Een stijf Hollands heertje

Hij ontwikkelde zich van jong romanticus tot liberaal politicus. Johan Rudolf Thorbecke, auteur van de grondwet van 1848.

TOEN OP 18 mei 1876, nog geen vier jaar na het overlijden van de grote staatsman, in de hoofdstad het Thorbecke-standbeeld werd onthuld, bracht een Amsterdams koor een cantate ten gehore waarin de geëerde vaderlander onder meer werd bezongen als 'een ijskorst, een hoekige, magere steile figuur, een man als uit ijzer gegoten'. Johan Rudolf Thorbecke stond bekend als een wat kille, stugge persoonlijkheid, afstandelijk in de omgang. Kortom: een gereserveerde man, niet snel geneigd zijn zelfbeheersing te verliezen. Keep a stiff upper lip, zo noemen de Engelsen dat. Thorbecke's portret laat zien dat zijn gelaatstrekken zich naar dit streven volledig hebben gevormd.

Diametraal tegenover het beeld van Thorbecke als 'man uit een stuk en meester over zichzelven' staat het beeld dat oprijst uit de brieven die de jonge Thorbecke in de vroege jaren twintig vanuit Duitsland naar huis schreef. Hier treffen we de onzekere jongeling die alleen nog troost vindt in de muziek van Mozart: 'Zij alleen is in staat, mij uit alle mijne twijfelingen en onrust te scheuren [...] en de verdeelde borst met zich te verzoenen. Want, mijn ouders, ik ben sedert enige tijd niet meer dezelfde.'

Thorbecke is dan 23 jaar oud. Zijn studie in Leiden had de zoon van een Zwolse tabakshandelaar inmiddels afgerond. Tijdens de Duitse studiereis, die volgde op zijn promotie als classicus, maakte een opvallende emotionaliteit zich van de jongeling meester. De gevoelsmens was in Thorbecke ontwaakt. Zijn ouders laat hij weten dat 'van tijd tot tijd mij een nameloos verlangen (Sehnsucht is het voortreffelijke woord) naar liefde overvalt, en de innige wens mij geheel overmeestert, mij met mijn gehele wezen in haar wellen te storten en af te koelen'.

De pedante Leidse classicist bekeerde zich in Duitsland tot de Romantiek. In 1824, vlak voor hij naar Nederland terugkeerde, verscheen van zijn hand Ueber das Wesen und den organischen Charakter der Geschichte. Met deze verhandeling heeft Thorbecke volgens de historicus Boogman een stelling betrokken van waaruit hij zijn verdere leven zou blijven opereren. In politiek opzicht is die stellingname te beschouwen als een middenpositie tussen revolutie en antirevolutie: de revolutionaire beginselen werden door hem verworpen, maar hij aanvaardde de revolutie als historisch fenomeen en als uitgangspunt voor verdere ontwikkeling.

De twintiger Thorbecke was echter geen politicus, maar wetenschapper. In 1825 werd hij benoemd tot hoogleraar in de staatswetenschappen te Gent, waar hij werd gekend als een 'stijf Hollands heertje'. De Belgische revolutie maakte in 1830 een eind aan zijn verblijf in Gent. Een jaar later werd Thorbecke benoemd tot hoogleraar in de diplomatie en moderne geschiedenis te Leiden.

Tot ver in de jaren dertig is van oppositionele stellingname geen sprake: niet als liberaal, maar als gematigd conservatief is de Thorbecke van die tijd te beschouwen. Hij was een loyaal aanhanger van het regime van koning Willem I en - net als deze - een overtuigd voorstander van de vereniging van Nederland en België. Toch was het nog voor de abdicatie van Willem I dat Thorbecke zich kritischer ging opstellen tegenover het autocratische regeringssysteem. De theoreticus betrad voor het eerst de politieke arena toen hij in 1840 werd gekozen in de Dubbele Kamer, bijeengeroepen om de grondwetsherziening te beoordelen die noodzakelijk was geworden na de definitieve afscheiding van België. In deze jaren voltrok zich Thorbecke's ontwikkeling van conservatief tot liberaal.

