Het Buitenhof

Onder druk van de revolutionaire stemming in Europa kreeg Nederland in 1848 een nieuw staatsbestel. Journalist Martin van Amerongen vat de gebeurtenissen van het revolutiejaar samen in een toneelstuk dat hij schreef in opdracht van NRC Handelsblad. Vele van de uitspraken in dit stuk ontleende hij aan authentieke bronnen. We zien: het televisie-programma 'Het Buitenhof', in de uitzending van zondag 29 maart 1848.

EERSTE TONEEL

Een tv-studio met een dertigtal bezoekers. Camera's, rondom een langwerpige vergadertafel. Daarop de actuele couranten: het Algemeen Handelsblad, de Nieuwe Vlaardingsche Courant, de Nieuwe Rotterdamsche Courant en de Oprechte Vlissingsche Courant. De presentator spreekt de vooraankondiging in, die door het geroezemoes slechts door de kijkers thuis wordt verstaan.

De gasten en hun aanstaande interviewers staan op een kluitje bij een der wanden en spreken ongedwongen-gedwongen met elkaar.

“Denkt u dat wij, mijn collega en ik, de trein van half twee nog kunnen halen”, vraagt een middelbare man, met een baard.

“Dan moet u uiterlijk kwart voor een weg”, zegt de eerste van de twee journalisten. “Maar u haalt het wel. Jullie zitten aan de kop van het programma.”

“Onrustig publiek, vandaag”, zegt journalist II.

Het geluid van de monitor op de grond zwelt aan. “Maar eerst het nieuws, door Pia Dijkstra...”, zegt de presentator.

De floormanager dirigeert iedereen naar zijn plaats. De mevrouw van de make up brengt nog snel enige optische verfijningen aan. Flakkerende beelden op de monitor, daaronder geluidsflarden van de nieuwsberichten: “De gebeurtenissen in Parijs lijken in een snel tempo op de rest van Europa over te slaan... In Wenen heeft kanselier Metternich aangekondigd... Ook in Amsterdam is het inmiddels vrij onrustig... De demonstratie werd besloten met het zingen van de Marseillaise... Vrij krachtige tot krachtige wind... met neerslag in de vorm van hagel en natte sneeuw.”

Tune. Dan introduceert de presentator zijn eerste gesprekspartners.

PRESENTATOR (leest via de autocue): In Harlingen is een Engelse stoomboot met exportaardappelen geplunderd. Ongeregeldheden in Sneek, Lemmer, Dokkum en Leeuwarden. Oproer in Groningen. Amsterdam is volgeplakt met affiches met teksten als 'Leve de Republiek!' en 'Weg met de Ministers!' Met andere woorden: Slaat de Europese revolutie over naar ons vredige Nederland? In Buitenhof twee experts bij uitstek: de heren Karl Marx en Friedrich Engels.

PRESENTATOR: Heren, hebben wij, vredige Nederlanders, reden om ons ongerust te maken?

MARX: Ik denk het niet.

PRESENTATOR: Waarom niet?

MARX: Omdat de Nederlanders practici zijn en geen romantici, als de Fransen. Begrijp mij goed: ik bedoel dit niet negatief. Ik heb de grootste waardering voor de Franse, revolutionaire traditie. In de praktijk blijkt echter alleen al het dreigen met een revolutie effectief te zijn. Kijk naar Engeland. Daar is onlangs de tienurendag ingevoerd, zonder dat er ook maar één druppel bloed is gevloeid.

MAN (vanaf de publieke tribune): Klaar ben je! Tien uur! Dat betekent dat je 's morgens om zes uur je nest uit moet!

PRESENTATOR: Wilt u alstublieft uw mond houden, meneer? (Tot Marx:) Dus uw stelling is...

MARX: Mijn stelling is dat als gisteren de Franse koning niet was afgetreden, er vandaag in Nederland geen sprake van grondwetsherziening zou zijn.

PRESENTATOR: Meneer Engels?

ENGELS: Deze analyse lijkt mij juist. Daarom zal van de onvrede in Nederland, dank zij het pact tussen uw koning en uw meneer Thorbecke, weinig beklijven.

MAN (vanaf de publieke tribune): Dat dacht je maar, aangeklede bamibal!

PRESENTATOR: Meneer, u moet zich écht rustig houden. Anders gaat u écht de studio uit. (Tot Marx:) Meneer Marx, al met al is Nederland het eerste land in Europa dat ernst met zijn nieuwe grondwet maakt.

MARX: Mijn vriend Heine zei mij onlangs: 'Als er straks een tweede zondvloed dreigt, ga naar Holland, want daar gebeurt alles vijftig jaar later.' In dit geval moet ik constateren dat in Nederland alles vijftig jaar eerder gebeurt.

(Intussen heeft de eindredacteur het woord 'confectie' op een blad papier gekrabbeld en toont dit, buiten het bereik van de camera, aan de presentator. Snelle blik vanachter de microfoon.) PRESENTATOR: Meneer Engels, u bent eigenaar van een confectiefabriek in Manchester...

ENGELS: Nee, mijn firma is gespecialiseerd in het fabriceren van naaigarens.

PRESENTATOR: Neem me niet kwalijk. Mag ik vragen hoeveel arbeiders u in dienst hebt?

ENGELS: Zo'n achthonderd mannen en vrouwen, schat ik.

PRESENTATOR: U bent dus tegelijkertijd kapitalist én communist?

ENGELS: Ja. (Gelach van het publiek.)

