4,1475 miljard gulden subsidie

In 'De onzichtbare hand van de politiek' worden tientallen ambtenaren, politici en Philips-directeuren sprekend opgevoerd en wordt uit een reeks vertrouwelijke documenten geciteerd. Daardoor is het mogelijk een berekening te maken van de overheidssteun die Philips minimaal heeft ontvangen sinds het bedrijf een subsidierelatie met de overheid is aangegaan. Berekend wordt de periode 1982-1997: de afgelopen zestien jaar. (Bij ieder cijfer staat de bron cursief vermeld)

Tussen 1982 en 1987, als de subsidies nog vrijblijvend en onschuldig zijn, gaat het om ten minste 100 miljoen gulden per jaar (Paul Merkelbach, destijds vertegenwoordiger van Philips in Den Haag, thans managing director Corporate Export Controls, en Rudolf de Korte, oud-minister van Economische Zaken). Ingaande 1988 is er tot en met heden gegarandeerd 100 miljoen per jaar (het zogenoemde Philips-convenant). Het komt uit op 1,6 miljard gulden (16 keer 100 miljoen) ongeclausuleerde subsidie voor Research & Development (R&D).

De Instir, een regeling die uitgaven voor R&D subsidieert, levert tussen 1984 tot en met 1991 minimaal 20 miljoen gulden per jaar op (Merkelbach en Ronald van der Meijden, evaluatie-onderzoeker TNO), dat komt uit op 160 miljoen gulden.

Het zogenoemde megachipsproject (1984-1990) is goed voor 250 miljoen gulden Nederlandse subsidie (oud-minister Koos Andriessen van Economische Zaken aan de Tweede Kamer).

De technolease uit 1993 leidt volgens ambtelijke berekeningen, onderschreven door de Rabobank (directeur Herman Wijffels vorig jaar in NRC Handelsblad), tot een voorspeld fiscaal nadeel voor de overheid over tien jaar (tot en met 2003) van één miljard gulden.

Het sommetje laat zich aldus simpel maken: het totaal aan nationale steun die Philips tussen 1982 en 1997 minimaal kreeg toegezegd komt uit op 3,010 miljard gulden. Het is een minimum-berekening omdat niet zijn meegerekend: de fiscale voordelen van de regeling uit 1993 voor R&D-investeringen, algemene fiscale voordelen en een chipsfabriek in Nijmegen sinds 1994.

Desondanks is er een interessante vergelijking te maken: het veel gesmade RSV-concern kreeg, aldus het rapport van de enquêtecommissie RSV (deel 2, pagina 377) van de overheid 2,679 miljard gulden in een zelfde periode van zestien jaar (1968-1983).

Philips kreeg echter ook Europese subsidies.

In de periode 1981-1990 ging het langzaam naar 60 à 70 miljoen gulden per jaar (Nico Hazewindus, tussen 1981 en najaar 1997 director Corporate Product Development Coordination). Om het minimale voordeel te berekenen wordt de periode tot 1985 (de langzame oploop) op nul gezet, vanaf 1985 is 65 miljoen per jaar gerekend, hetgeen uitkomt, tot en met 1990, op 390 miljoen gulden. Daarna halveert het Europese subsidiebedrag (Hazewindus), hetgeen in de periode 1991-1997 optelt tot 227,5 miljoen gulden. Totaal aan Europese subsidies tussen 1981 en 1997 is daarmee 617,5 miljoen gulden.

Vanaf 1987 lopen het Europese R&D-project Eureka en zijn opvolgers op volle toeren, wat betekent dat tal van individuele Europese overheden R&D-projecten subsidiëren die op nationale bodem plaatshebben. Philips betrekt zo in heel Europa enkele honderden miljoenen per jaar (Tom van Heesch, oud-topambtenaar EZ en oud-medewerker Philips). Uitgegaan wordt opnieuw van het laagste scenario: 200 miljoen per jaar vanaf 1990. In dat bedrag zit de Nederlandse bijdrage (100 miljoen - het convenant) en de Europese (vanaf 1990 35 miljoen - Hazewindus). Resteert 65 miljoen sinds 1990 van andere Europese overheden, hetgeen over de periode 1990-1997 uitkomt op 520 miljoen gulden.

Zo is de slotsom te maken van de minimale R&D-steun die Philips de laatste zestien jaar kreeg toegezegd. Nederlandse steun: 3,010 miljard gulden. Subsidie van de Europese Commissie: 0,6175 miljard. (Eureka-)subsidie uit individuele Europese landen: 0,52 miljard. Het totaal: 4,1475 miljard gulden.