Zonder allure

De Nederlandse grondwet zou 'een meezinger' moeten zijn. Het tegendeel is het geval.

DE IDEALE GRONDWET is van beknopte lengte en bevat niet meer dan enige tientallen bondige artikelen “zodat iedere normale burger kan leren haar inhoud uit het hoofd te citeren”, schreef professor W. Duk, emeritus hoogleraar van de Universiteit van Amsterdam, in een recent verschenen themanummer over de grondwet van het Nederlands Juristenblad (30 januari 1998).

Die kant moet het uit. Honderdvijftig jaar na Thorbecke's geruisloze revolutie moet de grondwetsherziening van 1848 op een gepaste manier worden herdacht: met z'n allen nagenieten van het grote moment dat een eind maakte aan de feitelijke alleenheerschappij van de koning, en de regering onder de zeggenschap van de volksvertegenwoordiging bracht. Op 17 maart - de dag waarop het liberale Kamerlid Thorbecke in 1848 koning Willem II tactvol onder ogen bracht dat de tijd was gekomen om het volk zelf de staatszaken ter hand te laten nemen - zou iedere 'normale burger' (autochtoon en allochtoon) op gemene kosten een volkseditie van de grondwet cadeau moeten krijgen om de tien belangrijkste grondwetsbepalingen uit het hoofd te leren. Misschien is dat laatste wat veel gevraagd - niet zozeer van de 'normale burger' als wel van de regering en de Kamers van de Staten-Generaal die de grondwet schrijven, dan wel herzien of, realistischer gezegd, in elkaar knutselen. Of, zoals de Nijmeegse jurist prof.mr. C.A.J.M. Kortmann in het juristenblad zegt, te buiten gaan aan “periodiek priegelwerk”.

Professor Duk, vrees ik, slaat het literaire talent van de Nederlandse grondwetgever te hoog aan. Onder de Duk-norm zou het 142 (plus additionele) artikelen tellende hoofddocument van de Nederlandse staatsregeling gelijktijdig moeten worden gesnoeid en verheven tot het citeerniveau van een scheurkalender van Koot en Bie. Dat vereist een onthoudbaarheidsgraad die sinds de dagen van Thorbecke niet meer is bereikt. Thorbecke schreef onthoudbare zinnen die bij generaties van staatsrechtbeoefenaren in het geheugen gegrift stonden. In de toelichting op zijn ontwerp van de grondwetsherziening van 1848 ('Aan den Koning!'), rekende hij in nadien nooit meer geëvenaarde zinnen af met het conservatisme uit de voorgaande jaren: “De Grondwet sloot volkskracht buiten.” “Zij heeft staatsburgerschap, de eerste drijfveer onzer eeuw, zooveel zij kon, laten slapen.” In diezelfde adem sprak hij de bekende tenlastelegging uit, die voor Thorbecke-kenners de mooiste regel uit zijn hele oeuvre is: “Om hartstogt te mijden, brak zij de ziel.” Thorbecke beheerste de kunst van het bondig schrijven als geen ander, zoals zijn kiezers hele stukken van zijn grondwet uit het hoofd kenden - in elk geval het hoofdstuk over de constitutioneel onzichtbaar gemaakte koning.

De even artistieke als veelzijdige Amsterdamse hoogleraar in het staats- en administratief recht mr.dr. George van den Bergh werkte op een niveau ergens tussen Thorbecke en Duk weer andere vormen van constitutionele didactiek uit. Hij droeg bij een speciale gelegenheid zingend de grondwet voor. Van den Bergh, die behalve een productief jurist ook een energieke uitvinder was, onder meer van de papierbesparende meerlingdruk, deed dat op 5 december 1947, in een beroemd geworden staatsrechtcollege over de artikelen 56, 57 en 58 van de grondwet (1946) op de melodie van Zie, de maan schijnt door de bomen, dat de geschiedenis zou ingaan als het Sinterklaascollege. Van den Bergh had daar zo'n succes mee dat de grondwet onder zijn studenten een meezinger werd.