MAN (vanaf een der achterste rijen): Mooie communist ben jij! PRESENTATOR: Het is een publiek geheim dat u, uit de opbrengsten van uw fabriek, het werk van de heer Marx subsidieert. Het blijft vreemd, vind ik, een ondernemer die substantieel bijdraagt aan het bestrijden van het kapitalisme.

MARX: U kunt het ook positiever zien. Je zou ook kunnen zeggen dat mijn vriend Engels, samen met mij, een tweemansonderneming vormt. Hij levert het geld en ik lever het intellectuele product.

(Marx leunt zelfgenoegzaam achterover en maakt aanstalten een sigaar op te steken. Afwerende gebaren van de floormanager. In de studio geldt een rookverbod. Marx steekt zijn sigaar berustend in zijn binnenzak.)

PRESENTATOR: Zelf schreef u niettemin, meneer Engels, een vrij spraakmakende studie over de toestand van de Engelse arbeidersklasse, die u tenslotte uit eigen ervaring kent.

ENGELS: Het is prettig dat u dit boek ter sprake brengt. Ik ben namelijk nogal gehecht aan de centrale these van deze studie. Die luidt, kort samengevat, dat de middenklasse in deze fase van het expanderende vroegkapitalisme steeds onzichtbaarder wordt, totdat uiteindelijk de finale tweedeling heeft plaatsgevonden: Aan de ene kant staan de miljonairs en aan de andere kant staan de stervensarme paupers. U zou eens een televisieploeg de sloppenwijken van een stad als Manchester in moeten sturen.

PRESENTATOR: Waarom?

ENGELS: Omdat de omstandigheden daar onbeschrijfelijk zijn. In de agglomeratie die ik voor mijn boek heb onderzocht wonen zo'n half miljoen mensen. De belangrijkste tak van industrie is daar de katoen. Daarbij is eenderde van de bevolking betrokken. Dat zijn de relatief gelukkigen, die zich nog nét in leven kunnen houden. De rest is volkomen gedegenereerd. Vrouwen en kinderen die, in lompen gekleed, langs de vuilnishopen zwerven, op zoek naar een beschimmelde korst brood. Wonend in vochtige, stinkende kelders, met alle gevolgen van dien: bittere armoede, kindersterfte, alcoholisme, criminaliteit.

MAN (op de publieke tribune): Dan ben je zeker nog nooit in de Schilderswijk in Den Haag geweest!

MARX: Het geldt trouwens niet alleen voor Manchester. Het geldt voor alle industriële centra, overal in Europa. Ik heb daar zelf een duidelijke mening over. Die luidt, zo ongeveer, dat het kapitalisme, zoals dat zich in concurrentie met de opkomst van de bourgeoisie, in de oude, vertrouwde, feodale, patriarchale verhoudingen ontwikkelde...

PRESENTATOR (werpt een steelse blik op het horloge, dat naast zijn aantekeningen ligt): Neem mij niet kwalijk, ik moet u even onderbreken. Die feodale, patriarchale macht, waar u het over hebt, stelt toch nu, anno 1848, niks meer voor?

MARX: Als het al zo is, ben ik eigenlijk niet zo blij met hetgeen dat daarvoor in de plaats is gekomen. In de praktijk blijkt er geen klasse zo koud en berekenend te zijn als de bourgeoisie, alle semi-liberale praatjes ten spijt. Kijk naar de werkelijkheid. Vrijheid hebben wij gezaaid en handelsvrijheid hebben wij geoogst. Wij hebben Amerika gekoloniseerd en wij hebben de Oost-Indische markt ontdekt, die dan ook prompt genadeloos door de nieuwe rijken - óók in het vrome, calvinistische Nederland - werd uitgebuit.

(De mevrouw van de make up buigt zich intussen, buiten het bereik van de camera, over Thorbecke en koning Willem II en werkt de transpiratievlekjes weg).

ENGELS (apodictisch): En ik voorspel u: dezelfde wapens waarmee de bourgeoisie het feodalisme heeft neergeslagen, zullen dezelfde blijken, die straks, door de moderne arbeiders en proletariërs....

MARX (onderbreekt hem): Het is een klassiek voorbeeld van dialectiek.

PRESENTATOR: Pardon?

MARX: Neemt u mij niet kwalijk, dat is inderdaad een nogal specialistisch begrip. Kijk, toen de filosoof Hegel de leer van de synthese der innerlijke tegenstrijdigheden ontwikkelde...

(De eindredacteur krabbelt weer iets op een papiertje. Snelle blik van de presentator. 'Privé-eigendom'. Willem II, allang niet meer bij de les, krabt zich achter het oor.)

PRESENTATOR (haastig): Dus u bent, als ik het goed begrepen heb, een voorstander van het afschaffen van het privé-eigendom.

MARX (opsommend, op zijn vingers aftellend): Wij, communisten, zijn voor de onteigening van de grond, voor progressieve belastingheffing, voor afschaffing van het erfrecht, voor nationalisering van transport en vervoer, voor openbaar en gratis onderwijs, voor afschaffing van de kinderarbeid én inderdaad voor de afschaffing van het privé-eigendom.

PRESENTATOR: Jammer voor u, meneer Engels. Daar gáát uw mooie firma.

ENGELS (afgemeten): Vooralsnog verkeert ons programma nog in de theoretische fase.

PRESENTATOR: Werken er eigenlijk kinderen in uw fabriek?

ENGELS (geprikkeld): De vraag stellen, meneer, is haar beantwoorden.

PRESENTATOR: Uw antwoord is dus nee.

ENGELS (nog steeds geprikkeld): Mijn antwoord is natuurlijk nee.

