'Dood peuter was fatale afloop van kinderruzie'

Twee negenjarige jongens uit Lelystad veroorzaken de dood van een driejarig meisje. Tragisch ongeluk of moord? Een uit de hand gelopen pestpartij, zegt de Raad voor de Kinderbescherming.

LELYSTAD, 12 MAART. Een “bizar uit de hand gelopen pesterij”. Zo ziet Jelle Kleistra, unitmanager strafzaken van de Raad voor de Kinderbescherming Lelystad-Zwolle, de zaak waarbij twee jongens van negen in Lelystad de dood van de driejarige Daisy Kruijswijk veroorzaakten. “Deze jongens zijn daders van strafbare feiten, maar ook slachtoffers”, zegt Bart van Dekken, praktijkleider in de zaak. “Slachtoffer van een geweldig mediacircus.”

Veel media vergeleken de zaak zijns inziens ten onrechte met die van de James Bulger, die in 1993 door twee jongens van tien werd meegelokt en vermoord. Een golf van publieke verontwaardiging was het gevolg; de jongens kregen vijftien jaar celstraf. “Dat was veel meer willens en wetens van tevoren gepland”, zegt Van Dekken. “Er was een drang tot gewelddadig handelen aanwezig waarvan hier geen sprake is.”

Feit is dat het gedrag van de twee jongens in Lelystad vermoedelijk was aangemerkt als moord of doodslag als ze volwassen waren geweest. Volgens de vrijgegeven politierapportage speelden zowel de jongens als het meisje op 5 februari bij een bevroren sloot in de wijk Jol, zonder toezicht van volwassenen. Michael en Kevin spraken af om Daisy te gaan pesten. Ze stuurden haar het ijs op en verhinderden haar met geweld (slaan, duwen, schoppen) weer op de kant te klimmen. Ze wisten dat het ijs onbetrouwbaar was, aldus hun verklaring aan de politie. Het meisje zakte er doorheen, werd pas na enkele minuten door een voorbijganger uit het water gehaald en overleed drie dagen later.

De jongens zijn aangehouden en verhoord, maar zullen niet worden gestraft omdat ze jonger zijn dan twaalf en nog niet onder het jeugdstrafrecht vallen. Voor de nabestaanden van het meisje en een deel van de buurten Jol en Galjoen was dat onverdraaglijk. Daisy's ouders namen een advocaat in de arm om schadevergoeding en uithuisplaatsing af te dwingen, enkele buurtbewoners organiseerden een handtekeningenactie om de jongens en hun familie uit de buurt te krijgen. Van Dekken keurt die actie af. “Dat lijkt te tenderen op het mechanisme: 'Geen moordenaars in de wijk'.”

Kleistra noemt de zaak “beyond punishment”. “We gaan de jongens hulp bieden om ze de kans te geven zich te ontwikkelen tot een volwaardig lid van de maatschappij. Dat wil niet zeggen dat we ze beschermen en omzwachtelen.” De jongens krijgen behandeling door een kinderpsychiater en daarnaast door een maatschappelijk werker, orthopedagoog en/of psycholoog. De hulp wordt gecoördineerd door een gezinsvoogd, die zolang de kinderrechter het nodig vindt het gezag over de jongens zal delen met de ouders. De behandeling is geen 'surrogaatstraf', benadrukt Kleistra, maar ook weer niet geheel vrijblijvend. “Als de ouders niet meewerken kunnen we hen daartoe dwingen.”

Uit onderzoek blijkt niet dat de (gewelds)criminaliteit onder kinderen onder de twaalf toeneemt. Volgens de Raad voor de Kinderbescherming staat het geval in Lelystad op zichzelf. De drie kinderen, die op dezelfde school zaten, zouden elkaar al een half jaar “jennen en pesten”, aldus een persbericht van het openbaar ministerie. Het OM bevestigt dat het driejarige meisje hierin ook een aandeel had. “Bij het meisje was het meer verbaal”, aldus een woordvoerder die hierover verder niets kwijt wil. Hoe onwaarschijnlijk het ook klinkt, gek is dat niet, vindt orthopedagoog Frank Buffing, werkzaam bij de kinderbescherming in Amsterdam. “Een kind van drie kan zeker pesten. Eigenlijk zijn mensen als ze 24 maanden oud zijn het agressiefst van hun hele leven. In een kinderdagverblijf wordt wat af geknepen en geduwd.” Buffing signaleert een dubbele houding van volwassenen ten aanzien van agressiviteit bij kinderen. “Aan de ene kant zeggen ze dat agressiviteit niet goed is. Aan de andere kant is het zaterdags langs de lijn ook 'Hup! Knal die bal erin!”

