Toetreding was in 1957 gemakkelijker

Welke lidstaten van de Europese Economische Gemeenschap (EEG) zouden in 1957 hebben voldaan aan de eisen die nu aan de toetreders tot de EU worden gesteld? Een gedachtenexperiment.

ROTTERDAM, 12 MAART. “In mijn sombere momenten vraag ik me wel eens af hoe lang we lid kunnen blijven van een organisatie met daarin een Frankrijk dat nu eens fascistisch en dan weer totalitair is.” Dat schreef een Nederlandse ambtenaar in 1958 over de Europese Economische Gemeenschap (EEG). In mei van dat jaar was generaal De Gaulle bij wat algemeen een 'staatsgreep' werd genoemd weer aan de macht gekomen in Frankrijk en in Nederland werd al gespeculeerd over het einde van de EEG, waarvoor het verdrag pas een jaar eerder was gesloten.

Waren de eisen voor lidmaatschap van 'Europa' in 1958 dezelfde geweest als nu, dan had het laatste uur van de EEG in 1958 snel geslagen. 'Respect voor de democratie' is immers - zo concludeerden de politieke leiders van de Europese Unie in Kopenhagen (1993) - een kernvoorwaarde voor lidmaatschap van de Unie. Bij toepassing van de criteria van 'Kopenhagen' zou de Europese Economische Gemeenschap zelfs nooit zijn ontstaan, want in 1957 voldeed geen enkele van de oorspronkelijke zes lidstaten aan de eisen voor toetreding zoals die 36 jaar later in de Deense hoofdstad werden geformuleerd.

Dat gold zeker voor Frankrijk. In de jaren vijftig was dat land betrokken bij bloedige koloniale oorlogen, eerst in Vietnam en daarna vooral in Algerije. De toenemende spanning in Frankrijk door de Algerijnse kwestie, die vanaf het midden van de jaren vijftig sterk voelbaar was, maakte dat de Vierde Republiek (1944-1958) ook voor de 'staatsgreep' van De Gaulle al in de gevarenzone verkeerde. De 'stabiele instellingen' waar 'Kopenhagen' zo de nadruk op legt, waren in Frankrijk in de tweede helft van de jaren vijftig nauwelijks aanwezig. En als Algerije - zoals de Franse regering had verordonneerd - deel uitmaakte van het moederland, dan was het ook met de mensenrechten (een ander toelatingscriterium volgens 'Kopenhagen') droevig gesteld. Franse troepen maakten zich daar immers schuldig aan gruweldaden tegen het eveneens meedogenloze Algerijnse verzet.

Ook economisch voldeed Frankrijk nauwelijks aan de huidige toetredingsvoorwaarden. Een 'monetaire unie' was voor Frankrijk in de tweede helft van de jaren vijftig onhaalbaar: in het economische model waar Parijs voor had gekozen speelde periodieke devaluatie van de franc een belangrijke rol. En had Frankrijk een 'functionerende markteconomie', zoals 'Kopenhagen' voorschrijft? In het Verdrag van Rome bedong het een groot aantal uitzonderingsbepalingen omdat de regering in Parijs bang was dat de Franse industrie, altijd door tariefmuren beschermd, de concurrentie met de andere landen in de EEG niet aan kon. Daarnaast wilde Frankrijk, mede om zich tegen de concurrentie van buiten de Gemeenschap te wapenen, een zo hoog mogelijk gemeenschappelijk buitentarief. Voor de landbouw achtte Frankrijk het vrije spel van vraag en aanbod al helemaal niet van toepassing: de Fransen vochten bij de onderhandelingen over het Verdrag van Rome voor 'langetermijncontracten', een vorm van staatshandel waarbij de landen van de Gemeenschap elkaars producten zouden afnemen.

Ook de andere lidstaten van de Gemeenschap voldeden in 1956 nauwelijks aan de criteria van nu. Weinigen in Europa waren van mening dat Duitsland en Italië, de agressors uit de Tweede Wereldoorlog, in 1957 al een brevet voor democratische gezindheid verdienden. De Duitse Bondsrepubliek had bovendien in haar grondwet staan dat Oost-Duitsland deel uitmaakte van het ene Duitsland. Een oorlog tussen de twee Duitslanden, zoals die in 1950 tussen de twee Korea's was uitgebroken, kon niet worden uitgesloten. Italië, dat eenzelfde strategie voor economische groei had als Frankrijk, was net als Parijs voorstander van hoge tariefmuren. Het toch al moeilijke gevecht met de 'marktkrachten' kon Rome alleen aan omdat een groot aantal Italianen emigreerde.

En België, Nederland en Luxemburg? In 1944 waren deze drie landen al de Benelux aangegaan, voor velen in Europa een lichtend voorbeeld van wat een economische unie zou moeten zijn. Maar ook in die unie was het ondanks alle plechtige beloften uiteindelijk droevig met de 'marktkrachten' gesteld. Luxemburg en België vochten tot het uiterste om goedkope Nederlandse landbouwproducten buiten de grenzen te houden. Daarnaast werd er een felle strijd gevoerd over de lonen en de sociale lasten. Vooral België raakte in toenemende mate geïrriteerd omdat het de concurrentie met Nederland - waar de lonen door de regering ('kunstmatig', volgens Brussel) laag werden gehouden - steeds minder aankon. Met graagte stortten België en Luxemburg zich daarom op de EEG. Was in de Benelux Nederland de grootste partner, in de EEG kregen België en Luxemburg de steun van vooral Frankrijk om zich tegen het Nederlandse standpunt teweer te stellen. Met name op het gebied van de landbouw was lidmaatschap van de Europese Economische Gemeenschap zo juist een manier voor België en Luxemburg om de vrijhandel - waar Nederland in de Benelux zo voor vocht - tegen te werken.

En Nederland zelf? 'Kopenhagen' noemt bereidheid om tot een politieke unie te komen als een van de voorwaarden voor lidmaatschap. Een politieke unie impliceert echter een gemeenschappelijk buitenlands beleid en daar was Den Haag in 1956 nu juist op tegen. Een Europese politiek onder leiding van Frankrijk zou immers een sterk anti-Atlantisch karakter dragen en dus indruisen tegen de kern van de Nederlandse buitenlandse politiek. Ook Nederland zou de lakmoestest van 'Kopenhagen' in 1957 daarom niet hebben doorstaan.