Europa vergist zich deerlijk in China

De ministers van Buitenlandse Zaken van de Europese Unie zeggen dat China de rechten van de mens beter naleeft dan voorheen.

De dissident Wei Jingsheng vindt dat zij met deze uitspraak de waarden van vrijheid en democratie verloochenen.

De merkwaardige resolutie over de rechten van de mens in China die de ministers van Buitenlandse Zaken van de Europese Unie onlangs hebben aangenomen, heeft mij verbijsterd. Op basis van een foutieve beoordeling hebben ze hun plicht verzaakt door China niet te veroordelen voor zijn beleid op het gebied van de rechten van de mens. Op die manier hebben ze de zaak van de vrede, de democratie en de rechten van de mens in de wereld in de steek gelaten. Daarover kan ik alleen maar diep verontwaardigd zijn.

De enige reden waarom is besloten dat 'de situatie van de rechten van de mens in China [is] verbeterd', is het feit dat ik ben vrijgelaten. Maar ben ik wel vrijgelaten?

De hele wereld weet dat ik gedwongen werd naar de Verenigde Staten te gaan op medische gronden. Volgens de woorden van de Chinese minister van Justitie zelf ben ik nog altijd een gevangene. Anders gezegd, het onwettige vonnis dat tegen mij werd uitgesproken is nog altijd van kracht.

Wie in China opkomt voor democratie en de rechten van de mens, riskeert nog altijd op een onwettige manier te worden veroordeeld. In China worden nog steeds straffen uitgesproken tegen mensen die actief zijn binnen niet-officiële vakbonden. In China is het nog steeds verboden te werken voor niet-officiële liefdadigheidsinstellingen. In China worden zelfs niet-officiële artistieke en culturele activiteiten als illegaal beschouwd. Dat zijn precies de vier hoofdpunten van hetgeen mij ten laste werd gelegd en op grond waarvan ik in 1995 werd veroordeeld.

De secretaris-generaal van de partij, de premier en de minister van Justitie hebben tegenover de hele wereld verklaard dat de dingen die mij ten laste werden gelegd, nog altijd gelden als misdrijf. Het zijn nog steeds verboden activiteiten volgens de dictatoriale regels van de enige politieke partij. De in de Chinese grondwet opgenomen rechten van de mens zijn slechts loze bepalingen zonder betekenis. Er gaat vrijwel geen dag voorbij zonder dat de Chinese bevolking en de buitenlanders duidelijk wordt gemaakt dat de Chinese autoriteiten er bepaalde onwrikbare principes op nahouden die zij nooit zullen opgeven.

De politieke gevangenen Wang Dan, Liu Nianchun, Liu Jingsheng, Hu Shigen en al die anderen, zijn daarvan de levende bewijzen. Evenals de talloze over de Chinese grens gezette en in ballingschap levende Chinese democraten. In China zelf worden degenen die opkomen voor de democratie en de rechten van de mens, en ook hun familieleden, dagelijks door de geheime politie in de gaten gehouden en lastiggevallen.

De behandeling die westerlingen ten deel valt, is ook veelzeggend. De journalist Jonathan Mirski van Time en de Duitse verslaggever Bork, die beiden waren gestationeerd in Peking, zijn China uitgezet. Ook de momenteel in Peking gestationeerde journalist Jürgens, van het Duitse weekblad Der Spiegel, en een voorheen in die stad werkzame verslaggever van de BBC, kunnen ervan meepraten. Ze werden bespioneerd, achtervolgd, lastiggevallen, zelfs wederrechtelijk gearresteerd en in elkaar geslagen. Veel andere Westerse journalisten die ik niet persoonlijk ken, hebben hetzelfde meegemaakt. Dat geldt natuurlijk niet voor de kleine groep journalisten die alleen maar functioneert als doorgeefluik voor de propaganda van de partij en die het zich in hun beroep een heel stuk gemakkelijker heeft gemaakt.

Is er sprake van verbetering van de situatie van de rechten van de mens in China zoals de vijftien ministers van Buitenlandse Zaken van de EU stelden? Maar wat betekent dan in de optiek van deze politici de situatie van de rechten van de mens?

In het verleden werd door de Chinese communistische partij, om zich te rechtvaardigen, nog geregeld beweerd dat Westerse waarden niet in Azië kunnen worden toegepast. Maar tegenwoordig wordt dat argument vrijwel niet meer gebruikt.

Daardoor werd wellicht gedacht dat in China enige verbetering is gekomen in de opvattingen over de rechten van de mens. Maar in feite gebeurt precies het tegenovergestelde. Het is niet de opvatting over de rechten van de mens van de partij die tendeert naar internationale normen. Het zijn juist de maatstaven van de Westerse politici die een terugval vertonen en zich aanpassen aan die van de Chinese communistische partij.

Met de resolutie van de Europese ministers van Buitenlandse Zaken wordt de Chinese communistische partij en de Chinese bevolking te kennen gegeven, dat de door de partij gebruikte maatstaven op het gebied van de rechten van de mens volstrekt acceptabel zijn, en dat dus de schending van dit soort rechten in China niet meer zal worden beoordeeld aan de hand van criteria die de Europese politici zelf hebben opgesteld. Maar zullen ze dan ook tegen de Europese bevolking zeggen: “Misschien zou het goed zijn als ook wij op het gebied van de rechten van de mens de maatstaven van de Chinese communistische partij gingen gebruiken?”