In hoeverre vertoonden de twee negenjarige jongens normaal pestgedrag? Vast staat dat het vóór 5 februari niemand was opgevallen. De ruzie tussen de kinderen was bij politie, Raad noch school bekend. Na 5 februari schakelde de Raad voor de Kinderbescherming, die bij minderjarige daders onderzoek verricht en de kinderrechter maatregelen kan voorstellen, direct een kinder- en jeugdpsychiater in. “Als je een kind van drie met stokken ervan weerhoudt de kant op de klimmen, hoe zit het dan met je geweten. Dat was voor ons de eerste vraag”, zegt Bart van Dekken.

Normaal gesproken valt pesterij buiten het (justitiële) werkterrein van de Raad voor de Kinderbescherming. “Op scholen komt het heel veel voor. Juist daarom is het niet zo dat iedere pester onder toezicht wordt gesteld”, zegt Buffing. Van Dekken: “Bij de civiele afdelingen van de Raad komen landelijk dagelijks tientallen meldingen binnen van leerkrachten dat een kind 'niet lekker in zijn vel' zit. Als hij dan ook nog stinkt of rare kleren draagt is het al gauw de pispaal van de klas. Maar zo'n leerkracht noemt dat dan vaak geen 'pesten', dat is onderdeel van een groter probleem.”

Het is bekend dat 'pesters' in het algemeen een laag zelfbeeld hebben. “Als je van jezelf vindt dat je niet zoveel waard bent, kan het prettig zijn om macht uit te oefenen om je in elk geval zo een beetje goed te voelen”, zegt Buffing. Volgens Kleistra speelde in Lelystad ook mee dat de twee jongens elkaar in hun pestgedrag versterkten. Buffing meent dat de oorzaak van het gedrag van de jongens in Lelystad moet worden gezocht in een gestoorde ontwikkeling in de richting van crimineel gedrag. “We hebben ons afgevraagd”, zegt Kleistra, “of dit had kunnen gebeuren in elk groepje kinderen dat een beetje aan het pesten is. Dat is niet zo.” Factoren die kunnen duiden op een gestoorde ontwikkeling zijn onder meer: geweld in of buiten het gezin, impulsief gedrag, problemen op school, veel driftbuien en psychische problemen van ouders. Welke factoren bij de jongens in Lelystad een rol hebben gespeeld is niet bekend. Ook hiervoor geldt dat niemand het nog had opgemerkt of gemeld bij een officiële instantie.

Van Dekken ziet hierin een symptoom van afgenomen sociale controle. “We leven in het Veronicatijdperk: Ik ben jong en ik wil wat. Of iets schadelijk is voor een ander komt op de tweede plaats.” Kleistra wijst op een gebrek aan “sociale cohesie”. Zonder Lelystad te willen stigmatiseren constateert hij dat de wijk waar het drama zich voltrok een nieuwbouwwijk is waar bewoners zich niet sterk betrokken voelen bij elkaar. “Ook zie je dat de correctie verschuift van ouders naar overheid”, zegt Kleistra. “Vroeger werden de ouders gebeld als een kind iets uithaalde, nu is dat al gauw de politie.”

Beleidsmedewerker C. van der Waag van de Raad vindt dat meer aandacht voor pesten geen kwaad kan. 'Pest-interventieprogramma's' op scholen zijn gericht op zowel de pester als de gepeste. Buiten school is er helemaal geen aanpak van het pesten. “Iemand moet ermee voor de draad komen”, zegt Van der Waag. “Anders gebeurt er niets.”