P.J. VERDAM (1915 - 1998); Niet dol op politiek

DEN HAAG, 12 MAART. In zijn woonplaats Bilthoven is gisteren, 83 jaar oud, mr. P.J. Verdam, oud-minister van Binnenlandse Zaken en oud-commissaris der Koningin in Utrecht, overleden.

Pieter Jacobus Verdam, die in 1945 hoogleraar werd aan de rechtenfaculteit van de Vrije Universiteit te Amsterdam, kreeg zijn grootste bekendheid op een terrein waar hij eigenlijk niet dol op was: de landelijke politiek. Op dat terrein moest de ARP'er Verdam in 1966 voor het eerst actief worden, namelijk toen hij als minister op Binnenlandse Zaken zijn partijgenoot Smallenbroek moest vervangen, nadat deze een nachtelijke aanrijding niet (tijdig) aan de politie bleek te hebben gemeld.

In 1967 weigerde Verdam een aanbod van formateur P.J. de Jong, die even later premier zou worden ('67-'71), om als minister aan te blijven, desnoods als minister zonder portefeuille met een naar zijn wens samengesteld takenpakket. Hij zei daarover later, met een kenmerkende zelftypering: “Voor minister moet je ambitie hebben, geldingsdrang, je moet een beetje een streber zijn, ik ben dat ook wel een beetje, maar kennelijk niet genoeg.”

Beter beviel hem, ook naar eigen zeggen, een publieke functie als commissaris der Koningin, die hij van 1970 tot 1980 in Utrecht vervulde. Zijn droge humor maakte hem daar als onpopulistische man populair. Over zijn afscheidsviering werd gevraagd of daarvoor niet erg veel (50.000 gulden) was uitgetrokken. Verdam: “Als je iemand kwijt wil raken, moet je er nu eenmaal wat tegenaan gooien.”

Najaar 1977 was Verdam met zijn Zuid-Hollandse collega Vrolijk (PvdA) een paar weken hoofdpersoon in de nationale politiek. Met zijn co-informateur legde hij de basis voor wat het tweede kabinet-Den Uyl had moeten worden. Dat kabinet kwam er toch niet. Verdam destijds in terugblik: “Mijn taxatie is dat het mis ging omdat Den Uyl meende het jegens zijn partij (de PvdA) niet te kunnen doen.”