De Rijn ligt ver achter ons

Veel politici denken vrij te kunnen kiezen tussen enerzijds het zogenoemde Rijnlandmodel met zijn accent op consensus en solidariteit en anderzijds het Angelsaksische model met de nadruk op marktwerking. Ze hopen wat te kunnen schipperen tussen Scylla en Charibdis. Ik geloof dat dit niet zo maar klopt.

Vooralsnog zal West-Europa verder opschuiven in de richting van de markt. Voor die stelling geeft niet alleen de contemporaine historie het bewijs maar er werken nog steeds krachten in die richting. Het is de moeite waard één daarvan wat nader te belichten. Dat is de toenemende invloed van de beurs - een typische markt zonder enige solidariteit - op het gedrag van ondernemingen.

Vroeger vertegenwoordigden de beurs en daarmee ook de beleggingen van aandeelhouders een interessante methode van financiering voor een onderneming. Maar er waren goedkopere alternatieven denkbaar, zoals het lenen van geld met fiscaal aftrekbare interest. Tegenwoordig drijven de omvang en het risico van de transacties de ondernemingen meer en meer naar de beurs, want alleen daar is voldoende risicodragend vermogen voorhanden. Tegelijk is het gedrag van de beurs en aandeelhouders veranderd. Een goed accountantsrapport en een solide vermogenspositie waren destijds een behoorlijk steuntje in de rug voor een solide beurskoers. Thans verwacht men stijgende koersen en dat kan alleen als de aandeelhouderswaarde van de onderneming oploopt.

Die aandeelhouderswaarde wordt in overwegende mate gevonden door de te verwachten rendementen van een onderneming te stellen tegenover de vermogenskosten (dus de rente plus een risicopremie). In de jaarverslagen vindt men daarvan weinig terug. Daarin wordt bijvoorbeeld het eigen vermogen van een onderneming berekend door de oorspronkelijke inleg en de ingehouden winsten bij elkaar op te tellen. Voor de beurs kan dat vermogen heel wat meer zijn. Daar rekent men met de kapitalisatie wat gewoon het aantal aandelen is maal de geldende beurskoers. Ook de rendementen worden anders gevonden; van belang is vooral hoeveel toegevoegde waarde de onderneming laat zien. Kortom, het bepalen van de aandeelhouderswaarde van een onderneming is niet zo zeer werk voor accountants, maar voor beursanalisten en voor fondsmanagers, typische vertegenwoordigers dus van de markt. De aandeelhouders, met name de institutionele beleggers en de banken, laten zich bij hun beoordeling van ondernemingen vooral door dit soort mensen leiden.

Door de globalisering zijn de kapitaalmarkten in de wereld met elkaar verbonden. Dat betekent dat alle ondernemingen van enige omvang direct met elkaar concurreren om risicodragend kapitaal. Iedere onderneming wordt door de beursanalisten langs dezelfde meetlat gelegd. Men moet ook gelijksoortige prestaties laten zien om de beurskoers in een continue lijn naar boven te krijgen. Daarmee zijn de ondernemers als het ware in een muizentrap gevangen. Hoe harder zij hollen met hun rendement des te meer kan de aandeelhouderswaarde van de onderneming stijgen. Maar in de volgende ronde moet er nog weer een schepje bovenop want de aandeelhouders hebben via de gestegen beurskoersen steeds meer in de onderneming geïnvesteerd en verwachten daarom ook weer hogere rendementen. Analisten en aandeelhouders hebben bovendien nauwelijks een geheugen. Het is steeds een nieuwe wedstrijd waarbij beurswaarden en rendementen volgens de laatste gegevens tegenover elkaar worden gesteld.

Met, zoals nu, de conjunctuur in de rug gaat dat aardig, maar het blijft een wedstrijd waaraan men zich niet kan onttrekken. Vandaar ook dat typisch Amerikaanse gedragingen hun intree doen. Een hoge kaspositie wordt niet meer gewaardeerd als teken van soliditeit, neen het kan een blok aan het been zijn omdat een deposito bij de bank nauwelijks rendement oplevert. Men haast zich om weer te investeren, te kopen of te fuseren want dat kan de aandeelhouderswaarde opnieuw omhoog duwen. Bedrijfsonderdelen die in de race wat achter blijven worden verzelfstandigd; soms wordt de gehele onderneming in delen opgesplitst. Een ding kennen we nog niet, namelijk dat bij gebrek aan goede investeringskansen geld aan de aandeelhouders wordt teruggegeven. Maar dat komt nu ook omdat de fiscus op dit punt wat soepeler lijkt te worden.

Waarom dit verhaal dat men dagelijks in de krant kan lezen? Omdat het wat naïef is om te veronderstellen dat het bedrijfsleven dat zo door de financiële markten wordt aangejaagd, ineens in zijn gedrag tegenover andere partijen zich minder marktmatig zou kunnen opstellen. Transactiegedrag wordt alom afgedwongen. Op de markt doet men weinig met solidariteit. Zelfs pensioenfondsen waarvan het kapitaal voor solidariteit is verkregen, worden in hun beleggingsgedrag haaiiger dan wie dan ook. Ze moeten wel, want in de krant wordt geen cijfer voor soliditeit of solidariteit gegeven maar wel voor het gemaakte rendement op beleggingen.

Met alle nostalgie mogen we aan het Rijnlandmodel terugdenken maar de Rijn ligt al ver achter ons. We zijn druk bezig om figuurlijk de Noordzee of zelfs de Atlantische Oceaan over te steken. Er is niet veel keuze, de markten en vooral de financiële markten zetten onze neuzen in die richting.