De vraag is echter of de Nederlandse grondwet wel zo interessant is dat iemand dit staatsstuk vijftig jaar na George van den Bergh zou willen meezingen of - alsof het om de Ilias ging - uit zijn hoofd zou willen leren? De grondwet is daarvoor te veel een prozaïsch document, dat in dorre, lang niet voor iedereen begrijpelijke taal is gesteld en op geen enkele plaats de gespierde taal bevat waarin Duks ideale grondwet geschreven zou moeten zijn: “Haar taal is gespierd en monumentaal: een waardig voorbeeld van documentair proza” (het laatste van zijn Tien geboden voor grondwetgevers). Zelfs de rechtsbetrekkingen - waar het in een grondwet hoofdzakelijk om gaat - tussen de Koning en de ministers worden in de (gemoderniseerde) Nederlandse grondwet van 1983 nog steeds geformuleerd in termen die zowel onduidelijk als archaïsch zijn. Voor een gewone Nederlander is het lezen van de grondwet al geen onverdeeld genoegen, maar voor iemand die geheel vreemd is in de Nederlandse staatkundige cultuur is het ronduit een vervreemdende opgave. De Nederlandse regering moet vooral geen grondwet meegeven in het basispakket inburgeringsvoorwaarden voor nieuwe Nederlanders, want die mensen zouden alleen maar hulpeloos gedesoriënteerd ervan raken. Wat is dat trouwens voor een merkwaardig nationaal bezit, dat bij niemand meer gevoelens van dierbaarheid oproept en zelfs politici wezenlijk onberoerd laat?

Oud-premier Van Agt zei deze week dat hij sinds 1977 (het jaar van zijn aftreden) zich nooit meer het hoofd over de grondwet had gebroken en er sindsdien nooit meer naar had omgekeken. Dat geldt in het algemeen voor ministers. Voor hen vormt de grondwet geen enkel dagelijks referentiekader, hooguit voor hun ambtenaren, die moeten waarschuwen als een regeringsmaatregel strijdigheid oplevert met de grondwet en die de grondwet daarvoor blindelings kennen. Zij zijn de enige liefhebbers die met de grondwet naar bed gaan en ermee opstaan. Voor alle anderen is de grondwet een oud paard, dat af en toe van stal wordt gehaald om een rondje in de Kamers te lopen als de grondwet weer eens 'in onderhoud' moet. Buiten het kader van die periodieke grondwetsherziening (het doorlopend sleutelen aan de grondwet is de belangrijkste oorzaak van de sterk geslonken populariteit) wordt in Kamerdebatten zelden aan de grondwet gerefereerd. De Tweede Kamer telt vele afgevaardigden die de grondwet niet alleen nooit inzien, maar in heel hun parlementaire loopbaan nog nooit aan een grondwetsherziening hebben meegewerkt - zelfs niet op afstand.

Het is dan ook geen wonder dat de professionele kenners van de grondwet niet te spreken zijn over de kwaliteit van de grondwetsherzieningen - een doorlopend proces, dat vrijwel uitsluitend over kleinigheden gaat. Prof.mr. L. Prakke, de belangrijkste redacteur/bewerker van het Handboek van het Nederlandse Staatsrecht van Van der Pot-Donner, spreekt in de twaalfde druk (1989, blz. 138) onverbloemd zijn misnoegen uit over de rol van de volksvertegenwoordiging bij de herziening van de grondwet van 1983: “Zij voelt zich niet meer in de eerste plaats wetgevend lichaam, maar wordt meer aangetrokken door de politieke actualiteit. De invloed die zij op de herziene grondwetstekst heeft gehad, mist dan ook allure en is vooral vrucht geweest van invallende, soms weinig beraden gedachten van individuele leden.”

Wie de grondwet uit het hoofd wil leren, doet er goed aan de staatsrechtelijke verhoudingen anno 1998 in internationaal perspectief te bezien. Uit dat gezichtspunt is de Nederlandse grondwet allang niet meer de hoogste wet van het land. Zij is ondergeschikt geworden aan hogere rechtsorganen en verdragen, zoals het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en het recht van de Europese Gemeenschappen, die tezamen het Nederlandse recht veel meer beheersen dan de Nederlandse grondwet dat doet. Onder de werking van het EVRM is Thorbecke's grondwet, dat negentiende-eeuwse lichtbaken van liberale scheppingskracht, de laatste jaren langzaam maar onvermijdelijk verschrompeld tot een regionaal staatsdocument.