Catechismus

Dat Frits Groeneveld in een aflevering van zijn rubriek 'Geloven' de Heidelbergse Catechismus in de 14de eeuw plaatst, is natuuriljk niet zo handig, maar zijn omschrijving 'een calvinistisch leerboek over de zondigheid' is een correcte typering. De kritiek daarop van dr. U.H. Kollaard ('...een van de meest platte en botte clichés over het calvinisme', NRC Handelsblad, 7 maart) is buiten proporties en volstrekt misplaatst.

Zijn karakteristiek van deze verzameling dogma's als 'een troostboek' - volgens hem al uit de eerste bladzijde af te leiden omdat het werk begint met de vraag: 'Wat is uw enige troost in leven en sterven?' - is de gekleurde voorstelling van iemand die kennelijk preekt voor eigen parochie. Dat wordt op diezelfde eerste pagina onmiddellijk duidelijk voor wie het antwoord op die vraag leest. Daarin wordt uitgegaan van de gedachte dat de mens in wezen uitsluitend zondig is en onder heerschappij van de duivel staat. Van die gedachte is de hele Heidelbergse Catechismus doortrokken, wát er verder ook in moge staan over genade, verlossing, enzovoort (uiteraard op calvinistische voorwaarden).

Troostboek? Wie in het calvinisme is opgevoed en als kind de beklemmende druk van de voortdurende gedachte aan eigen slechtheid, zonde en straf aan den lijve heeft ervaren, kan, eenmaal tot inzicht gekomen, alleen maar concluderen dat opgroeien met de Heidelbergse Catechismus een harmonieuze ontwikkeling van gevoel en verstand tot volwassenheid ernstig frustreert, en in bepaalde gevallen zelfs geheel onmogelijk maakt. Dat geldt trouwens voor élke fundamentalistische opvoeding.