(De floormanager steekt drie vingers in de lucht. Er zijn nog drie minuten beschikbaar. Het gesprek moet worden afgerond.)

PRESENTATOR: Die kinderarbeid heeft waarschijnlijk z'n langste tijd gehad. Afschaffing van het privé-eigendom, laten wij realistisch zijn, dat zie ik in geen honderdvijftig jaar gebeuren.

MARX: Maar m'n beste meneer, u hebt toch ogen in uw hoofd! Dan moet u toch zien dat in de bestaande maatschappij voor negentiende deel van de bevolking dat privé-eigendom allang is afgeschaft!

PRESENTATOR: Goed, laten wij ervan uitgaan dat morgen het privé-eigendom verboden wordt. Kan dat? Wordt daarmee niet tegelijkertijd de prikkel om te werken weggenomen?

MARX: Als dat wáár zou zijn, was de burgerlijke maatschappij van nu allang te gronde gegaan, want wie vandaag de dag z'n handen uit de mouwen steekt verdient geen stuiver en diegene die met z'n handen over elkaar blijft zitten, verdient alles. Schrijf even op, Engels, dat moeten wij onthouden.

ENGELS: Hébben wij allang geschreven, Marx. Het staat in ons Communistisch Manifest.

(De floormanager maakt wegwuivende handgebaren. Dat betekent: kappen, jongens.)

PRESENTATOR: Heren, wij naderen het einde. Eén vraag tot slot...

(Plotselinge onrust in de zaal. De eerste interrumpant is van zijn stoel opgesprongen, beklimt de tafel en begint een geïmproviseerde toespraak.)

MAN: Schei toch uit met dat halfzachte gelul, stelletje uilenballen! Merkt dan niemand van jullie dat er een spook door Europa waart! En dat die hele reactionaire klerebende dat spook de oorlog heeft verklaard? Jullie klepouwehoeren over de grondwet en het afschaffen van het privé-eigendom! Ik wíl privé-eigendom! Daar kan ik brood van kopen! (De twee agenten zijn naar voren gestormd en trekken de man van de tafel af. Tierend wordt hij afgevoerd.)

MAN (tot achter de schermen verstaanbaar): Wat moet het volk met die halfgare bal gehakt van een grondwet! Geef ons liever brood! Horen jullie! Blijf van m'n lijf met je poffertjesporum! Wij willen brood! Wij willen brood! (De presentator heeft zich inmiddels enigszins van de schrik hersteld.)

PRESENTATOR: Mijn excuses voor dit incident, heren. Dat heb ik nog niet eerder meergemaakt. Heren, laten wij er liever een eind aan maken. Eén vraag tot slot. Uw werk bevindt zich in de theoretische fase. Terwijl het ontwerp-grondwet van de heer Thorbecke, bij wijze van spreken, morgen kan worden ingevoerd. Meneer Engels? Wat vindt u daarvan?

ENGELS: Zeg jij het maar, Marx.

MARX (met de routine van de geboren volkstribuun): Je hebt wereldverbeteraars in alle soorten en maten: strevers naar het goede, dierenvrienden, filantropen, staatshuishoudkundigen als uw meneer Thorbecke...

(Thorbecke, naast de koning gezeten, fluistert achter zijn hand iets in Diens vorstelijke oor.)

MARX: Wat deze wereldverbeteraars nastreven is niettemin niet met die van de échte wereldverbeteraars te vergelijken. En dat zijn wij, de intellectuele voorhoede van de arbeidersklasse. Wij willen de afschaffing van de burgerlijke productieverhoudingen, langs revolutionaire weg. Niet meer en niet minder. Uw meneer Thorbecke op zijn beurt streeft, als ik het goed begrepen heb, hoogstens naar enige administratieve verbeteringen. Daar zou ik, als Nederlandse proletariër, geen genoegen mee nemen.

MAN (achter de schermen): Bravo!

PRESENTATOR: En wat is het alternatief?

MARX (rustig): Het alternatief is de gewelddadige omverwerping van de bestaande orde.

ENGELS: Daar doen wij niet geheimzinnig over.

PRESENTATOR: Dus u bent van mening, dat het mogelijk is om de arbeiders...?

MARX: M'n beste meneer, wat hebben de arbeiders te verliezen? Niets ander dan hun ketenen.

PRESENTATOR: Meneer Marx, meneer Engels. Dank u voor dit gesprek.

TWEEDE TONEEL

(De presentator kondigt, andermaal via de autocue, de volgende gast aan. Intussen worden Marx en Engels door de floormanager buiten het gezichtsveld van de camera gemanoeuvreerd. Zij nemen plaats tussen het publiek, op de twee vrijgehouden stoeltjes op de eerste rij.)

PRESENTATOR: Hij schreef een prematuur grafschrift op prof. Johan Rudolf Thorbecke. Het luidt: 'De man die hier begraven lijt/ stak uit in onuitstekendheid.' Zelf geldt hij als een getalenteerd auteur en bovenal als een geharnast criticus, van zowel het Nederlands liberalisme als het Nederlands beleid in Oost-Indië. Wat is zijn mening over de grondwet van de liberaal Thorbecke? Aan de journalistentafel, voor deze gelegenheid speciaal overgekomen: Eduard Douwes Dekker, bekend staand als de schrijver Multatuli.

JOURNALIST I: Meneer Dekker...

MULTATULI: Douwes Dekker, als het u hetzelfde is.

JOURNALIST I: Meneer Douwes Dekker, U hebt niet één, maar wel honderd grafschriften op prof. Thorbecke gemaakt. Mag ik...

