Kwetsbaar koningschap

Het boek van Cees Fasseur over koningin Wilhelmina heeft terecht veel aandacht gekregen. Biografieën zijn weliswaar in ons land inmiddels geen zeldzame verschijnselen meer, maar biografieën van vorsten en vorstinnen zijn dat wel. Het gaat hier bovendien om een bijzonder boek over een bijzondere vorstin.

Fasseurs boek is immers de eerste serieuze, wetenschappelijke biografie van een koningin die een halve eeuw heeft geregeerd, van 1898 tot 1948, en die in sterke mate haar stempel heeft gedrukt op de meest dramatische episode uit die halve eeuw, de Tweede Wereldoorlog. Deze periode uit haar leven komt overigens in dit eerste deel nog niet aan de orde. Het boek eindigt in 1918, twintig jaar na het begin en dertig jaar vóór het einde van haar regeringsperiode. Het eindigt overigens wel op een bijzonder moment, namelijk in november 1918, kort na de revolutiepoging van Troelstra, een optreden dat als 'de vergissing van Troelstra' bekend zou blijven.

De socialistenleider, het is bekend, meende dat ook ons land rijp was voor de revolutie en dus voor de republiek. Dat was ook niet zo vreemd, want in of omstreeks dat jaar verdwenen de drie grote keizerskronen van Europa, die van Rusland, Duitsland en Oostenrijk. Kort daarna viel het niet minder eerbiedwaardige Ottomaanse Rijk en tussen de bedrijven door gingen nog een paar handen vol kleinere monarchieën ten onder. Maar niet de Nederlandse. Ons land is nu, tachtig jaar later, nog steeds een monarchie en - wat meer is - een natie met een nauwelijks omstreden, integendeel een populair en geliefd vorstenhuis. Het voortbestaan van de monarchie in ons land is om vele redenen opmerkelijk. Nederland was immers vóór de Franse Revolutie van 1789 ongeveer het enige land in Europa dat een republiek was. Vrijwel overal elders regeerden toen vorstenhuizen. De abbé de St. Pierre noemde in zijn vermaarde boek uit 1713 met de prachtige titel Projet pour rendre la paix perpétuelle en Europe de Nederlandse republiek het beste voorbeeld van deze staatsvorm, die hij superieur achtte aan alle andere, want hij 'prévient tous les inconvénients'.

De monarchie is, althans in theoretische zin, ook in ons land niet onomstreden. Wij hebben zelfs een republikeins genootschap dat, naar het schijnt, voornamelijk bestaat uit ondernemers en oud-ondernemers. In brede kring slaat dit gedachtegoed echter niet aan. Dit is een verschijnsel dat wij ook kennen uit vroeger eeuwen. De regenten keerden zich soms tegen de stadhouders, maar het volk zocht zijn heil en steun bij het Huis van Oranje. Het feit dat de republikeinse beweging in ons land niet talrijk is, betekent natuurlijk nog niet dat zij daarom ook ongelijk heeft. Sterker nog: zij heeft ongetwijfeld gelijk met haar uitgangspunt dat het principe van de democratie in strijd is met het principe van de erfopvolging. Dat is overigens niets nieuws. Montesquieu, om maar een voorbeeld te noemen, heeft zich in zijn De l'esprit des lois al met de merites der verschillende staatsvormen beziggehouden. Hij onderscheidde hierin drie staatsvormen of regeringswijzen: de despotische, de monarchale en de republikeinse. De despotische wees hij af. Bij de republikeinse staatsvorm onderscheidde hij twee varianten: de democratische, gebaseerd op de deugd, en de aristocratische, gebaseerd op de gematigdheid. De monarchie ten slotte is volgens hem gebaseerd op de eer. Over die indeling en die typering zou heel wat te zeggen zijn - en is veel gezegd - maar in dit verband kunnen wij volstaan met de constatering dat Montesquieu het gematigde koningschap als het meest geschikte stelsel voor zijn land beschouwde.

Een verre echo van deze overwegingen valt te horen in een voordracht van de staatsrechtsgeleerde A.A.H. Struycken uit 1909. Ook Struycken erkende dat het 'toeval der geboorte' als basis voor de aanwijzing van het staatshoofd in strijd is met de redelijkheid en de logica. Het presidentschap is dus logischerwijs te verkiezen. Maar daarna besprak hij de praktische kant van de zaak. Hoe komt men aan een president? Die zou natuurlijk uit de politiek moeten komen en dan beginnen de problemen, want het staatshoofd moet de eenheid van het land belichamen en de politiek is nu juist het terrein van de verdeeldheid. En Struycken vervolgde: '[...] hoe kan men de waarde onderschatten van dat voortdurende toezicht over alle regeeringshandelingen door iemand, wiens woord door niemand met dat van een gewoon burger wordt gelijk gesteld? Het koningschap is in dat toezicht het geweten der partijregeering ter verzekering van een eerlijk democratisch bewind [...]'.

Fasseur bespreekt deze tekst van Struycken aan het eind van zijn boek en concludeert: 'Het was een knap betoog. Bijna een eeuw later heeft het nog steeds een zekere geldigheid behouden. Wat hij zei, gaat in sommige opzichten nu zelfs sterker op dan in 1909 het geval was'. Dat is juist, maar er valt nog iets meer over te zeggen. Het feit dat de monarchie in ons land vrijwel onomstreden is, komt namelijk niet alleen voort uit dit soort theoretische overwegingen. Die gelden immers ook voor andere landen en toch zijn er nog maar weinig monarchieën te vinden. En van de weinige die er zijn, hebben sommige bovendien vrijwel uitsluitend een ceremonieel karakter. Dat is bij ons niet het geval. De monarch heeft een weliswaar beperkte maar toch onmiskenbare invloed op de staatszaken.

Het feit dat deze opvatting van de monarchie in ons land vrijwel algemeen wordt aanvaard, heeft alles te maken met de wijze waarop het ambt de laatste eeuw is vervuld, niet alleen door koningin Wilhelmina, maar ook door haar opvolgsters. De Nederlandse monarchie dankt haar succes dus aan de bekwaamheid van deze vorstinnen. Daarin schuilt haar kracht maar ook haar kwetsbaarheid. Waar het op neerkomt, is immers dat de monarchie in belangrijke mate afhankelijk is geworden van de bekwaamheid van de monarch. Maar de koning is natuurlijk niet per definitie bekwaam. Weliswaar heeft Carlyle betoogd dat 'koning' hetzelfde betekent als 'can-ning', dat wil zeggen, 'able', bekwaam, maar etymologen geloven daar niet veel van.

Hoe dit ook zij, het feit dat de monarchie in belangrijke mate afhankelijk is van de bekwaamheid van de vorst, is in strijd met de grondslag van de monarchale staatsvorm. Het principe van de monarchie is immers de geboorte en niet de verdienste. Maar in deze zuivere vorm, zonder de toewijding en bekwaamheid van de koning, zou de monarchie niet lang overleven. In die zin slaat de titel van Fasseurs laatste hoofdstuk, 'Kwetsbaar koningschap', niet alleen op de situatie van 1918, maar ook op die van 1998.