In 1844 verwoordde Thorbecke zijn nieuwe politieke standpunt in een rede Over het hedendaagsche staatsburgerschap. Als hij hierin zijn voorkeur voor een systeem van directe verkiezingen tracht te motiveren, gebeurt dat niet met behulp van enig ideologisch gekleurd motief, maar op historische gronden: een stelsel van rechtstreekse verkiezingen achtte hij het natuurlijke gevolg van een eeuwenlang historisch proces van toenemende centralisatie. Thorbecke's liberalisme wilde organisch zijn, dat wil zeggen ingebed zijn in de historische ontwikkeling en verankerd in de samenhang van de maatschappij. Het was vooral hier dat de invloed van de Duitse romantiek, met haar organische geschiedbeschouwing, zich deed gelden.

De Nederlandse liberalen hadden in de persoon van Thorbecke hun leidersfiguur gevonden. Hij belastte zich met de opbouw van een welomschreven en aan de omstandigheden aangepaste hervormingsbeweging en was in staat op het juiste moment het beleid richting te geven. Toen hij in 1844, het jaar van zijn verkiezing tot Tweede-Kamerlid, samen met acht gelijkgezinde Kamerleden, een voorstel tot ingrijpende grondwetsherziening indiende, was de tijd nog niet rijp. Het juiste moment was 17 maart 1848, toen Thorbecke, vooral dankzij de paniek van koning Willem II over de revoluties in Duitsland, werd aangesteld als voorzitter van een staatscommissie die tot taak had de grondwet te herzien.

Thorbecke's langzame, niet altijd even geleidelijke groei - van de jonge romanticus via het Leidse professoraat tot de liberale politicus - vond zijn vervolmaking in de kleine maand die het schrijven van de ontwerp-grondwet vergde. Thorbecke's finest hour had geslagen. Hij was het die de grondwetsherziening ontwierp, want zijn collega's in de commissie deden niet veel meer dan zijn schetsen aanvaarden. Dat deed ook - met heel wat meer tegenzin overigens - een meerderheid van de Staten-Generaal en op 3 november 1848 kon de nieuwe grondwet plechtig worden afgekondigd.

Driemaal was Thorbecke in de volgende jaren minister van Binnenlandse Zaken. De kritiek die de Tweede Kamer bij aanvang van zijn eerste ministerie uitte op het gemis aan programma pareerde Thorbecke met de beroemde woorden waarin het anti-ideologische en pragmatische van de liberale politiek duidelijk doorklonk: 'Wacht op onze daden'.

Aan daden heeft het vervolgens inderdaad niet ontbroken. Belangrijke wetten kwamen onder Thorbeckes ministeries tot stand: de kieswet en de provinciale wet, beide van 1850, en het jaar daarop de gemeentewet. De twee laatste vormen tot op heden het fundament van de bestuurlijke indeling van Nederland. Ook het tweede ministerie boekte resultaat met de wetten tot aanleg van het Noordzeekanaal en de Nieuwe Waterweg, en de wet op het Middelbaar Onderwijs.

In december 1871, juist begonnen aan zijn derde ministerschap, werd Thorbecke ziek. In april 1872 kwam de 73-jarige Thor nog een keer in de Kamer. Op weg naar huis - zo weet een van zijn biografen - overviel hem een verkoudheid waarvan hij niet meer zou herstellen. Op 4 juni overleed hij in zijn Haagse woning.

Thorbecke is de meest geslaagde staatkundige hervormer uit de Nederlandse geschiedenis. Bij al dat succes van de staatsman blijft de mens enigszins verborgen. Al tijdens zijn leven was Thorbecke een beetje het standbeeld dat later voor hem werd opgericht, even ongenaakbaar en boven de gewone mensen verheven: 'een man als uit ijzer gegoten'.