MULTATULI: Honderdzeven.

(Hij is een nurkse man, vastbesloten om, dwars tegen elk beleefdheidsvertoon in, zijn waarheid en niets dan zijn waarheid te spreken. Ook hij haalt een sigaar uit zijn koker, maar in tegenstelling tot de welopgevoede Marx laat hij zich niet intimideren door het bezwerend handengewapper van de floormanager. De as deponeert hij op de schotel van zijn koffiekopje.)

JOURNALIST I: Honderdzeven. Neem mij niet kwalijk. Ik lees er één voor.

MULTATULI: Lees ze liever allemaal voor. Gepeperde lectuur, al zeg ik het zelf.

JOURNALIST I: Laten wij ons omwille van de tijd tot die ene beperken: 'M'n hele grondwet,/ wil je dat ik het rond zeg?/ heb ik nooit zo mal gevonden...

MULTATULI (behulpzaam aanvullend): ...als sedert ik hier onder de grond leg.' Ja, zo denk ik er over. (Bijval onder het publiek.)

JOURNALIST I: Mag ik wat stilte! (Tot Multatuli:) Leg dan eens uit, meneer Douwes Dekker. Wat is er zo mal aan de grondwet van prof. Thorbecke?

MULTATULI: Ik zal het u zeggen. Die hele grondwet, beter gezegd: het voorstel tot herziening van de grondwet, is een vod. Dat de koning vrijwel op een zijspoor wordt gezet, om het modern te formuleren, ja, daar kan ik mij nog wel iets bij voorstellen. Maar wat is de consequentie? De consequentie is, dat de macht wordt verlegd naar de Van Beek Vollenhovens en de Gevers van Oudegeesten, lui waarin ik waarachtig nóg minder vertrouwen heb dan in onze brave Willem II, die er tenslotte óók niets aan kan doen, dat hij het zwarte garen niet heeft uitgevonden.

(Koning Willem II kijkt op, als door een wesp gestoken.)

JOURNALIST II: Maar laten wij eens naar de inhoud van de nieuwe grondwet kijken. Die bevat een aantal belangwekkende elementen. Vrijheid van godsdienst. Vrijheid van vergadering. Vrijheid van meningsuiting. Dat kan u als schrijver toch niet onverschillig laten?

Pagina 5:

MULTATULI: Nee. In theorie mag ik straks iedereen zoveel uitschelden als ik wil. Maar over de praktijk heb ik m'n twijfels. Stel dat ik morgen, hier, in uw programma onze Willem II of Willem III of Willem IV - als het ooit zover komt - een canaille zou noemen... Ik noem maar een voorbeeld.

(Koning Willem II oogt steeds minder geamuseerd. Hij buigt zich over naar Thorbecke en fluistert hem iets in het oor.)

MULTATULI: Ik geef u op een briefje dat ik in zo'n geval ten minste een half jaar het cachot in zal gaan, vrijheid van meningsuiting of géén vrijheid van meningsuiting.

JOURNALIST II: Wij waarschijnlijk ook.

MULTATULI: Trouwens, vrijheid van vergadering en vrijheid van meningsuiting, dat zijn toch vanzelfsprekendheden? Daar hoor je toch geen grondwet voor nodig te hebben? Dan kun je net zo goed een artikel maken waarin wettelijk de vrijheid om adem te halen wordt vastgelegd. Er zit bij deze nieuwe grondwet trouwens menige adder onder het gras. (Hij grabbelt in zijn tas en vist daar enige papieren uit.) Neem nu eens de vijfde afdeling...

JOURNALIST I (gealarmeerd): Denkt u een beetje om de tijd?

MULTATULI (geïrriteerd): U wilt het toch over de grondwet hebben? Dan zullen we het ook over de grondwet hebben. Ik citeer het hoofdstuk Van de Macht des Konings. Dan kunt u zelf zien hoe vernieuwend die grondwet is. Let op. Bij de koning berust a. de uitvoerende macht. b. het opperbestuur van de buitenlandse betrekkingen. c. De koning verklaart de oorlog.

JOURNALIST I: Onder ministeriële verantwoordelijkheid...

MULTATULI: Moet ik nog maar eens zien. Mag ik verder gaan? De koning behoudt het oppergezag over de zeemacht en de landmacht. Het oppergezag! Hij heeft het recht van gratie en hij heeft het recht van munt...

JOURNALIST II: Dat stelt niets voor. Dat betekent alleen maar, dat straks, net als nu, zijn hoofd op de daalder staat.

MULTATULI: Er is inderdaad niet zo'n principieel verschil tussen de kop van de koning of de kop van meneer Thorbecke. Geef ik toe. Weet u wat ik symptomatisch voor de vodderige mentaliteit van deze grondwet vind? Dat is het feit dat de koning 'het opperbestuur der koloniën en andere bezittingen des Rijks' behoudt. (Hij richt zich nu regelrecht tot het publiek en vervolgt:) Maar Indië, waar het natuurlijk om gaat, ís geen bezitting des Rijks, Indië is een wingewest, een langs militaire weg veroverd wingewest, met maar één functie: de Indische archipel, over de ruggen van de inlanders heen, zoveel mogelijk te plunderen.

(Applaus en hoerageroep. Instemmend geknik op de achtergrond, zowel van Marx als Engels. Zij volgen de discussie naar beste vermogen.)

JOURNALIST II: Meneer Douwes Dekker...

