De trapauto en de koeien

Rond het middaguur hing een doodse stilte over het dorp. De palmen stonden roerloos. De hemel was helblauw. Het gehucht met de verschoten daken lag tegen de aarde gedrukt. De lucht trilde. Het enige teken dat de tijd passeerde, was de rivier die stroomde en enkele kilometers verder uitmondde in de Golf van Mexico. Enkele maanden geleden waren we hier beland, B. en ik en ons vierjarig zoontje Dirk.

De deuren van het huis stonden open. Ik zat op de grond in de hal. Dirk passeerde zo nu en dan over het trottoir aan de overkant in zijn blauwe trapauto. Ik probeerde hem te overreden binnen te komen spelen. Maar hij wilde niet. Ik voelde me te lusteloos om op te treden, te slaperig om me te schamen voor het blonde kind in zijn te dure speelgoed.

Een paar dagen geleden was het besluit genomen. Het was goed bedoeld: Dirk had hier niets, geen speelgoed, geen vriendjes... Het zou onze schuldgevoelens verzachten. 's Ochtends was het als blijde boodschap aangekondigd: vanavond gaan we...! En in de loop van de dag was het als dreigement gebruikt: als je niet... dan gaan we vanavond niet...!

's Avonds waren we met zijn drieën de enige speelgoedwinkel binnengestapt. De meneer en mevrouw van de winkel waren er beiden om de ouders van het kind ten dienste te staan. Het was ineens vol tussen de fietsjes, auto's, poppenhuizen en steps. We hadden geprobeerd voor Dirk te kiezen. Hij had met een hoogrode kleur rondgekeken, verblind door de veelheid aan mogelijkheden. Toen was hij in de blauwe raceauto gestapt. Alle andere mogelijkheden - fietsjes, driewielers, kiepkarren - moesten het hier tegen afleggen. Iedere poging om hem tot andere gedachten te brengen was met huilen of krijsen beantwoord. B. en ik hadden het benauwd gekregen, elkaar nijdig halve zinnen toegebeten, ons machteloos en in de val gelopen gevoeld. De auto was te groot, te duur, niet in verhouding tot wat een kind hier... Geen van ons beiden durfde een oplossing te forceren, gewekte verwachtingen te doorbreken. Dirk zat pontificaal in het duurste en grootste stuk speelgoed dat de winkel en het dorp rijk waren. De eigenaar en eigenares lachten minzaam.

Buiten waren kinderen te hoop gelopen, ze drukten hun gezichten tegen de etalageruit, ze genoten met grote donkere ogen van het sprookje van de blonde prins. Tegen dat decor hadden we duizend peso losgeld betaald. Dirk had zijn 'Firebird' naar buiten gereden. Tot aan huis had een groep kinderen ons op afstand gevolgd.

Ik stond op en ging tegen een pilaar zitten onder het overstekende dak. De straat was uitgestorven. Alleen Dirk stond verderop tegenover twee jongetjes. Ze zeiden iets tegen hem dat hij niet verstond. Toen ze dichterbij kwamen spuugde hij naar ze. Daarna draaide hij zijn auto en reed weg.

Ik liep naar binnen, opende de luiken van de voorkamer en ging voor het venster in een schommelstoel zitten. Ik hoorde een auto naderen en rende naar buiten om te zien of Dirk op de stoep was gebleven. Hij kwam te voorschijn uit een stofwolk. Hij stond weer tegenover de twee kinderen, die naar hem grijnsden. Ik ging het huis weer in. In de hoge ruimte stonden stoelen en siervazen. Aan de wand hingen foto's, portretten van een man en een vrouw, gekleed naar Europese mode van de jaren twintig. Ze poseerden in een decor van palmen, een hond lag aan hun voeten. Bezitters van suikerrietplantages. Hun kinderen waren naar elders vertrokken. Het in onbruik geraakte huis - met paardenstallen en hoge kamers rond een verwaarloosde tuin - herinnerde aan hun elegante verleden.

Ik hoorde Dirk krijsen. Ik was al buiten. Hij zat midden op straat. Alleen. Zonder speelgoed. Hij wees naar de hoek. Ik rende. Bij de eerste zijstraat zag ik een jongetje zich snel in Dirk zijn trapauto verwijderen. Ik spande al mijn krachten in. Hij manoeuvreerde behendig over het gehavende trottoir. Ik riep iets schors door de verlaten straat. Het jongetje keek om naar de achter hem aan hollende man en verdubbelde met plezier zijn inspanning. Ik werd gedragen door mijn woede. Zijn voorsprong werd kleiner. Steeds vaker keek het jongetje over zijn schouder om de afstand tussen zijn kinderspel en de volwassen razernij te meten. We schoten door een doolhof van stoffige straten en vervallen huizen.

Van links kwam een koe tussen de huizen door te voorschijn: eerst de onnozele kop, daarna de brede schouders, de voorpoten, het lijf... Tot zij als een trage bevalling tussen mij en het in de trapauto vluchtende jongetje was geschoven. Toen volgden er meer. De een na de ander. Een kudde van lichtbruin gevlekte lijven benam mij het uitzicht. Ik rende door. Ik moest even inhouden voor de laatste koeien en de man die te paard volgde.

De diepte van de straat opende zich weer. Leeg en eindeloos. Ik ging langzamer lopen. Ik hoorde mijn eigen ademhaling en de hoeven van de koeien. Ik keek om me heen, ongelovig, als zou iets mij slechts een moment beletten de werkelijkheid te zien. Maar het bleef leeg en stil. Ik begon weer op goed geluk te hollen. Keek een volgende zijstraat door. Hield in bij een deur, bukte onder een lijn met armetierig wasgoed, onderzocht een kleine binnenplaats waar kalkoenen misbaar begonnen te maken.

Ik dacht aan mijn kind dat ik berooid en midden op straat had achtergelaten. Ik liep terug. Langs vale gevels, houten schotten die vooroverhelden onder het gewicht van het dak. Alles zweeg, spande samen om het geheim te bewaren.

Achter in de straat waar de koeienkonten nog liepen te deinen, kwam Dirk de hoek om. Hij begon te huilen en toen het tot hem doordrong dat zijn vader met lege handen terugkeerde, zette hij het op een krijsen alsof hij de brandklok over het dorp luidde. Toen we elkaar bereikten, nam ik het kind op en trachtte het te troosten. De koeien waren uit de straat verdwenen en wij weer alleen met zijn snikken, de hitte en de ons omringende stilte.