Trou Moet Blycken

Estella Hijmans-Hertzveld (1837-1881)

Hannibal

Afrika, vernederd Afrika, Hef het machtloos hoofd uit uwe doodenwaê.

Daverend rolt zij nog heen door uw velden

De stem van 't verleden, de stem van uw helden.

Hoor! Daar snuift de Samoum uw woestijnen door;

Daar drijft hij zijn wentlende gloeiende bergen;

Hij loeit, en de echo loeit hem na:

Wee, wie mijn vlammenden adem durft tergen

Ik ben een zoon van Afrika! Zij spreken die zuilen, die vuurge kolommen

Van vroegere grootheid, van toomlooze kracht

Toen de Afrikaan Europa deed verstommen

Waar zij haar macht dorst meten met zijn macht

Waar hij van 't berggevaart in onafzienbre drommen

Neerdonderde als de orkaan met bliksemvuur bevracht.

(...)

'Rampzalig Afrika! hoe treurig staan uw palmen

Zij - straks nog ruischend bij de laatste vrijheidsgalmen

Van 't schaatrend krijgsgezang dat heenrolde over 't strand.

Toen 't staal nog bliksems schoot in Abd-el-Kaders hand, -

Zij zuchten slechts bij 't rinkelen der schalmen

Van kluisters die in 't verre land, Uw diep-vernederd kroost het veege lijf omgorden. Wat is er van uw grootheid, wat van uwen roem geworden?'

(...)

De veldheer snelt aan. Daavrend bruist het door de velden, Machtiger dan het trompettengeschal: Wees welkom, held der helden, HANNIBAL!

Er is veel meer slechte poëzie dan goeie poëzie in de wereld. Er zijn dichters die maar een paar rake gedichten hebben geschreven, terwijl de rest naast het doel is gemikt, en er sloegen ook lieden aan het dichten die over geen enkel poëzietalent beschikten. Wat te doen met die miljoenen mislukte gedichten? Erover zwijgen en ze met de mantel der liefde bedekken is maar het beste. Ze hebben hun functie vervuld bij bruiloften en andere ongemakken. Ze hebben de eigendunk van de maker een moment gestreeld. We kunnen ze als poëzie vergeten omdat ze nooit poëzie zijn geweest.

Er is ook zoiets als de beste slechtste poëzie. Poëzie die zo slecht is dat we er van kunnen leren wat poëzie niet is, en dus ook weer een beetje wat ze wel is. We moeten een klein deel van de slechte poëzie binnen ons blikveld houden. Om lucht te happen in de eerste plaats - zoals na een Tirlitonse truffelmousse en Montignacse kalfshersenen een kroket geen kwaad kan. Vervolgens vanwege het plezier en het leedvermaak. En ook om nog eens grondig te beseffen dat het bij goeie poëzie niet om een automatisme gaat.

Het is gemakkelijk om uit het werk van een dichter die je niet aanstaat een belabberd gedicht te plukken en je daar vrolijk over te maken. Dat is niet wat ik wil. De poëzie is een bedreigde soort. Wat ik wil is nagaan wat de eigenschappen zijn van slechte poëzie op haar best, bij voorkeur uit de bloeiperiode van de poëtasterij en de openbulderende dichtaders, de negentiende eeuw. Honderden dichters zijn er toen geweest waarvan het geen schande is dat u er nooit van heeft gehoord, omdat ook iedereen die van ze gehoord zou kunnen hebben er nooit van heeft gehoord. J.M.E. Dercksen, J. Blankenaar en J.K. Crucq C. Jz., om er een paar te noemen. U zult ze in de literatuurgeschiedenissen vergeefs zoeken.

Afgevoerd wegens het begaan van poëtische misdaden. Nee, niet afgevoerd - nooit op het toneel geweest.

In Engeland is de slechte poëzie beter in kaart gebracht. Dichters als Julia A. Moore, 'the Sweet Singer of Michigan' en William McConagall komen voor in elke bloemlezing met idiote, beroerde, marginale of komische poëzie en ze hebben op hun terrein een klassieke status bereikt. In Duitsland vervult Friederike Kempner, 'der schlesische Schwan', zo'n beetje de rol van officiële - nu ja, beste slechte dichter.

Komt Estella Hijmans-Hertzveld in aanmerking voor het predikaat 'de Arnhemse zwaan'? Ze heeft haar naam alvast mee. 'Grote bescheidenheid', lezen we in het Biographisch woordenboek van Frederiks en Van den Branden, 'weerhield de talentvolle vrouw van ene volledige uitgave harer schone zangen, totdat haar overlijden, te Arnhem 4 Nov. 1881 voorgevallen, dit bezwaar wegnam.'

Nog in het jaar van haar dood verscheen er een kloeke bundel, minstens drie kilo, met gegraveerd portret en vergulde band, aan drie kanten goud-op-snee, bescheidenheid ajuparaplu.

Daverend snorkt Estella voort in haar poëzie. Haar Hannibal is een ideale oefentekst voor pathetisch toneel. Bergen zijn bij haar meteen berggevaarten en bliksem is bliksemvuur. Drommen zijn behalve drommen ook nog onafzienbrrrrr, terwijl de orkanen maar neerdonderen. Met bliksemvuur vanaf berggevaarten.

Verderop horen we het ruisen, schateren, zuchten, alsmede het rinkelen der schalmen van kluisters die omgorden. Je hebt niet de behoefte - wat je bij een goed gedicht wel hebt - om te proberen te doorgronden wat hier staat. Het ronkt. En we moeten tevreden zijn met die eigenaardige sensatie.

We willen mevrouw Estella Hijmans-Hertzveld niet te hard vallen. Ze geniet van een welverdiende dood. We willen alleen maar achter de kenmerken van slechte poëzie komen. Nu, het allereerste kenmerk is bombast.