MULTATULI: Val me niet in de rede, alstublieft. Ik ben aan het woord. Ik herhaal: wat is het oogmerk van ons wingewest? (M. citeert zo sarcastisch mogelijk:) Dat is 'behoudens de welvaart der inheemse bevolking aan Nederland de stoffelijke voordelen, die het doel waren der verovering, te blijven verschaffen'. Ik beschouw dit als het toppunt van huichelarij. Hier worden twee tegenstrijdige dingen beweerd. Maak Nederland via Oost-Indië rijk. Met behoudt van de welvaart van de inheemsen. Hoe verzin je het!

(De eindredacteur krabbelt de woorden 'gedroogde wettenfabrikant' op een stuk papier en steekt dit omhoog.)

JOURNALIST II: Nu is de buitenlandse politiek inderdaad nooit een specialisme van de heer Thorbecke geweest.

MULTATULI (kortaf): Wat er in Indië gebeurt heeft niets met buitenlandse politiek te maken.

JOURNALIST II: Ik bedoel eigenlijk, dat uw kritiek op prof. Thorbecke soms over de grenzen van de redelijkheid heen lijkt te schieten.

MULTATULI: Dat moet dan maar.

JOURNALIST II: Want er ligt het ontwerp van een nieuwe grondwet en dat is onmiskenbaar de verdienste van de heer Thorbecke en die nieuwe grondwet bevat onmiskenbaar een aantal vernieuwingen...

MULTATULI: De Javaan heeft daar maling aan.

JOURNALIST II: ... En wat doet u? U noemt de heer Thorbecke een 'uitgedroogde wettenfabrikant', u noemt hem een man zonder verdiensten.

(Engels kijkt vragend in de richting van Marx. Diens Nederlands is wat beter. Hij heeft immers een Nederlandse oom, de bankier Philips te Zaltbommel.)

MULTATULI: Vertel me dan maar eens. Wat zijn de verdiensten van meneer Thorbecke? Dat hij bij de gratie van een op ondemocratische wijze aangewezen staatshoofd de redder van de natie mag spelen?

(Thorbecke staat op. Hij heeft naar zijn mening genoeg beledigingen moeten incasseren en maakt zich op voortijdig te vertrekken. De eindredacteur schiet op hem af en spreekt hem kalmerend toe. Thorbecke gaat weer zitten. Intussen vervolgt Multatuli zijn boutade.)

MULTATULI: Heeft hij het dagbladzegel afgeschaft? Heeft hij de Kamer naar huis gestuurd met de boodschap dat het land niets meer met deze nulliteiten te maken wil hebben? Het volk lijdt gebrek... en ondertussen kibbelen de heren volksvertegenwoordigers, met meneer Thorbecke aan het hoofd, over de traktementen van de predikanten. De onderwijzers steunen noodgedwongen op de publieke liefdadigheid - en ondertussen worden wij onthaald op allerlei wijsheid over de vraag of de Zondvloed op de lagere scholen bijbels of geologisch moet worden onderwezen. Het is bewezen dat wij, Hollanders, in Indië allerschandelijkst huishouden - en ondertussen stuurt het vaderland stichtelijke prentenboekjes naar de Oost om de bevolking wat op te beuren.

JOURNALIST I: Toch staat u, met uw kritiek, op prof. Thorbecke tamelijk geïsoleerd. In de Zaanlandsche Courant bijvoorbeeld is hij deze week 'een rots' genoemd, 'vast temidden van de woelige baren, toen de opgestoken storm bedaarde, de lucht weer helder en de hemel weer zichtbaar werd'.

MULTATULI (geamuseerd): Het lijkt jandorie wel het weerbericht.

JOURNALIST I: Bent u het eens met de veronderstelling van de heren Marx en Engels, dat de nieuwe grondwet het regelrechte gevolg van de Europese onrusten is?

MULTATULI: Dat ziet een kind. Natuurlijk heeft onze vereerde vorst eieren voor zijn geld gekozen. Die dacht: Als ik niet een soort gebaar maak kan ik straks, als opperbevelhebber van de landmacht, de latrines schrobben.

(Nu is het koning Willem II die opstaat. De eindredacteur bespeurt andermaal onheil en dringt hem met zachte hand weer terug op zijn zetel. De vorst maakt, met een schuine blik op Thorbecke, een handgebaar langs de keel. Thorbecke schudt bedaard zijn hoofd. Hij weet: het is nog niet helemaal tot de gepijnigde monarch doorgedrongen, dat de tijden van het absolutisme voorbij zijn.)

JOURNALIST I: Bent u eigenlijk zélf communist, meneer Dekker?

MULTATULI: Douwes Dekker, alstublieft. Ik? Een communist? Schei nou uit, man. Ik ben niet eens een democraat! Waarom zou ik? Mijn leven lang heb ik met regeringen te maken gehad waarmee ik het fundamenteel oneens was. Goed voor m'n karakter, trouwens. In een land waarop regering én parlement schandaal-op-schandaal stapelen is ons justitiële stelsel eigenlijk het enige, dat nog enigszins deugt. Als dat óók nog verrot blijkt, omdat iedereen iedereen de hand boven het hoofd houdt, dan heb ik nog liever de Pruisen aan de macht, dan Thorbecke en zijn bankroutiers...

JOURNALIST I: Maar wat wilt u dán!

MULTATULI: Schelden en vloeken, natuurlijk. Nee, in ernst. Ik ben niet zo'n tegenstander van de monarchie als u misschien wel denkt. Mits er een koning aan het hoofd van de natie staat die de moed op kan brengen die hele bende van ministers en raadgevers aan de dijk te zetten.

