de dood van dr. Grove krijgen we te horen van Marco da Cola. Da Cola is een katholiek en zoon van een rijke Venetiaanse zakenman die, naar zijn eigen zeggen, in Engeland is om een aantal zaken voor zijn vader te regelen. Da Cola raakt bevriend met Richard Lower, die later in werkelijkheid een succesvol Londens society-arts werd. Lower introduceert hem in de universitaire wereld van Oxford, waar Pears tal van wetenschappers, zoals Boyle en Locke, laat opdraven als bijfiguren. Da Cola heeft als vreemdeling part noch deel aan de verwikkelingen op de universiteit. Via hem horen we hoe Sarah Blundy, het dienstmeisje van dr. Grove schuldig wordt bevonden aan de moord op Grove en wordt opgehangen.

Hierna voert Pears een andere verteller op, die ons een verhaal vertelt dat volkomen los van het eerste verhaal lijkt te staan. Jack Prestcott is de zoon van een edelman die van een samenzwering tegen Karel I is beschuldigd en in ballingschap is gestorven. Hij vertelt dat hij belangrijk bewijsmateriaal dat tot Sarah Blundy's ophanging heeft geleid, heeft gefabriceerd om zijn eigen huid te redden. Prestcott streeft naar eerherstel van zijn vader James Prestcott en probeert met alle middelen diens onschuld te bewijzen. Deze twee verhaallijnen - de moord op dr. Grove en het hoogverraad van James Prescott - weet Pears samen te binden tot een intrige waarbij de hoogste kringen rond de Engelse koning Karel I betrokken zijn.

De vertaling is uitstekend en weet door een enigszins archaïsch idioom precies de goede sfeer op te roepen. Zo zijn boeken gebonden in 'velijn' en heet een oude vrouw een 'oud karonje'. Pears laat de spanning geen moment verslappen en speelt geraffineerd met de lezer door maar liefst vier verschillende vertellers op te voeren die allevier zo hun eigen redenen hebben om economisch met de waarheid om te springen. Bovendien probeert hij, anders dan Umberto Eco in In de naam van de Roos, waarmee het boek ook al vergeleken is, om zich zoveel mogelijk te verplaatsen in de denkwereld van de zeventiende eeuw, een tijd waarin een arts je kon aanbevelen om maagkramp te bestrijden met arsenicum bij wijze van braakmiddel.

'Ik zal niet weinig weglaten, maar niets van belang,' verzekert Da Cola de lezer op de eerste pagina van zijn verslag. 'Die Cola is een verderfelijke, arglistige en arrogante leugenaar,' fulmineert John Wallis, de cryptograaf van Karel de Tweede. De lezer moet aan het einde, uit de verschillende, elkaar tegensprekende beweringen en de overweldigende hoeveelheid feiten zijn eigen oordeel vormen. Terugbladeren is daarbij onvermijdelijk. Pears zegt het zelf met een aforisme van Francis Bacon: er zijn altijd vingerwijzingen voor het juiste antwoord te vinden. 'Soms worden deze vingerwijzingen zelfs gevonden in het materiaal dat al is opgetekend.'