JOURNALIST II: Meent u dat?

MULTATULI (bedachtzaam): Ja, dat méén ik. Ik meen trouwens altijd wat ik zeg. Door al die liberale hocus-pocus en die kiesstelselarij en al die andere constitutionele spinnenkopperij is het landsbestuur tot een voddenkraam gemaakt. Wie is nu eigenlijk de baas in dit land? De koning, met z'n afgebonden ballen? Of meneer Thorbecke, die er geen idee van heeft wat er onder de mensen leeft? Ik bedoel maar te zeggen: In het beste geval voel ik mij veiliger bij de wapperende vederbos van een koning, dan bij de gepluimde slaapmutsen van de ministers en de geachte leden der Staten-Generaal.

(De floormanager heft twee vingers op. Dat betekent dus dat de heren interviewers bijna door hun tijd heen zijn.)

JOURNALIST I: Wij zijn bijna door onze tijd heen, meneer Douwes Dekker. Eén vraag tot slot. Kunt u iets zeggen over uw literaire plannen? Staat er een nieuw boek op stapel?

MULTATULI (niet tevreden): Jazeker, al heb ik, eerlijk gezegd, tot nu toe nog niet veel meer dan een paar aantekeningen op papier... plus de titel, die ik zelf wel aardig vind.

JOURNALIST I: En die luidt?

MULTATULI: Die luidt: 'Max Havelaar - de koffijveilingen van de Nederlandse Handelsmaatschappij of hoe de Javaan op mensonwaardige wijze wordt gekneveld door de Droogstoppels en Slijmeringen uit de Roofstaat aan de Zuiderzee.'

JOURNALIST II: Een hele mond vol, meneer Dekker. Veel succes. En een goede reis terug.

(Intussen hebben de laatste gasten naast de presentator plaatsgenomen, aan zijn linkerzijde Thorbecke, aan zijn rechterzijde koning Willem II. Op twee meter afstand zitten de twee agenten, scherp wakend over de veiligheid van de hoge functionarissen. Het journalistenpanel plus hun gesprekspartner blijft naar gewoonte aan de tafel zitten. De presentator hanteert andermaal de autocue.)

DERDE TONEEL

PRESENTATOR: De één loopt al tien jaar met een ontwerp voor een nieuwe grondwet op zak, maar strandde steeds op de tegenstand van de ander. Totdat die ander, naar eigen zeggen, in één nacht van een conservatief in een liberaal veranderde. In onze studio: prof. Johan Rudolf Thorbecke en Zijne Majesteit Koning Willem II. Heren, welkom in Buitenhof. Prof. Thorbecke, om met u te beginnen. Zou u kort en krachtig de kernpunten van onze nieuwe grondwet kunnen samenvatten?

THORBECKE (saai): Mag ik om te beginnen enige kanttekeningen maken bij de derde afdeling, die een nieuwe constitutionele bepaling bevat welke mijns inziens niet zonder belang is...

PRESENTATOR (haastig): Nee, nee, ik heb liever dat u in drie zinnen zegt waar het eigenlijk allemaal om gaat.

THORBECKE: Ik zal mijn best doen. Mijn ontwerp-grondwet streeft naar een zo krachtig mogelijke positie van regering en volksvertegenwoordiging, gepaard gaande aan een aantal individuele vrijheden.

PRESENTATOR (behulpzaam): Vrijheid van meningsuiting, bijvoorbeeld ...

(Buiten, op straat, vallen vaag de klanken van de Marseillaise te horen. Gefluister tussen floormanager en eindredacteur.)

THORBECKE: Ja. Benevens vrijheid van vergadering, vrijheid van onderwijs en vrijheid van godsdienst.

PRESENTATOR: Oók voor de katholieken?

THORBECKE: Zélfs voor de katholieken.

PRESENTATOR: En hoe ziet u in dit verband de positie van de koning?

THORBECKE: Die zal bescheidener zijn dan in het verleden. De koning is en blijft onschendbaar, maar de ministers worden de autonome, verantwoordelijke factor in het Rijksbestuur.

PRESENTATOR: Dat betekent in gewone mensentaal...?

WILLEM II (wat kribbig): Dat betekent: zij zijn voortaan de baas.

PRESENTATOR: Dat brengt mij, Majesteit, op de volgende vraag. U wilde eigenlijk méér. U had bijvoorbeeld graag koning van Nederland én België willen worden, maar dat is door de scheiding van 1830 niet doorgegaan. Zijn die paar vierkante kilometers Nederlands gebied eigenlijk niet een beetje beneden uw stand?

WILLEM II: Dan ziet u het feit over het hoofd dat de Nederlandse natie gelukkig nog steeds over Indië beschikt, een onmetelijk groot en rijk land, dat al eeuwenlang veel aan onze welvaart bijdraagt.

MULTATULI (buigt zich over zijn microfoon en interrumpeert - hij kan het niet laten): Dat haal je de koekoek!

PRESENTATOR (streng): Nee, meneer Douwes Dekker, nu zijn de anderen aan het woord... Goed, Majesteit, u werd in 1840 koning van Nederland ... en kwam al snel in conflict met prof. Thorbecke, die toen al een herziening van de grondwet bepleitte.

WILLEM II (onwillig): Het waren andere tijden.

PRESENTATOR: Waarom? Leg eens uit, wat is voor u het verschil tussen 1840 en 1848?

MULTATULI (hij kan het andermaal niet laten): De kop van Louis-Philippe!

WILLEM II: Ik maakte mij inderdaad grote zorgen over de politieke situatie in Frankrijk. Niet dat ik al de guillotine op de Vijverdam zag staan... Maar toch... Ik heb er een volle nacht van wakker gelegen, dat mag u best weten.

PRESENTATOR: En toen?

WILLEM II: Toen begreep ik dat daadkracht geboden was en heb ik de gezanten van Engeland, Oostenrijk, Rusland en Pruisen bij mij ontboden. Ik zei: mijne heren, het roer moet om. Vervolgens heb ik de voorzitter der Staten-Generaal laten weten dat ik ten aanzien van de herziening van de grondwet van gedachten veranderd was.

PRESENTATOR: Veel parlementaire steun had u trouwens allang niet meer. De liberalen...

WILLEM II: Van de liberalen heb ik nooit enige steun gehad. En ook de conservatieven waren inmiddels door de hervormingskoorts aangestoken. Zelfs op de afgevaardigden uit Brabant en Zeeland kon ik niet meer rekenen. Dus het was mij duidelijk wat mij te doen stond.

PRESENTATOR: Is het trouwens niet vreemd dat uw eigen ministers via de Nieuwe Rotterdamsche Courant hebben moeten vernemen wat hun allemaal boven het hoofd hing?

WILLEM II: Vreemd? Ze waren razend! Denkt u dat het toeval was dat zij collectief ontslag hebben genomen?

PRESENTATOR: Knap lastig, in een ingewikkelde situatie als deze.

(Buiten zwelt het geluid aan van de Marseillaise.)

WILLEM II: Ministers zijn vervangbaar en dat gaat - dat garandeer ik u - op korte termijn gebeuren.

PRESENTATOR: Dus u bent inmiddels al druk met de formatie bezig, Majesteit?

THORBECKE (zelfbewust): Nee, deze werkzaamheden heeft Zijne Koninklijke Hoogheid inmiddels aan míj gedelegeerd.

PRESENTATOR: Neemt u mij niet kwalijk, het is voor ons allemaal even wennen. En wat zijn de verwachtingen?

THORBECKE: Met zowel de kandidaten voor Binnenlandse Zaken als voor Buitenlandse Zaken ben ik al een eindweegs gevorderd. Het Ministerie van Binnenlandse Zaken zal trouwens waarschijnlijk samengaan met dat van Protestantse Eredienst. Verder zijn wij van plan Marine en Koloniën onder één dak te brengen.

PRESENTATOR: En het Ministerie van Oorlog?

THORBECKE: Dat is rond. Een ervaren militair, natuurlijk. Voor de rest: wacht op onze daden, zou ik willen zeggen.

PRESENTAT: Majesteit, u kent inmiddels, neem ik aan, de concept-grondwet van de heer Thorbecke vrijwel uit uw hoofd.

WILLEM II: Dat is wat kras uitgedrukt.

PRESENTATOR: En wat is uw indruk?

WILLEM II: Ik kan mij er redelijk in vinden. Mét de nodige kanttekeningen, overigens. Bijvoorbeeld bij de verplichte jaarlijkse bijeenkomst van de Staten-Generaal op de derde maandag van oktober.

PRESENTATOR: Waarom?

WILLEM II: Het lijkt mij rijkelijk laat, na het zomerreces. Zelf zou ik de voorkeur geven aan de derde maandag, of desnoods dinsdag van september.

PRESENTATOR: Daar worden de heer Thorbecke en u het vast wel over eens.

THORBECKE: Ongetwijfeld.

PRESENTATOR: Kunt u iets zeggen over de stemming in het parlement? De ministerraad wint straks aanmerklijk aan kracht, terwijl de volksvertegenwoordiging...

WILLEM II: Ik had zelf de voorkeur aan een koninklijk decreet gegeven. Dat is overzichtelijker en effectiever.

MULTATULI (hij kan het wéér niet laten): Die man heeft groot gelijk! Je laat de kikkers toch niet meestemmen over de vraag of hun moeras moet worden drooggelegd!

(De beide journalisten aan de tafel leggen de vinger tegen de lippen. En de eindredacteur is weer aan het krabbelen: 'Republiek!')

PRESENTATOR: Prof. Thorbecke, bent u eigenlijk een conservatieve liberaal of een liberale conservatief?

THORBECKE: Ik noem mijzelf liever een man van het midden.

PRESENTATOR: De Oprechte Vlissingsche Courant schreef onlangs dat u eigenlijk, diep in uw hart, een republikein zou zijn.

THORBECKE: Dat laat ik dan geheel voor de verantwoordelijkheid van de Oprechte Vlissingsche Courant. Nee, ik geloof oprecht in een constitutionele monarchie, een stelsel waarin alle partijen vruchtbaar met elkaar samenwerken, de Kamers, de ministerraad, de erfelijk aangewezen vorst...

PRESENTATOR: Juist, daar heb ik een aanvullende vraag op, als u mij toestaat. Wij kennen u, Majesteit, en wij kenden uw vader. U bent allemaal mannen van de wereld, mannen met bestuurservaring. Maar mannen... Stel nu eens, in theorie, dat dit erfrecht onverhoopt niet in een kroonprins, maar in een kroonprinses voorziet? Wat dan?

(De Marseillaise klinkt steeds luider. Een van de agenten staat op, kijkt uit het raam en begint iets te mompelen in zijn zaktelefoon.)

WILLEM II: Daar heb ik geen moment bij stilgestaan, wilt u dat wel geloven? Maar u hebt gelijk. In theorie behoort zoiets tot de mogelijkheden. Een Oranjeprinses op de troon... Voorlopig schiet mijn fantasie tekort. Dat moet dan wel een héél daadkrachtige jongedame zijn!

THORBECKE: Ik zie in zo'n geval niet veel problemen. Ook een eventuele koningin zal ongetwijfeld de gepaste terughoudendheid betrachten. Bovendien ligt dat enigszins in de vrouwelijke aard.

(Marx, nog steeds op zijn stoeltje gezeten, haalt zijn vestzakhorloge tevoorschijn. Hij fluistert Engels wat in het oor. Beide mannen staan op en doen een poging discreet te verdwijnen. De eindredacteur schiet als een havik op hen af, drukt de heren de hand en overhandigt hun elk een fles wijn, in zo'n langwerpig, houten kistje verpakt. Exit Marx en Engels.)

PRESENTATOR: Toen een paar minuten geleden de termen 'vrijheid van drukpers en vrijheid van vergadering' vielen zag ik u wat bedenkelijk kijken, Majesteit. Waarom?

WILLEM II: Omdat ik zo'n onbeperkte vorm van vrijheid niet ongevaarlijk acht. Het leidt al gauw tot problemen. Kijk naar de fatale rol die de Banquets réformistes in Frankrijk bij de onlusten van de afgelopen weken hebben gespeeld.

THORBECKE (geïrriteerd): Ik meen, Majesteit, dat ik u de zaak nu al een paar keer heb uitgelegd. Er is - zeg ik u - geen reden voor bezorgdheid. Elke hervormingsmaatregel kent zijn risico's. Die zijn in ons geval tot een minimum beperkt door de aanvullende bepaling, dat bijvoorbeeld zo'n vergadering of politieke bijeenkomst bij wet kan worden beperkt, althans als het landsbelang dit vereist.

MAN (vanuit het publiek): Moet je die huichelaar horen!

PRESENTATOR: En de vrijheid van meningsuiting?

THORBECKE: Daar geldt hetzelfde voor. Ik garandeer u dat de overheid bij eventueel misbruik niet zal aarzelen streng op te treden.

MAN (vanuit het publiek): Mooie vrijheid van meningsuiting, meneer de prof!

(De floormanager steekt twee vingers in de lucht. Wij hebben nog enkele minuten te gaan.)

PRESENTATOR: Toch blijf ik nog even zeuren. U hebt een man als de heer Douwes Dekker hier openlijk horen verklaren, dat hij uw grondwet als 'een vod' beschouwt. Valt zoiets in strafrechtelijke categorieën, ja of nee?

MULTATULI: Ja, dat mag ik hopen!

THORBECKE (ijzig, zich rechtstreeks tot Douwes Dekker wendend): Nee, meneer Douwes Dekker, u mag krachtens mijn grondwet denken, zeggen en schrijven wat u wilt... Ik ben geen liefhebber van uw schrijverij, dat moge duidelijk zijn, ik beschouw u als een pure agitator, maar wat u doet valt tot dusverre volstrekt binnen de grenzen der legitimiteit.

PRESENTATOR: Laat ik een ander voorbeeld noemen. Een blad als de Waarachtige Physiologie heeft onlangs de kroonprins niet meer of minder dan 'het beest der beesten' genoemd. (Multatuli applaudisseert)

PRESENTATOR: Mag zo'n uitdrukking dan wél?

WILLEM II: Natuurlijk niet! Volstrekt niet! Zo'n blad moet gewoon worden verboden! En wel onmiddellijk! En de schrijvers van dit soort majesteitsschennige smeerlapperij... (tot Thorbecke): Ik héb het u gezegd, ik heb u ervoor gewaarschuwd... Wij bewandelen een gevaarlijke weg... Geef het volk één vinger en het neemt de hele hand...

(De floormanager heeft één vinger in de lucht gestoken. De eindredacteur bekrast zijn laatste stuk papier: 'Aftreden?')

PRESENTATOR: Heren, wij zijn bijna door onze tijd heen. Eén vraag tot slot: Sire, hebt u één moment overwogen te abdiceren?

(Plotseling draaien alle hoofden zich in de richting van de entree van de studio. Een man of zeven dringt het vertrek binnen, aangevoerd door de oproerkraaier, die even eerder was verwijderd. De man ontrukt de presentator de microfoon en begint te agiteren:)

MAN: Ik protesteer tegen de aanwezigheid van dit vorstelijk zwijn! Namens alle onderdanen die al zijn miljoenen uit hun zweet en bloed bijeen hebben moeten schrapen..! Schaamt u zich niet! Uw stallen lijken wel paleizen, terwijl het volk in krotten crepeert!

(Een van zijn makkers heeft een der cameralieden opzij gestoten en zoemt voluit in op de spreker. Die is niet tot bedaren te brengen. De ene agent neemt de spreker in een vakkundige greep en sleept hem de studio uit. De andere agent blaast op een fluitje. Inmiddels loopt iedereen door elkaar. De resterende binnendringers delen pamfletten uit. Eén waagt het zelfs om koning Willem II zo'n document in de vorstelijke hand te drukken, die er één blik op werpt en het dan ostentatief verscheurt. De presentator maakt een hulpeloos gebaar in de richting van de eindredacteur. Deze wijst bezwerend op de hoofdcamera. De presentator laat zich met een diepe zucht zakken en spreekt met door emoties verstikte stem:)

PRESENTATOR: Dit was het dan voor vandaag. Méér nieuws de komende dagen in de Middageditie. Volgende week weer een nieuwe aflevering van Buitenhof - denk ik..., hoop ik...